Toots, jazzman met geniale trekjes - Marc Van den Hoof

Nu Toots Thielemans overleden is, kan er niet genoeg gewezen worden op zijn belang voor de jazz. Hij creëerde op gitaar en mondharmonica een volstrekt eigen sound.

Marc Van den Hoof is jazzspecialist. Deze tekst sprak hij als lofzang uit bij de uitreiking van de carrièreprijs van Klara aan Toots Thielemans twee jaar geleden.

Er is een tijd geweest, laten we zeggen: amper anderhalf mensenleven geleden, dat de wat ons betreft mooiste uitvinding van de twintigste eeuw, de jazz, nog moest worden uitgevonden.

Er was nog niemand op het idee gekomen te zingen met een stem waarmee je eigenlijk niet hoorde te zingen, zonder zich daarbij al te veel te bekommeren om wat door de maatstrepen werd voorgeschreven, maar nu eens een loopje nemend met de tijd en dan weer de tijd een beetje voorsprong gevend, en zonder zich bovendien al te nauwkeurig te houden aan de melodie zoals die door de één of andere liedjesmaker was bedacht, maar ervoor zorgend dat die melodie telkens weer als vanzelf uitmondde in andere melodieën waar voordien niemand ooit was op gekomen.

De bruggenlegger

Wat ik bedoel is: het is niet eens zo lang geleden dat een Louis Armstrong en enkele anderen een geheel nieuwe muziek hebben uitgevonden, waarin grofkorrelige stemmen, menselijke en instrumentale, plus een tot dan toe ongekende ritmische souplesse, en de melodische verbeelding van het moment zelf, de improvisatie met andere woorden, de vanzelfsprekende regel zouden worden – een uitvinding die van doorslaggevend belang zou zijn voor de ontwikkeling van de populaire muziek in de loop van de twintigste eeuw.

Zoals het ooit werd geformuleerd: de blanke muziek werd zwarter, de zwarte muziek blanker. Hoe buitengewoon is het dan ook niet dat wij het voorrecht mogen hebben in onze onmiddellijke nabijheid iemand te hebben die de afstand tussen ons en de uitvinders van die muziek op z’n eentje overbrugt.

De buurman met de geniale trekjes

De wonderlijke levensloop van Jean ‘Toots’ Thielemans is intussen genoegzaam bekend. Over z’n ontwapenende en vaak ontroerende bonhomie is ook al veel gezegd.

Maar waarover nog altijd veel te weinig is gezegd, is over z’n uitzonderlijke ‘musicianship’, over de artiest met geniale trekjes, de jazzman die thuishoort in de rij van de heel groten. Via Toots belanden we in een oogwenk bij hen, bij die uitvinders: hij heeft met allemaal gespeeld of ze ten minste ‘bejegend’, om het met een wat ouderwets woord te zeggen.

Er is een Frans woord dat het misschien beter uitdrukt: hij heeft ze allemaal ‘gecôtoyeerd’. Ik noem er maar enkelen, in omgekeerde chronologische volgorde: Jaco Pastorius, Quincy Jones, Herbie Hancock, Bill Evans, Clifford Brown, Charlie Parker en Dizzy Gillespie, Lester Young, Billie Holiday, Louis Armstrong ...

En die man, die Toots Thielemans, is bij wijze van spreken gewoon onze buurman.

De gitaar- en mondharmonicavirtuoos

Maar er is veel meer. Niet alleen is Toots Thielemans onze rechtstreekse connectie met al die uitvinders van de jazz in z’n vele uiteenlopende gedaanten, hij is zelf een van de groten van de jazz geworden. Zoals alle grote jazzspelers heeft hij eigenlijk ook zelf z’n eigen instrument uitgevonden of opnieuw uitgevonden.

Van bij het begin was er de mondharmonicavirtuoos, maar in de toenmalige jazzkringen was het eerst de gitarist die ernstig werd genomen. In de handen van Toots had die gitaar een onmiskenbare eigen, wat donkere, sensuele klank en aan de melodische lijnen die hij erop improviseerde voegde hij een aparte kleur toe door ze mee te fluiten, mee te ‘schuifelen’.

Niemand was ooit eerder op dat idee gekomen, het combineren van de elektrische gitaarklank met ‘whistling’: het was Toots’ hoogsteigen, onvervreemdbare ‘sound’.

Later werd de chromatische mondharmonica toch onvermijdelijk Toots Thielemans z’n hoofdinstrument. Een instrument dat in de jazz zo zeldzaam was - ‘miscellaneous’ heette het wat neerbuigend in de populariteitspolls van de jazzbladen – dat hij wel verplicht was het zelf uit te vinden.

Een zo geslaagde uitvinding werd het dat trompettist Clifford Brown ooit de bedenking maakte: "Zoals jij de mondharmonica bespeelt, Toots, it shouldn’t be called a miscellaneous instrument."

Zoals Louis Armstrong de jazztrompet heeft uitgevonden, Earl ‘Fatha’ Hines de jazzpiano, Coleman Hawkins de saxofoon, om er maar enkelen te noemen, zo heeft Toots Thielemans voor de jazz de mondharmonica uitgevonden.

De meester van de improvisatie

Zoals alle grote jazzspelers is Toots Thielemans bovendien een meester van de improvisatie, "the infinite art of improvisation" zoals Paul Berliner het omschrijft in de ondertitel van z’n prachtige boek "Thinking In Jazz".

Wat er precies gebeurt wanneer grote jazzspelers op het moment zelf, rekening houdend met een aantal beperkende spelregels en toch volkomen vrij iets totaal nieuws en in de letterlijke betekenis van het woord ongehoords bedenken, zal wellicht niemand ooit helemaal begrijpen.

Maar de evidentie is er: het gebeurt ! En wat je hoort is de vanzelfsprekendheid zelve: de enig mogelijke kant die de schoonheid op kan en de enig mogelijke verbeelding die dat mogelijk maakt.

De duizelingwekkende muzikaliteit van Toots Thielemans. Waaraan moet worden toegevoegd wat Gunther Schuller ooit over Armstrong zei: "He is incapable of not swinging", hij kan niet niet swingen.

lees ook