Nog altijd chaos 5 jaar na Khaddafi - Jens Franssen

Vijf jaar geleden was journalist Jens Franssen in Libië. Akelig stil was het in Tripoli. De avond voordien was het presidentieel paleis van Khaddafi in handen van de rebellen gevallen. En nu?
labels
Analyse
Aansturen van de 'analyse' teaser o.a. op de home pagina en 'analyse' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'analyse' overzichtspagina

Jens Franssen is Midden-Oostenspecialist voor VRT Nieuws.

22 augustus 2011

Akelig stil was het, vijf jaar geleden, in de straten van Tripoli. De avond voordien was enkele kilometers verderop het presidentieel paleis van Moe'ammar Khaddafi in handen van de rebellen gevallen. En nu wandelde ik, sloop ik, ‘s ochtends voorzichtig door de verlaten uitgestrekte kwartieren. Enkele rebellen hielden er de wacht, maar verder was er nog niemand.

In andere wijken van de stad werd nog geschoten; de laatste stuiptrekkingen van het gevallen regime. We legden via satelliet de radiolijn met Brussel voor de eerste ochtendverslaggeving: "Tripoli is gevallen, de strijd is voorbij". Libië haalde opgelucht adem na decennia dictatuur.

Pas maanden later, eind oktober 2011, zou Moe'ammar Khaddafi na een maandenlange klopjacht in een rioolpijp worden gevonden en gedood.

In februari 2011 breekt in de oostelijke stad Benghazi de opstand los tegen de Libische leider Moe'ammar Khaddafi. Die is dan al 40 (!) jaar onafgebroken aan de macht. Zijn regime is hard en brutaal, en wie kritiek heeft verdwijnt in de kerkers van het regime. Khaddafi is dan al weer opgenomen in de internationale gemeenschap, na jaren van isolement en vreemd gedrag.

Tegelijk stokt de economie en vinden steeds meer jongeren geen werk. Wanneer Khaddafi tanks stuurt naar Benghazi om de revolutie hardhandig neer te slaan, grijpt het Westen in om grootschalig bloedvergieten te voorkomen. Met luchtsteun van het Westen veroveren rebellen daarop grote delen van Libië.

7 juli 2012

"Of het nog wel gaat"’, vraag ik aan het oude moedertje in Misurata. De rij naar het stemlokaal honderden meters verderop gaat nauwelijks vooruit. De zon schijnt ongenadig. De temperaturen rond de middag schurken tegen de 40 graden aan. “Ach,” zegt ze, “ik heb meer dan 30 jaar moeten wachten om eindelijk vrij te kunnen stemmen, dit uurtje kan er nog wel bij.”

Na de val van Khaddafi was er hoop in Libië. Het land had wat olie-inkomsten, de bevolking was vrij goed opgeleid, de lange kustlijn kon worden ontwikkeld voor het toerisme en het gehate regime was eindelijk weg.

De opkomst van die eerste verkiezingen was overweldigend, en ook daarop volgende verkiezingen liepen vrij goed. Uit heel Europa, ook uit ons land, trokken handelsmissies naar Libië. De toekomst zag er stralend uit voor Libië.

Maar de eerste overgangsregeringen merkten al snel dat de echte macht in Libië uit de loop van het geweer komt. De verschillende milities die maandenlang hadden gevochten tégen de machthebbers in Tripoli wilden hun wapens niet zomaar weer afgeven.

Voor een deel uit schrik, voor een deel omdat de nieuwe lokale sterke militieleiders hun verworven rechten niet zomaar wilden afstaan. En zo kwamen er na de verkiezingsroes scheuren in het aanvankelijke succesverhaal.

Milities raakten onderling slaags, gijzelden het parlement als hun eisen niet werden nageleefd. Ook in het oosten, dat onder het regime-Khadaffi sociaal en economisch was achtergesteld, groeide de frustratie. Het religieus conservatievere oosten van Libië (Benghazi) had de revolutie ingezet tegen het verwesterde Tripoli en wilde nu meer gelijkheid, rechten én olie-inkomsten.

De zwakke overgangsregeringen kregen de explosieve situatie in Libië maar niet onder controle, onder meer omdat ze de afspraken niet konden afdwingen van de machtige milities. Libië vroeg aan de Verenigde Naties en aan Europa steun om een eigen leger uit te bouwen, maar Europa was op moment vooral bezig met de financiële crisis en wilde zich niet mengen in Libië.

En zo raakte het land stukje bij beetje verscheurd. De verkozen regering werd verjaagd uit Tripoli en trok zich terug in een hotelletje bij de grens met Egypte. In Tripoli regeerden intussen gematigde islamisten. In de chaos konden jihadistische terreurgroepen gedijen in het oosten, die zich later zouden aansluiten bij terreurgroep IS.

22 augustus 2016

Vandaag is er weer een eenheidsregering in Libië. Enkele milities zijn trouw aan die regering, maar bij gebrek aan een centraal leger en veiligheidsdiensten is de invloed van de huidige regering nog erg beperkt. Grote delen van het land zijn nog steeds in handen van lokale machtshebbers die de kat uit de boom kijken.

De strijd tegen de Libische franchise van terreurgroep IS wordt intussen mee gevoerd door speciale eenheden uit de VS, Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië. Dat laatste land stuurt al een tijdje aan op een grotere Europese militaire operatie, maar voorlopig is daar in de rest van Europa maar weinig appetijt voor.

Ook buurland Egypte mengt zich af en toe in Libië. De Egyptische sterke man president Sissi is vooral uit op rust en stabiliteit en kan een volledig geïmplodeerd en chaotisch Libië missen als kiespijn.

Vijf jaar na de revolutie heerst voorlopig vooral nog de chaos in het land. In Europa groeit het besef dat Libië volledig laten afglijden naar een failed state geen optie meer is. Europa vreest dat Libië anders nog meer de nieuwe uitvalsbasis voor terreur en mensensmokkelaars zal worden.

Ook landen in de regio zoals Egypte en Tunesië zijn uit op een stabilisatie van Libië. De discussie loopt intussen wie het voortouw moet nemen: Europa, de regio, of beide samen onder vlag van de Verenigde Naties.