“De zorgen die ik nu heb, zijn erger dan de oorlog”

Hoe vergaat het de asielzoekers die tijdens de piek van afgelopen (na)zomer in ons land zijn gearriveerd? Velen hebben de procedure intussen achter de rug of moeten niet lang meer wachten op het verlossende nieuws. Anderen zijn nog lang niet zo ver. Layla Faraj uit Syrië kwam bijna een jaar geleden aan, en nog altijd wacht ze om te worden gehoord, de tweede stap in de asielprocedure. Het lange wachten is moordend, want intussen verblijven haar man en kinderen nog altijd in oorlogsgebied. “Bij mijn aankomst was ik erg gemotiveerd”, vertelt ze in uitstekend Nederlands. “Maar nu weet ik niet meer hoe lang ik me nog sterk kan houden.”

Layla Faraj komt uit Salamieh, een stad in de Syrische provincie Hama die bekendstaat als thuishaven van de Ismaili’s, een minderheidsgroep binnen de sjiietische islam. Bij het begin van de oorlog was de situatie er al bij al relatief rustig. “Al heerste er chaos en werkte niets nog zoals vroeger, toch heb ik er de eerste vier jaar niet over gedacht om te vluchten”, zegt Layla.

Intussen is de toestand al geruime tijd omgeslagen. De stad is omsingeld door extremisten -Al Nusra in het westen, IS elders-, voor wie de liberale Ismaili’s een doorn in het oog zijn.

“Vorig jaar hebben terroristen een moordpartij aangericht in een buurdorpje. Ze drongen ’s nachts binnen en sneden zelfs kinderen de keel over. Dat was voor mij het moment waarop ik een besluit heb genomen: we moeten hier weg.”

Layla besliste om te vertrekken naar België, waar haar zus en schoonbroer wonen. Alleen. De overtocht van de Middellandse Zee vond ze te gevaarlijk voor haar twee zoontjes en haar man die herstelde van een operatie. Eens zij veilig was en over papieren zou beschikken, zou ze haar gezin laten overkomen. “Mijn kinderen zijn mijn leven. Ik ben naar hier gekomen voor hen, om hen in veiligheid te brengen en een toekomst te geven.”

Maar bijna een jaar later zijn de kinderen nog altijd in Syrië en staat Layla elke dag doodsangsten om hen uit. “Vroeger zochten ze me al als ik te lang onder de douche stond, nu moeten ze me al bijna één jaar missen. En waarom? Dat kan ik hen niet eens uitleggen, want ik krijg het antwoord zelf niet.”

“Te druk, veel aanvragen, wachten”

Layla kwam op 24 juni aan in België. Het eerste gesprek bij de Dienst Vreemdelingenzaken volgde op 4 september. Vrij laat, maar daar kon ze begrip voor opbrengen. De instroom van vluchtelingen beleefde in die maanden een piekmoment. Na een maand zou ze een uitnodiging krijgen voor het tweede interview, het eigenlijke gehoor op het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen.

Die uitnodiging heeft ze vandaag -bijna negen maanden later- nog altijd niet gekregen. Vreemd, want asielaanvragen van Syriërs worden normaal gezien met voorrang behandeld. Layla ziet inderdaad hoe tientallen mensen die nà haar uit haar stad zijn vertrokken, intussen wel goed nieuws hebben gekregen. Ze hebben niet alleen papieren, sommigen konden zelfs hun familie al laten overkomen.

In het opvangcentrum waar ze verblijft, is ze de ‘ancien’. Al wie er tegelijk met haar terechtkwam, heeft de procedure achter de rug. Ook haar assistent begrijpt niet waarom het bij haar zo lang duurt. Layla heeft intussen een beroep gedaan op een nieuwe advocaat. Ook is ze naar het Commissariaat Generaal in Brussel gegaan met een stadsgenoot die wél was uitgenodigd voor het gehoor. Maar telkens krijgt ze hetzelfde standaardantwoord: het is druk, er zijn erg veel aanvragen, ze moet wachten.

“België lijkt voor mij een gevangenis”

Dat wachten is moordend, want de toestand in haar stad is nog altijd even penibel. “Er zijn al terroristen in Salamieh, ik schat wel een op de tien inwoners. Ze wachten alleen het juiste moment af om de stad in te nemen. Elke morgen is Whatsapp checken het eerste wat ik doe. Wij verwachten elk moment slecht nieuws.

Kort na nieuwjaar was het héél erg. In en rond de stad waren er verschillende aanslagen met bomauto’s. Op 22 februari is een vrachtwagen met explosieven ontploft op drie kilometer van de school van mijn kinderen. Op dat moment kon ik wel naar Brussel lopen om op de deuren van het Commissariaat Generaal te timmeren.”

Maar het antwoord uit Brussel komt niet. Even had Layla een sprankel hoop toen minister van Asiel Theo Francken zelf het opvangcentrum waar ze verblijft bezocht. Ze kreeg de kans om hem te spreken, ook hij was onder de indruk van de taalkennis die ze in nog geen jaar tijd heeft opbouwd. Hij beloofde navraag te zullen doen over haar dossier. Er kwàm antwoord, maar weer was het dezelfde standaardformulering: druk, veel aanvragen, wachten.

“Ik ben hier een nummer”, zegt Layla, die de wanhoop nabij is. “Ik zit vast, ik kan niet voor- of achteruit, ik sta machteloos. Op dit moment lijkt België voor mij een gevangenis. Deze toestand doet me de oorlog zelf vergeten. De zorgen die ik nu heb, zijn erger dan de oorlog.”