Duitsers deporteren Gentse professoren

Op 18 maart 1916 werden de hoogleraren geschiedenis aan de Gentse universiteit, Henri Pirenne en Paul Fredericq, door de Duitse bezetter gearresteerd en naar Duitsland gedeporteerd. De aanhouding en deportatie baarde internationaal opzien. Pirenne en Fredericq waren de voortrekkers van het verzet tegen de plannen van het Duits bestuur van Bezet België om de Gentse universiteit te vervlaamsen.

Henri Pirenne was een van de beroemdste historici van zijn tijd en genoot internationale bekendheid. Paul Fredericq, ook historicus en een verwant van de schrijver Cyriel Buysse, was een van de meest Vlaamsgezinde professoren aan deze Franstalige universiteit.

Aanleiding van hun deportatie was het verzet van de Gentse hoogleraren tegen de beslissing van de Duitse bezetter om de universiteit te vernederlandsen. Die vernederlandsing was een oude, dringende eis van de Vlaamse beweging geweest.

Bij het begin van de twintigste eeuw werd aan alle Belgische universiteiten les in het Frans gegeven, ook al was het “Vlaams” al een tijd als officiële taal in België erkend.

De Vlaamsgezinden vonden dat de Vlamingen recht hadden op hoger onderwijs in hun eigen taal en eisten daarom dat de lessen aan de Rijksuniversiteit in het Nederlands zouden worden gegeven.

Alleen zo, zo stelden ze, zouden de Vlamingen zich tot volwaardige burgers kunnen ontwikkelen.

Affiche van een meeting voor de vernederlandsing van de Gentse Universiteit kort voor de oorlog. De liberaal Louis Franck, de katholiek Frans van Cauwelaert en de socialist Camille Huysmans waren de kopstukken van de strijd en werden de kraaiende hanen genoemd (collectie AMVC)

Tegen de vernederlandsing kwam veel verzet vanwege de Franstaligen en zeker van de Franstaligen in Vlaanderen, die toen een invloedrijke minderheid vormden.

De adel, de hogere burgerij en heel wat intellectuelen in Vlaanderen spraken bij voorkeur Frans. De meeste studenten kwamen ook uit de hogere klassen.

Veel Franstaligen dweepten met de superioriteit van de Franse taal en cultuur en vonden het “Vlaams” ongeschikt voor hoger onderwijs.

De Gentse Franstalige schrijver en Nobelprijswinnaar Maurice Maeterlinck noemde de vervlaamsing van de universiteit een misdaad tegen de beschaving.

De strijd om de vervlaamsing van “Gent” was een van de hoofdpunten van de Vlaamse beweging voor de Eerste Wereldoorlog.

Door de Duitse invasie raakte de kwestie op de achtergrond. Alle Belgische universiteiten werden gesloten en de meeste zouden dat blijven voor de duur van de oorlog. Alleen niet in Gent…

Links: vooroorlogs pamflet van de Gentse hoogleraar en jurist Emile Dauge tegen de vervlaamsing, Dauge zou ook na de oorlog een fel tegenstander blijven

Rechts: pamflet uit 1916 voor de vervlaamsing uit activistische hoek, moeder Vlaanderen roept haar zonen naar de Gentse universiteit

Eind 1915 liet de Duitse gouverneur-generaal van België, generaal Von Bissing, weten dat hij de Gentse universiteit zou heropenen, maar dat die dan in het Nederlands zou werken.

Daar kwam verzet tegen onder meer vanwege Pirenne, maar vooral van Fredericq. Dat is opvallend daar Fredericq zelf een voorstander van de vervlaamsing was geweest.

Paul Fredericq vond echter dat de Vlamingen geen cadeaus moesten ontvangen van de Duitse bezetter die het Belgische en Vlaamse volk zoveel ellende bezorgde.

Bovendien vond hij dat de Duitsers zich niet met een interne kwestie van de Belgische politiek moesten bemoeien en dat de bezetter ook niet het recht had zoiets te doen. Hij stuurde zelfs een protestbrief in die zin naar Von Bissing, ondertekend door een aantal Vlaamsgezinde intellectuelen.

Paul Fredericq in Duitse gevangenschap ( collectie UGent )

De vervlaamsing kreeg wel de steun van een minderheid van radicale, vaak jonge Vlaamsgezinden. Ze raakten bekend als de “activisten”, terwijl de aanhangers van Fredericq “passivisten” werden genoemd.

De gouverneur-generaal drukte zijn plannen door. De Vlaamse universiteit zou er komen. Fredericq kreeg zelfs het aanbod om rector te worden, maar hij weigerde.

In februari 1916 kregen alle leden van het onderwijzend personeel van de universiteit de vraag of ze in staat waren in het Nederlands te onderwijzen.

Slechts zes van de 80 aangeschrevenen antwoordden dat ze konden. Anderen zeiden dat ze “wel bekwaam, maar niet in staat” waren. Die formulering had Fredericq bedacht.

Vlak voor de oorlog hadden nog 55 van de 76 hoogleraren en docenten gezegd dat ze voldoende Nederlandskundig waren.

Pirenne en Fredericq samen tijdens hun gedwongen verblijf in Duitsland (collectie UGent)

Voor de Duitsers was er duidelijk slechte wil onder de professoren. Von Bissing besloot een voorbeeld te stellen en twee van de bekendste professoren naar Duitsland af te voeren.

Fredericq en Pirenne werden als de aanstokers van het “Waalse verzet” tegen de vervlaamsing gebrandmerkt. Zeker aan het adres van de Vlaamsgezinde Fredericq is dat een vreemde beschuldiging.

En Pirenne was wel een echte Waal, maar woonde in Gent en had als historicus een grote kennis van de Vlaamse cultuur. Voor de oorlog had hij zich uitgesproken voor een tweetalige Gentse universiteit.

De twee historici zouden de rest van de oorlog in Duits gevangenschap verblijven.

De vervlaamste universiteit kwam er eind 1916, maar werd niet een echt succes. De Duitsers moesten zowat alle docenten elders gaan zoeken.

Het Duitse “cadeau” aan de Vlamingen zou de hele kwestie van de Gentse universiteit eerder kwaad dan goed doen. Na de oorlog zou de Franstalige universiteit worden hersteld en zouden het personeel en studenten van de “Von Bissing-universiteit” het moeilijk krijgen.

Pas in 1930 zou de universiteit volledig en definitief Nederlandstalig worden.

Pirenne (in het midden met baard) tussen andere gevangenen in het kamp van Holzminden in Duitsland (collectie UGent)

lees ook