De grootste zeeslag aller tijden

Op 31 mei en 1 juni 1916 vond op de Noordzee de grootste zeeslag van de Eerste Wereldoorlog plaats, ten westen van het Deense schiereiland Jutland. Daarom wordt meestal van de Slag bij Jutland gesproken. De Duitsers hebben het over de "Skagerrakslag", naar de zee-engte tussen Jutland en Noorwegen, het Skagerrak.

De Slag bij Jutland was de enige zeeslag in de oorlog waar het gros van de twee grootste oorlogsvloten van de wereld in betrokken waren: de Britse Grand Fleet en de Duitse Hochseeflotte.

Liefst 242 schepen namen aan de slag deel, een totale scheepsruimte van meer dan 2 miljoen ton. Volgens dat criterium ging het om de grootste zeeslag aller tijden.

Daaronder bevonden zich de grootste oorlogsschepen die de wereld had aanschouwd: slagschepen bekend als de dreadnougths. Ze waren meer dan 15.000 ton groot, hadden een lengte van meer dan 150 meter, een zware bepantsering, zeer krachtige motoren en kanonnen van 30 cm diameter of meer, gemonteerd op gepantserde draaibare torens, die tot 30 km ver konden schieten.

De nieuwste versies, de zgn. super-dreadnoughts, waren bijna 200 m lang met een tonnenmaat tot 30.000 ton.

Parade van de Britse vloot net voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog voor de haven van Portsmouth

De Britten stuurden in totaal 29 slagschepen de strijd in, de Duitsers 22. 

Hoewel deze stalen monsters sneller waren dan oudere oorlogsschepen, waren daarnaast pantserschepen ontwikkeld die iets kleiner en minder zwaar bewapend waren, maar nog sneller gingen (tot 45 km/h) de slagkruisers. Daarvan hadden de Britten er 9 bij Jutland, de Duitsers 8.

Met nog 8 Britse pantserkruisers (oudere pantserschepen) geeft dat 76 grote oorlogsschepen die elkaar confronteerden op de ondiepe Noordzee, een ongezien aantal. 

HMS Iron Duke, een van de dreadnoughts, die kort voor het begin van de oorlog te water werd gelaten en het vlaggenschip was van de Britse vloot bij de slag

Vlootveldloop

Dit enorme aantal was het gevolg van een ongeziene wapenwedloop die aan de oorlog was voorafgegaan en die deels ook de oorzaak van de oorlog was.

Einde 19de eeuw/begin 20ste eeuw waren de pantserschepen in volle evolutie. Rond die tijd begonnen de Duitse keizer Willem II en zijn minister van Marine admiraal Tirpitz te ijveren voor een grote oorlogsvloot. Zo’n vloot moest van Duitsland een wereldmacht maken.

Hiermee botste Duitsland op Groot-Brittannië. De Britten hadden toen verreweg de grootste oorlogsvloot ter wereld en wilden dat zo houden.

Voor de veiligheid van hun eiland en van hun wereldrijk gingen ze ervan uit dat hun vloot minstens even groot moest zijn als die van twee andere zeemogendheden samen (de zgn. ‘two powers standard’)

Parade van de SMS Kaiser, een Duitse dreadnought, voor de Duitse keizer (niet in beeld) kort voor de oorlog

Als antwoord op de Duitse vlootpolitiek begon de Britse regering haar eigen vloot te moderniseren en ontwikkelde de dreadnougths (die benaming komt van de naam van het eerste dergelijke schip).

De Duitsers begonnen daarop zelf dreadnougths te bouwen. De daaropvolgende jaren wedijverden beide mogendheden in de bouw van steeds meer en steeds grotere slagschepen.

Ze waren ook peperduur. Nooit eerder gaven staten in vredestijd zoveel uit aan oorlogstuig. De situatie was te vergelijken met de Koude Oorlog, later in de twintigste eeuw.

Hoe patriottisch de Engelsen ook waren als het om hun Royal Navy ging, voor de Britse belastingbetaler werd het wat te veel. Op den duur moest de Britse regering de suprematie van de ‘two powers standard’ opgeven, ook al behield ze de grootste vloot ter wereld.

De Britse vloot op weg naar het slagveld, eind mei 1916 (foto AP)

De Britse marine kon echter niet leven met zo’n grote vloot aan de overkant van de Noordzee. Dat leek een te ernstige bedreiging.

Admiraals stelden in alle ernst voor om de Duitse slagschepen per verrassing te gaan vernietigen in hun eigen haven… terwijl het nog vrede was. Eenmaal oorlog, zou het te laat zijn!

De vlootwedloop werd dan ook de voornaamste reden waarom Groot-Brittannië bondgenoten ging zoeken voor het geval het in oorlog met Duitsland zou geraken. Dat werd de “Entente” met Frankrijk en Rusland.

Werkloze vloten

Toen de oorlog uitbrak lagen de twee grootste oorlogsvloten ter wereld aan beide zijden van de Noordzee. De Duitse Hochseeflotte was geconcentreerd in Wilhelmshaven, ten zuiden van Jutland.

De Britse Grand Fleet had zich verzameld in Scapa Flow, een baai tussen de Orcaden, ten noorden van Schotland. In beide gevallen waren de schepen beschermd door een heel stelsel van zeemijnen, kabels en kustverdedigingswerken.

Opmerkelijk was dat er de eerste maanden van de oorlog zeer weinig gebeurde met deze vloot, vooral niet met de zware slagschepen.

Het leek alsof ze te kostbaar waren om te worden ingezet. De bevelhebber van de Grand Fleet, admiraal John Jellicoe, was vooral beducht voor aanvallen van Duitse U-boten.

Zicht op Wilhelmshaven omstreeks 1916

Paradoxaal genoeg was de Grand Fleet zo belangrijk voor de Britse defensie, dat men ze amper durfde te gebruiken. Winston Churchill zei van Jellicoe dat hij de enige man was die de oorlog in één namiddag kon verliezen.

De Duitsers waren bijna even voorzichtig. Maar af en toe stelden ze de Royal Navy wel op de proef.

Eind 1914 voerden Duitse slagkruisers onder admiraal Franz Hipper een paar aanvallen uit op Engelse kuststeden. Die veroorzaakten weinig schade, maar de Britten waren geschokt.

Te meer daar de Duitsers zonder veel verliezen konden ontsnappen. De schepen van de Grand Fleet arriveerden te laat om in te grijpen.

De Britse publieke opinie was verontwaardigd. Waartoe dienden die peperdure schepen als ze niet in staat waren de eigen kust te beschermen?

De Duitse admiraal Hipper en zijn staf ( Bundesarchiv Bild)

Begin 1915 kwam het dan toch tot een rechtstreeks treffen. In de slag aan de Doggersbank vochten de slagkruisers van Hipper en met een eskader Britse slagkruisers onder bevel van de eigenzinnige Sir David Beatty, de jongste Britse admiraal sinds Nelson.

De hele Grand Fleet verliet Scapa Flow, maar intussen hadden de Duitse schepen zich teruggetrokken. Wel ging de pantserkruiser Blücher verloren.

Omdat de keizer verbolgen was over dat verlies, staakten de Duitsers voorlopig hun operaties. Meer dan een jaar vertoonde zich geen groot oorlogsschip meer op de Noordzee.

Begin 1916 werd admiraal Reinhard Scheer bevelhebber van de Hochseeflotte. Hij wilde zijn enorme oorlogsbodems in actie zien. Te meer daar de Duitse marine haar duikbotenoorlog moest beperken.

De grootste slag op zee

Scheers plan bestond erin dat de snelle slagkruisers van admiraal Hipper geallieerde schepen in het Skagerrak zouden aanvallen. Dit zou de Britse slagkruisers naar daar lokken. De hoofdmacht van de Hochseeflotte, met de zware slagschepen, zou volgen om voor het overwicht te zorgen.

De Britten waren echter gewaarschuwd. Ze hadden een Duits radiobericht onderschept die een actie op 31 mei voorzag. Wat het zou zijn, wisten ze niet, maar Jellicoe gaf bevel de hele Grand Fleet in beweging te zetten.

Diezelfde nacht nog zetten de Britse oorlogsschepen zich in gang, nog voor de Duitse schepen waren vertrokken.

De slag zelf zou erg verwarrend verlopen. Daarbij moet worden beseft dat de schepen min of meer op goed geluk voeren.

De Duitse vloot op weg naar de slag (foto AP)

De radar bestond nog niet. Scheer had zeppelins ter verkenning uitgezonden, die niets vonden. De Britten beschikten over een paar watervliegtuigen die voorop moesten vliegen, maar een ervan had motorpech en de andere kon geen radiocontact met de vloot maken.

Duitse onderzeeboten moesten de Grand Fleet in de gaten houden, maar ook die slaagden er niet in hun informatie door te seinen. Zelfs de radioverbindingen tussen de Britse schepen onderling verliepen moeizaam.

Veel schepen waren dus aangewezen op wat ze zelf zagen en door het slechte weer was de zichtbaarheid slecht. Bovendien werden er soms rookgordijnen gemaakt om de vijand nog meer te verwarren.

De bemanning van de Britse destroyer Shark, een van de kleinere Britse schepen die de slag niet overleefde

De slag begon nadat de naar het noorden opstomende slagkruisers van Hipper in het zicht kwamen van het eskader van admiraal Beatty, dat westwaarts voer.

De zeer strijdlustige Beatty voer met zijn slagkruisers meteen ten aanval en zo begon de strijd.

Op zo’n 18 km begonnen de kanonnen te vuren. Wellicht is het toeval dat de twee admiraalsschepen, de Lützow van Hipper en de Lion van Beatty, elkaar vrijwel gelijktijdig onder vuur namen en troffen.

Al snel bleek hoe doeltreffend de Duitse kanonnen waren. In de eerste drie minuten werden drie Britse slagkruisers geraakt.

In één kwartier diende de Lützow vier voltreffers toe aan Beatty’s vlaggenschip. Een geschutstoren van de Lion werd weggeblazen.

Een officier, wiens benen door de ontploffing waren afgerukt, gaf bevel de munitiekamers onder water te zetten - het waren zijn laatste woorden - om zo een totale ramp te vermijden. De Lion bleef brandend doorvechten.

Admiraal Beatty naast koning George V tijdens een plechtigheid na de veldslag

Na drie kwartier strijd waren twee Britse slagkruisers ontploft en vrijwel meteen gezonken : de Infatigable en de Queen Mary. Beide hadden meer dan duizend man aan boord, van wie er slechts 2 respectievelijk 9 gered konden worden…

Intussen bleven de vechtende schepen met volle kracht varen.

Hipper voer in de richting van de hoofdmacht van de Hochseeflotte, die vanuit het zuiden kwam aanstomen. Toen Beatty deze vloot in zicht kreeg, besefte hij het gevaar en maakte rechtsomkeer.

Intussen kwam ook de vloot van admiraal Jellicoe vanuit het noordwesten aanvaren.

De ondergang van de Britse destroyer Fortune

Tegen de avondschemering stonden de twee grote vloten lijnrecht tegenover elkaar, maar nog voor de slagkruisers van Beatty zich door de slagschepen van Jellicoe konden laten beschermen, verloren de Britten een derde slagkruiser.

De Invincible, die anderhalf jaar eerder de slag bij de Falkland-eilanden had gewonnen, werd getroffen door granaten van de Lützow en ontplofte. Op zes man na kwamen alle duizend opvarenden om.

Maar tot een echte titanenstrijd kwam het niet. Admiraal Scheer besefte tegen welke overmacht van Britse slagschepen hij stond. Hij maakte met zijn vloot een paar ingewikkelde manoeuvres en liet een aanval door kleine torpedoboten uitvoeren.

Mede door het slechte zicht begreep Jellicoe niet wat er gebeurde. Intussen werd het donker en waren de Duitse schepen zuidwaarts vertrokken, richting thuishaven.

De Invincible ontploft

De Britten zetten de achtervolging in. De hele avond en een groot deel van de nacht vonden er gevechten in de duisternis plaats. Daarbij verloren de Britten nog de pantserkruiser Black Prince, waarvan alle 850 bemanningsleden omkwamen.

De Lützow, die 24 treffers had gekregen, maakte zoveel water dat het maar langzaam vorderde. Toen bleek dat het niet in staat zou zijn de haven te bereiken, verliet de bemanning het schip en maakten Duitse torpedoboten het af.

Nog vier andere Duitse slagkruisers raakten ernstig beschadigd, maar wisten alle terug te keren. Daaronder de Seydlitz’ het schip dat de Queen Mary had vernietigd.

De Seydlitz, die al in twee eerdere zeegevechten zwaar beschadigd was geweest, werd bij Jutland door 23 granaten en 1 torpedo getroffen en keerde bijna stuurloos en zinkend huiswaarts. Met de hulp van Duitse pompschepen wist het met dagen vertraging Wilhelmshaven binnen te varen.

De zwaar gehavende Seydlitz op de terugweg

De Britten wisten nog een drietal Duitse schepen te kelderen. In de vroege ochtend vuurde een Britse destroyer torpedo’s af op het oude slagschip Pommern. Het schip ontplofte en de 839 man aan boord kwamen om. Het zwaarste verlies aan Duitse kant.

Het overgrote deel van de Hochseeflotte kon echter de thuishaven bereiken. Zelfs de mijnen die de Britten intussen voor de haven hadden gelegd, maakten weinig schade.

De balans

In de Slag bij Jutland verloren de Britten 14 schepen, waarvan zes zware, de Duitsers elf, waarvan twee zware. Er vielen in totaal 8644 doden en 1182 gewonden.

Qua verliezen ging het niet om de zwaarste zeeslag ooit. 

Dat kwam door de nieuwe oorlogsvoering op zee. De schepen bestookten elkaar op grote afstand (zelden minder dan 10 km) en de pantsering zorgde voor een goede bescherming. Maar als een schip zwaar getroffen werd, waren de gevolgen vaak fataal.

Een totale confrontatie was echter uitgebleven. Het grootste deel van de vloten bleef onbeschadigd. Zeker de grote slagschepen.

De slag eindigde in feite onbeslist. Er veranderde niets aan de toestand op de Noordzee. De Britten bleven de kusten blokkeren. De Duitse poging om daar verandering in te brengen was mislukt.

De bemanning van de Duitse dreadnought SMS König poseert na de slag

Toch boekten de Duitsers een psychologische overwinning. De Britten hadden de grootste verliezen geleden : 6094 doden en 674 gewonden, terwijl er 177 gevangen waren genomen.

Vooral het verlies van de drie slagkruisers was voor de Royal Navy een schok. De Duitse slagkruisers bleken qua bepantsering en geschut superieur te zijn. Admiraal Beatty had in het heetst van de slag gezegd: “Er schijnt vandaag iets niet in orde te zijn met die verdomde schepen van ons”.

De Britse publieke opinie was dan ook teleurgesteld over de Grand Fleet. Een “nieuw Trafalgar”, een beslissende overwinning, was uitgebleven. Beatty werd verweten te roekeloos te zijn geweest, Jellicoe te voorzichtig.

Langs Duitse kant maakte de propaganda er een ware triomf van. De admiraals Scheer en Hipper kregen de befaamde orde Pour le Mérite. Hipper werd later in de adelstand verheven. Op Scheers graf prijkt in grote letters het woord ‘Skagerrak’. Tot de Tweede Wereldoorlog zou 31 mei in Duitsland als de ‘Skagerrakdag’ worden gevierd.

Maar een nieuwe grote zeeslag bleef uit. De zware slagschepen zouden tijdens de oorlog niet meer in actie komen.

Triomfalistische Duitse poster maakt de balans op van de Slag bij Jutland

Meer info over de Slag bij Jutland en de herdenkingsinitiatieven, met een indrukwekkende animatie van de slag, vind u hier

lees ook