Apollinaire, de beroemdste Franse oorlogsdichter

Honderd jaar geleden werd de beroemde dichter Guillaume Apollinaire aan zijn schedel geopereerd, na een verwonding aan het front. Het moet de meest bekende schedeloperatie uit de oorlog zijn geweest, want Apollinaire zou daarna pronken met zijn met een verband omwonden doorboorde schedel en er zelfs gedichten over schrijven.

De gedichten van Apollinaire zijn van een heel andere aard dan de “klassieke” oorlogspoëzie, waarmee zoveel strijders van ’14-’18 de ellende van de oorlog wilden uitdrukken. Apollinaire was dan ook een van meest vernieuwende dichters van het begin van de 20ste eeuw, een absolute avant-garde figuur.

Onderluitenant Apollinaire was op 16 maart 1916 door een granaatscherf aan de rechterslaap gewond terwijl hij in zijn loopgraaf een literair tijdschrift aan het lezen was. Op 9 mei werd hij aan zijn schedel geopereerd om de druk van een bloedklonter weg te nemen.

Amper een week voor hij gewond raakte, had hij de Franse nationaliteit verworven, hoewel hij al anderhalf jaar in het Franse leger diende. Bij die gelegenheid had hij ook zijn schrijversnaam Guillaume Apollinaire als officiële naam aangenomen.

Apollinaire (rechtstaand) aan het front in de Argonne

Eigenlijk was hij een Russische Pool die Wilhelm Apollinaris Kostrowitzky heette.

Hij droeg de naam van zijn moeder, een Poolse aristocrate met veel vrouwelijke charmes, die als een demi-mondaine leefde. Wie zijn vader was, is niet met zekerheid bekend.

Hij bracht zijn jeugd grotendeels door aan de Côte d’Azur (zijn moeder gebruikte haar charmes in het casino van Monte Carlo) en reisde door half Europa. Toen zijn moeder een tijd het casino van Spa frequenteerde, verbleef hij in Stavelot.

Uiteindelijk ging hij in Parijs wonen, waar hij van zijn pen probeerde te leven. Als halve aristocraat en halve bohémien leidde hij een artistiek leven, doorkruist door financiële problemen en ongelukkige liefdesaffaires.

Apollinaire in het appartement van Picasso in Parijs, in 1910

Avantgarde

Apollinaire werkte onder meer als “nègre” (ghostwriter), schreef in een tijdschrift en gaf voordrachten.

Tekenend voor zijn non-conformisme is dat hij het werk van de toen vrijwel vergeten markies de Sade heruitgaf en zelf een paar pornografische romans schreef.

Hij kreeg echter bekendheid als kunstcriticus. Hij maakte de revolutie in de schilderkunst van het begin van de twintigste eeuw van nabij mee en schreef erover.

Mede door hem raakte het werk van mensen als Picasso, Matisse, Bracque, Van Dongen en Douanier Rousseau, schilders die hij allemaal kende, beter bekend.

Hij was een van de eersten om de term “kubisme” te gebruiken. Ook stond hij onder invloed van de Italiaanse futuristen.

Pas in een latere fase begon hij gedichten te schrijven. Bekend waren zijn gebruik van kalligrammen, gedichten waarbij de woorden figuren vormen, een procedé dat kort daarop door Van Ostaijen zou worden gebruikt.

"Du coton dans les oreilles" of "Katoen in de oren", een van de kalligrammen die duidelijk geïnspireerd was door zijn ervaringen aan het front

Dichter-officier

Men zou denken dat een kosmopoliet en non-conformist als Apollinaire zeer vijandig tegenover de oorlog zou staan, maar dat was helemaal niet zo.

Veel avant-gardekunstenaars, in het bijzonder de futuristen, zagen in oorlog iets moois : een motor van vernieuwing, het einde van een verdorven maatschappij. En hoewel geen geboren Fransman koesterde Apollinaire een bijna mystieke liefde voor zijn adoptieland Frankrijk.

Meteen na het uitbreken van de oorlog meldde hij zich dan ook voor het Franse Vreemdelingenlegioen. Toen hij daar niet meteen aanvaard werd, diende hij een naturalisatieverzoek in, zodat hij in het reguliere Franse leger kon vechten. In december 1914 begon hij aan een opleiding als leerling-officier bij de artillerie.

Rond die tijd leerde hij de 23-jarige adellijke pilote Louise de Coligny-Châtillon (“Lou”) kennen, op wie hij een tijd hartstochtelijk verliefd was en aan wie hij enkele gedichten wijdde. Lang duurde de relatie niet. Begin 1915 vond hij al een andere vrouw als aanbeden muze, maar hij en Lou zouden elkaar blijven schrijven.

Apollinaire (links) bij een 75 mm-kanon

Hij was trots toen hij in april 1915 naar het front gezonden werd. “Ik doe wat ik kan om een perfect militair te zijn”, schreef hij een vriend. Meteen verzocht hij om de meest gevaarlijke opdrachten.

Toen hij een loopgraaf bezocht en zag wat de soldaten daar moesten meemaken, besefte hij hoe weinig risico hij als kanonnier liep. Meteen vroeg hij om naar de infanterie te worden overgeplaatst.

De artillerie, zo schreef hij aan Lou, was “niet interessant, het is het wapen van grootvader en van de eunuch. Het enige interessante en formidabel tragische wapen is de infanterie, waar de strijd onvoorstelbaar hels is”.

Het waren geen loze woorden... Tot zijn grote tevredenheid mocht hij al gauw in de loopgraven vechten.

In oktober werd hij officier en begin 1916 kreeg hij het bevel over een compagnie. Twee maanden later maakte de granaatscherf in zijn hoofd een einde aan zijn verblijf aan het front.

Apolinnaire ( derde van rechts) tijdens zijn herstelverlof na zijn schedeloperatie

Apollinaire lag nog in een hospitaalbed toen hij opnieuw begon te schrijven. Kort na zijn schedeloperatie werd hij gedecoreerd met het Croix de Guerre.

In augustus 1916 mocht hij het ziekenhuis verlaten, maar zijn verdere herstel zou nog veel tijd vergen.

Hij gefrequenteerde opnieuw de Parijse artistieke milieus, gekleed in uniform en met een groot verband rond zijn hoofd. Enkele van zijn vrienden tekenden hem aldus, met name Picasso en Jean Cocteau.

In die tijd schreef hij gedichten over zijn impressies van het front .

Het hoofd met de ster

De namen van enkele hoofdstukken uit zijn laatste dichtbundel ‘Caligrammes’ (1918) spreken voor zich : “Étendards”(over de vendels of commandovlaggen), “Lueurs des tirs” (over de lichtkogels aan het front), “Obus couleur de lune” (over artilleriegranaten bij nacht).

Een ander hoofdstuk heet “La tête étoilée” (Het hoofd met de ster) en bevat het bekende gedicht “Tristesse d’une étoile”, over zijn eigen hoofdwonde (beschreven als een ster). Hierin wordt de wonde op contradictorische wijze tegelijk als een schoonheid en als een vloek beschreven.

Het eerste vers (Une belle Minerve est l’enfant de ma tête : Een mooie Minerva is het kind van mijn hoofd) is een verwijzing naar Minerva, de godin van de wijsheid, die uit het gespleten hoofd van de oppergod Jupiter was geboren.

De eerste regels van "Tristesse d'une étoile", vertaling:

Verdriet van een ster

Een mooie Minerva is het kind van mijn hoofd
Een ster van bloed kroont mij immer
De rede achterin en de hemel bovenin
Het hoofd waar de Godin je sinds lang wapende
Daarom was het van mijn kwalen niet de ergste
Dit bijna dodelijke gat is een ster geworden
Maar het verborgen ongeluk dat mijn waan voedt
Is veel groter dan wat enige ziel ooit verborgen heeft
En ik draag die vlammende pijn
Zoals de glimworm zijn lijf vurig houdt
Zoals in het hart van de soldaat Frankrijk klopt
En zoals in het hart van de lelie het geurige stuifmeel ligt

Na zijn herstel bleef Apollinaire officier. De voormalige pornografische auteur werkte toen voor de militaire censuur. Begin 1918 werd hij nog tot luitenant bevorderd.

Intussen bleef hij intensief werken produceren, zoals het controversiële Les mamelles de Tirésias, het eerste surrealistische toneelstuk (het woord “surrealisme” werd door hem bedacht).

Hoewel hij niet meer naar het front terugkeerde, zou hij de oorlog niet overleven. Twee dagen voor de wapenstilstand van 1918 overleed hij aan de Spaanse griep, 38 jaar oud.

Een half jaar eerder was hij voor het eerst getrouwd, met Jacqueline “Ruby” Kolb. Aan haar is het laatste gedicht uit ‘Caligrammes’ gewijd: “La jolie rousse”, als was ze de ultieme troost voor alles wat hij meegemaakt had.

Apollinaire en "Ruby" enkele maanden voor zijn dood

lees ook