Die dag in mijn klas - Eva Jaspaert

Eén maand geleden. 9 uur. Eva Jaspaert ging haar klas met jonge vluchtelingen binnen. Hoe zeg ik het? Wat zeg ik? Hoe doen we dat? En toevallig was er die avond oudercontact in het asielcentrum van die kinderen. Haar verhaal van die dag met veel emoties en twijfels.
labels
Opinie
Aansturen van de 'opinie' teaser o.a. op de home pagina en 'opinie' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'opinie' overzichtspagina

Eva Jaspaert geeft als Okan-leerkracht in het Sint-Jozefsinstituut, Betekom, les aan jonge vluchtelingen.

Dinsdag 22 maart. 9:00. Ik heb net onze kinderen naar school gebracht en zit in de auto op weg naar mijn werk. Eindelijk kan ik verder naar het nieuws luisteren. Flarden realiteit beginnen nu pas een klein beetje door te sijpelen van wat ik eerder op de ochtend al kort had gehoord. Er is een aanslag gepleegd in Zaventem.

Ik denk meteen aan mijn schoonzus, ‘was het nu vandaag of morgen dat ze zou vertrekken’. De rest van de dag zal ik nog dikwijls aan ‘mensen-die-ik-ken’ in Brussel denken, en me afvragen of ze OK zijn.

Ik ben leerkracht in het secundair onderwijs. Ik moet die dag pas het tweede lesuur beginnen, en ik vraag me in de auto af of mijn leerlingen al op de hoogte zouden zijn van wat er is gebeurd. Ze hebben zo goed als allemaal een smartphone, en hoewel ze op school niet op hun gsm mogen kijken, is het onder leerlingen vaak een uitdaging dit net wel te doen.

Ik ga er van uit dat ze het ondertussen al wel zullen weten. Zou ik er dan zelf over beginnen, over de aanslag, of zou ik afwachten tot iemand van hen met een vraag of opmerking erover komt? Hoe zou ik er dan over beginnen? Welk soort vragen zouden er komen? En hoe beantwoord ik zo’n vraag? Mijn hoofd draait en als ik de school binnenstap weet ik nog steeds niet helemaal wat volgens mij de beste aanpak is.

Ik spreek een collega aan, en we beslissen samen om nog even af te wachten wat de jongeren zelf aanbrengen. Ze vergezelt me naar dat tweede lesuur, en al gauw is het duidelijk dat de leerlingen nog niets weten van het hele gebeuren.

De les verloopt zoals steeds, chaotische en rumoerige momenten worden afgewisseld met periodes van opperste concentratie, die weer afgelost worden door luid gelach. Het mag, en het moet soms, in mijn klas. Eén keer gaat de telefoon van een leerling af. Uit gewoonte neem ik het toestel bij mij, maar geef ik het hem na de les weer terug. Hij zal het misschien nog nodig hebben, een dag zoals vandaag.

Samen

Tijdens de voormiddagpauze overleg ik snel met enkele andere collega’s en de leerlingenbegeleider van de school, hoe we het nu best verder aanpakken. We bekijken zelf zo vaak mogelijk onze smartphones, waarop het bericht van de aanslag in de metro ondertussen wordt gemeld.

De leerlingenbegeleider stelt voor om het nieuws ‘gecontroleerd’ aan te brengen. De leerlingen zullen het in de loop van de dag ongetwijfeld te weten komen, dan is het beter dat ze het horen van ons en kunnen ze bij ons terecht voor hun eerste reacties en mogelijke angsten, twijfels of vragen.

Een collega en ik beslissen om onze twee klassen samen te nemen, zodat we er met z’n tweeën voorstaan. We zijn allemaal aangedaan door het nieuws, en zenuwachtig om er met onze leerlingen over te spreken. Samen kunnen we elkaar daarin ondersteunen.

Ik begin te vertellen over de aanslagen, in Zaventem en Maalbeek. Ik zoek mijn woorden, twijfel soms, neem pauzes. Zij luisteren vol ongeloof. Stil. Ver weg is het rumoer, de chaos en het gelach van een uur ervoor.

Dan komen de vragen. Iemand vraagt of Brussel volledig ontploft is. Ik antwoord dat het ‘enkel’ over de vlieghaven en over het metrostation gaat. Het duurt even vooraleer het doordringt hoeveel mensen er vermoedelijk gestorven zijn. Dat aantal lag toen ‘nog maar’ op 13. Weerom ongeloof en stilte.

"Waarom, mevrouw, waarom doen mensen dit?", vraagt een leerling. "Omdat ze gek zijn in hun hoofd", antwoordt er iemand. "Omdat ze niets hebben, vanbinnen", antwoordt een andere leerling.

De stilte ebt stilaan weg, en meer en meer ontstaat er kwaad rumoer in de klas. "Zij gaan naar het vuur, mevrouw", en hij wijst naar boven. Een meisje vraagt of er ook ergens anders in België aanslagen gebeurd zijn. Mijn collega en ik proberen hen gerust te stellen – dat ze niet bang moeten zijn en dat we hier veilig zijn, in ons Vlaamse dorp.

Plots zegt een leerling, ‘We zijn niet bang, mevrouw. In Syrië, elke dag’.

Het was de opmerking waarvoor ik eigenlijk een beetje bang was, op voorhand. Daar in mijn auto, ‘s morgens, toen ik nadacht over hoe ik mijn leerlingen dit nieuws moest vertellen. Ik had geen idee wat ik moest antwoorden als er zo’n opmerking zou komen. Want inderdaad, voor hen is dit niets nieuws.

Ik ben een leerkracht in een OKAN-klas. Een OnthaalKlas voor Anderstalige Nieuwkomers, met leerlingen tussen 12 en 18 jaar die minder dan een jaar in België verblijven. In OKAN krijgen ze ongeveer 20 uur Nederlands per week. In de groep van leerlingen waar mijn collega en ik op dat moment voor stonden, komen 12 leerlingen uit Syrië, 2 uit Irak, 1 uit Iran, 2 uit Polen en 2 uit Kosovo. Zo goed als allemaal verblijven ze in een asielcentrum in de buurt.

Dat ze niet bang zijn, dat geloof ik eigenlijk niet. Toen we een week eerder met hen op uitstap waren, en er ergens in de verte een luide (‘onschuldige’) knal klonk, zagen we hoe enkele leerlingen enorm schrokken, en met schichtige ogen dichter bij ons kwamen wandelen. Zo kwetsbaar zijn ze. Dan wil je niets liever dan ze een knuffel geven en geruststellen, en hopen dat het helpt.

Maar wat kan je nog anders zeggen, op zo’n moment in de klas, dan hoe erg je zoiets vindt. Hoe verschrikkelijk het is dat je daar dagelijks bang voor moet zijn. Wanneer een leerling dan een filmpje van de Syrische media op zijn gsm laat zien, van een aanslag in zijn thuisstad de dag ervoor, waarbij hij zegt dat er 150 doden gevallen zijn, dan sta je daar met een krop in de keel en tranen in je ogen.

En toch verandert het onderwerp hier niet door. De jongeren willen het over België hebben, over wat er die dag is gebeurd. Ze willen meer weten. Niemand die de aanslagen hier wil minimaliseren.

Vragen blijven ook komen. Van Salah Abdeslam en de aanslagen in Parijs hebben sommigen nog nooit gehoord. Het ‘gecontroleerd aanbrengen’ is duidelijk een goed idee geweest.

Samen met hen kijken we naar een live stream van het nieuws. Ze zijn weer stil, met diezelfde schichtige ogen volgen ze de beelden van mensen die bang weglopen, van een geruïneerde inkomhal, van bebloede mensen die geholpen worden. Ze schudden hun hoofd.

Een leerling blijkt een tante in Molenbeek te hebben om wie hij zich zorgen maakt. Hij probeert haar te contacteren, en hier en daar zijn ook andere leerlingen met familie of vrienden aan het sms’en. Het telefoontje dat die ene leerling kreeg tijdens het tweede lesuur die dag, blijkt zijn mama uit Syrië te zijn. Nadat ze daar haar zoon verplichtte om te vluchten voor zijn leven, wil ze zeker weten of alles hier ok is met hem.

‘Sorry voor Brussel’

Diezelfde avond van deze onwerkelijke dag staat er voor twee collega’s en mezelf voor de eerste keer een oudercontact in het asielcentrum geprogrammeerd. Het wordt een intense avond, eentje die we met ons drieën niet zullen vergeten. Je komt in aanraking met hartverscheurende én hartverwarmende verhalen. Sommige ouders zeggen ‘sorry’ tegen ons. ‘Sorry voor Brussel’. Je schrikt, en wil duidelijk maken dat zij zich niet moeten verontschuldigen.

Enkele leerlingen willen ons na het oudercontact een korte rondleiding geven. Twee leerlingen ontvangen ons in de kleine kamer waar ze met hun gezin van 8 personen slapen. Jongens die vaak letterlijk in slaap vallen tijdens de les, omdat hun zusjes van 1,5 jaar en 4 maanden hen ’s nachts geregeld wakker houden.

Daarna belanden we in een kamer waar vier van onze leerlingen, die hier als niet-begeleide minderjarigen aangekomen zijn zonder ouders, slapen. We worden in onze rondleiding ondertussen vergezeld door nog andere leerlingen en inwoners uit het centrum. We drinken koffie en eten kiwi’s.

"Today the day started very sad, but us sitting here right now is maybe hope that we can come together in grief". Het is één van de volwassen inwoners die dit zegt. Ik knik van ja. En blijf knikken, van oprechte hoop dat dat kan. Maar vanbinnen ligt er een steen op mijn maag, eentje uit angst dat we nu weer een stap verder weg staan van dat coming together. Terwijl iedereen dit toch wil.

Wanneer ik thuis kom, raast mijn hoofd op volle toeren. Ik zie in een extra uitzending op Eén, hoe er aan Ish Ait Hamou, de enige moslim aan tafel, gevraagd wordt of moslims zich betrokken voelen bij het hele gebeuren.

Ik zucht.

Ik denk aan de vele slachtoffers van de aanslagen. Mijn hart doet pijn, en met die steen is niets meer aan te vangen. En ik denk aan onze leerlingen. Ik hoop dat zij de steun vinden, zoals ik die in mijn omgeving vind, om dit alles te verwerken. Onze leerlingen, die mij – ons – zelf die steun proberen te bieden. Onze leerlingen, wiens ouders ‘sorry’ zeggen, nadat hen zelf de meest onwaarschijnlijk gruwelijke dingen werden aangedaan.

Ieder van ons voelt zich betrokken.

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.