Tabora, een Belgische overwinning in Afrika

Terwijl het Belgische leger in eigen land bijna vier jaar lang achter de IJzer het laatste stukje grondgebied verdedigde, waren de Belgische koloniale troepen in Afrika in het offensief. Onder leiding van Belgische officieren veroverden Congolese soldaten van de Force publique een stuk Duitse kolonie, tien keer zo groot als België.

Bij het uitbreken van de oorlog grensde Belgisch-Congo langs twee kanten aan Duits grondgebied.

In het noordwesten lagen er aan de overzijde van de Congostroom een paar grensstroken met de Duitse kolonie Kameroen.

Aan het oosten lag de grootste van alle Duitse kolonies: Duits Oost-Afrika. Dat omvatte de huidige staten Tanzania (zonder het eiland Zanzibar, dat Brits was), Rwanda en Burundi. De grens tussen Duits en Belgisch gebied liep voor het belangrijkste deel door twee grote meren: het Kivumeer en het 670 kilometer lange Tanganyikameer.

Aanvankelijk hoopte de overheid van Belgisch-Congo dat de strijd zich niet tot Afrika zou uitbreiden. Gevechten tussen blanken zouden een weinig stichtelijk voorbeeld zijn voor de Afrikanen... 

Bovendien was het Belgische koloniale leger niet op een oorlog voorbereid. Het Congolese leger, de Force Publique of Openbare Weermacht, was meer een soort gendarmerie, belast met de binnenlandse ordehandhaving, zonder geschikte wapens en andere uitrusting voor gevechten met een geregeld leger.

De Belgen stelden dus voor om Midden-Afrika buiten de oorlog te houden, maar de Fransen noch de Britten waren daarvoor te vinden. Die wilden Duitsland overal treffen waar het kon.

De Duitsers openden zelf de vijandelijkheden op 7 augustus 1914. Toen beschoot de kleine Duitse oorlogsvloot op het Tanganyikameer de Congolese kust.

De oorlog was nu ook in Afrika een feit, al zouden de gevechten op een veel kleinere schaal verlopen dan in Europa. Het ging om confrontaties in de wouden of de onmetelijke savanne. De Duitsers spraken dan ook van een Kleinkrieg.

De Belgische regering stemde ermee in om de Force Publique in te zetten, in samenwerking met de Britten, die Duits Oost-Afrika zouden aanvallen vanuit Uganda, Brits-Oost-Afrika (nu Kenia) en Noord-Rhodesië (nu Zambia).

De Belgische expeditiemacht kwam onder bevel van kolonel Charles Tombeur (meteen tot generaal-majoor bevorderd), een ervaren officier van de Force Publique.

Van de 17.000 Congolese soldaten die de Weermacht op papier telde, werden er 10.000 voorbereid op de oorlog. Belgische officieren en onderofficieren werden naar Congo overgeplaatst om het kader aan te vullen. Gedurende de hele oorlog waren er dat meer dan 700.

Onderofficier en soldaten van de Force Publique

Meer dan vijfduizend geweren werden aangekocht in Frankrijk. Verder werden lichte kanonnen naar Congo vervoerd, samen met allerlei noodzakelijk materieel: kledij, tenten, medisch gerief en radiozenders. Radioverbindingen zouden in deze uitgestrekte ruimten van groot belang worden.

Dit alles moest werd aangevoerd hetzij uit Europa via de Congostroom, hetzij uit Zuid-Afrika via de spoorlijn van Katanga, hetzij via Uganda.

Het laatste deel van het transport verliep meestal op de rug van dragers. Liefst 3000 Congolezen waren als dragers gemobiliseerd. Omdat dit veel te weinig zou zijn voor de eigenlijke expeditie, zouden er later nog 5000 bijkomen.

Vanaf oktober 1914 hielpen eenheden van de Force Publique de Franse koloniale troepen bij een veldtocht in Kameroen. In totaal namen 570 Belgisch-Congolese militairen aan die strijd deel, waarvan bijna de helft zou omkomen. Ze zouden een duizendtal kilometer diep doordringen in Kameroen, totdat de Duitse troepen daar begin 1916 volledig waren verslagen.

Een artillerie-eenheid van de Force Publique neemt een pauze. Vooraan op de grond de loop van twee kanonnen die door de muilezels worden gedragen.

Speldeprikken langs de grens

Het zou echter vooral Duits Oost-Afrika zijn dat de Geallieerden kopzorgen bezorgde.

In Duits Oost-Afrika had de zeer energieke Duitse kolonel Paul von Lettow-Vorbeck alle mogelijke manschappen en middelen ingezet, met het doel de Geallieerden zo lastig mogelijk te maken.

In totaal verzamelde hij bijna 3000 Duitsers; naast de ca. 200 Duitse beroepsmilitairen aldaar waren dat blanke kolonisten en de manschappen van een paar Duitse oorlogsschepen die aan de kust ingesloten waren. Verder werden zo’n 11.000 man inlandse troepen, de zgn. askari’s ((Swahili voor “soldaten”) gemobiliseerd en bewapend.

Een drieduizend man van deze Schutztruppen stonden in het noordwesten, nabij Belgisch-Congo. Ze werden aangevoerd door de gepensioneerde generaal Kurt Wahnke.

Vanaf september 1914 hielp een detachement van de Force Publique de Britten bij het afweren van Duitse aanvallen op een post in het uiterste zuiden van het Tanganyikameer in Noord-Rhodesië (thans Zambia).

De Belgisch-Congolese troepen worden opgesteld in een kamp aan de grens met Rwanda (toen “Ruanda” geschreven), ten noorden van het Kivumeer. Een vulkanisch en onherbergzaam gebied. Alleen al de aanvoer van water was een hele karwei. Dat kamp werd in juni-juli 1915 tweemaal aangevallen door Duitse troepen.

Door een met een mitrailleur uitgeruste motorboot domineerden ze het Kivumeer en wisten ze gedurende maanden een eiland in het meer te bezetten. Ze bewapenden de lokale Tutsi’s, die aangezet werden tot plunderingen.

Ook aan de Ruzunzi, de grensrivier die van het Kivu- naar het Tanganyikameer loopt, waren de Duitsers actief. Zo werd het garnizoen van het stadje Luvunzi aangevallen, waarbij de Belgische bevelhebber omkwam.

Duitse officieren en een askari

Aanvankelijk wilden de Geallieerden in mei 1915 aanvallen, maar dat lukte niet omdat de Britten hun troepen voortdurend elders dringend nodig hadden.

Wel werd intussen een heuse “merenoorlog” uitgevochten, vooral op het Tanganyikameer. Een Duitse vloot, met als grootste schip de 70 m lange Graf von Götzen, maakte de kust en de scheepvaart onveilig.

Britse en Belgische oorlogsschepen voerden meermalen gevechten. De Belgen zetten zelfs watervliegtuigen op het meer in.

Belgische watervliegtuigen aan het Tanganyikameer

Opmars naar het Victoriameer

Begin 1916 werd beslist tot een gemeenschappelijke aanval van Belgische en Britse troepen in het noordwesten van Duits-Oost-Afrika. Bedoeling was de Duitse troepen aldaar in de tang te nemen.

De Belgen kwamen vanuit Congo, de Britten vanuit het noorden, uit Kenia (toen meestal Brits Oost-Afrika genoemd). De Britse troepenmacht was veel groter – zo’n 60.000 man - en ook beter uitgerust.

Een groot deel van de Britse troepenmacht bestond uit Indiërs en (blanke) Zuid-Afrikanen. Hij stond onder bevel van de Zuid-Afrikaanse generaal Jan Smuts, die ook als staatsman bekendheid zou krijgen.

Aanvankelijk hadden de Britten de aanval voor mei 1916 gepland, omdat de regentijd dan zou eindigen, maar Smuts besliste om al begin april ten strijde te trekken.

Waterbevoorrading voor de Britse troepen

In diezelfde maand traden de Belgen in actie. De hele troepenmacht van generaal Tombeur omvatte 11.698 Congolese militairen en 719 Belgische officieren en onderofficieren. Hij was in twee brigades verdeeld.

De eerste brigade, onder kolonel Molitor, viel aan vanuit het noorden van het Kivumeer, richting Rwanda, de tweede, aangevoerd door kolonel Olsen, naar Burundi (toen “Urundi” genoemd).

De noordelijke brigade bereikte begin mei Kigali en vandaar Nyanza, de residentie van de Tutsikoning van Rwanda. Het was het begin van een Belgische aanwezigheid die bijna een halve eeuw zou duren.

Een verdere opmars werd bemoeilijkt doordat veel dragers wegliepen of ziek werden. De meesten waren afkomstig uit het laaggelegen Congobekken en verdroegen de koude van de hooggelegen streken niet.

Gelukkig voor de Belgen was koning Musingwa van Rwanda welwillend bij het “lenen” van Rwandese dragers.

De brigade rukte op tot de zuidkant van het enorme Victoriameer, in de hoop de Duitse troepen die zich terugtrokken voor de Brits-Zuid-Afrikaanse opmars vanuit het noorden, de pas af te snijden. Daarbij werd een kolonne met voorraden overmeesterd.

Op 3 juli vond bij Kato, vlakbij het Victoriameer, een bloedig gevecht plaats, toen de Duitsers een verrassingsaanval uitvoerden. De Belgen behaalden een overwinning, maar niet zonder verliezen.

Opmerkelijk was dat de Belgische majoor Rouling en de Duitse kapitein Godovius daarbij vanop korte afstand een waar duel met revolvers uitvochten. Rouling raakte daarbij zwaar gewond, Godovius wist te ontkomen, maar gaf zich later over.

Nog geen twee weken later viel een Belgisch detachement onder kolonel Huyghé het Duitse hoofdkwartier in de streek aan, maar moest zich terugtrekken na hevige weerstand.

De Belgische onderofficier Armand Domken leidde een mitrailleursectie en sneuvelde bij Kato op 3 juli 1916

Het Tanganyikameer en de Centrale Spoorweg

De zuidelijke brigade bezette op 2 juni Bujumbura (of Usumbura, zoals het toen werd aangeduid) en op 17 juni Gitega, de toenmalige hoofdstad van Burundi.

Vanuit Burundi bezetten ze de oostelijke oever van het Tanganyikameer, om op 26 juli Kigoma te bereiken.

Kigoma was niet alleen de belangrijkste Duitse haven aan het meer, het was ook het eindpunt van de Centrale Spoorweg (of Tanganjikabahn) die het meer verbond met de koloniale hoofdstad Dar es-Salaam, aan de Indische Oceaan.

Detailkaart van de militaire operaties in Duits Oost-Afrika in 1916. De volle rode lijn geeft de bewegingen weer van de Belgen, de gearceerde rode de Britse, de groene de Duitse.

Het was de bedoeling van de Geallieerden om die 1200 km lange spoorweg over de hele lengte in handen te krijgen.

De Duitsers saboteerden de spoorlijn naarmate ze zich naar het oosten terugtrokken. De Belgen voerden meteen herstellingen uit, zodat ze vanuit Kigoma per spoor bevoorraad werden.

Vrijwel het hele Tanganyikameer was nu onder Belgische controle.

Een door de Duitsers verwoeste spoorwegbrug, voor en na het herstel

De verovering van Tabora

De twee Belgische brigades rukten nu op naar Tabora, de voornaamste stad in de regio, strategisch gelegen aan de Centrale Spoorweg. De stad was goed versterkt en verdedigd door Duitse troepen onder majoor Max Wintgens.

De zuidelijke brigade bezette op 30 augustus het station van Usoke, op 60 kilometer van Tabora. Van 2 tot 6 september moesten ze deze plaats verdedigen toen de Schutztruppen ze trachtten te heroveren.

Op 13 september stond de noordelijke brigade voor Tabora. De volgende nacht begon de Belgische artillerie de Duitse linies te beschieten.

Op 16 september ontmoetten beide brigades elkaar.

Soldaten van de Force Publique, klaar om de trein op te stappen

In de nacht van 18 op 19 september ontruimde Wintgens met zijn troepen Tabora. De volgende ochtend kwamen burgers naar de Belgische linies om de overgave van de stad aan te bieden.

Nog dezelfde dag betraden de Belgisch-Congolese troepen Tabora.

De Duitsers hadden drie kanonnen en twee mitrailleurs achtergelaten, alsmede enkele honderden gewonde militairen in het hospitaal.

Bijna 200 geïnterneerde buitenlanders werden bevrijd, voornamelijk missionarissen, waaronder drie Belgen en honderd Britten.

Belgische koloniale troepen trekken Tabora binnen, in het centrum van het stadje wordt de Belgische vlag gehesen

De tweede veldtocht

De verovering van Tabora betekende voorlopig het einde van de Belgische operaties. De Belgische regering leek niet bereid de Force Publique verder in te zetten.

Pas in het voorjaar van 1917 kon een beperkte Belgische troepenmacht in actie schieten.

De Belgisch-Congolese troepen stonden ditmaal onder bevel van kolonel Armand Huyghé en waren verdeeld in twee brigades.

De eerste achtervolgde de troepen van majoor Wintgens, die nog altijd in de streek van Tabora opereerde, de andere hielp bij de strijd tegen de hoofdmacht van Lettow-Vorbeck, dienaar het zuiden was uitgeweken.

De achtervolging van de troepen van Wintgens duurde vijf maanden, hoewel de zieke Duitse majoor zelf al in mei 1917 gevangen werd genomen.

Dragers in dienst van de Force Publique, bij hen waren ook vrouwen

De zuidelijke brigade, onder bevel van Huyghé zelf voerde van 5 tot 9 oktober een zwaar gevecht om de post van Mahenge (ten zuiden van de huidige Tanzaniaanse hoofdstad Dodoma) die door 600 Duitsers en askari’s werd verdedigd.

De meesten konden ontkomen, maar Huyghé wist meer dan honderd Duitsers gevangen te nemen en tegelijk Britse gevangenen de bevrijden.

Eind 1917 keerden de Belgisch-Congolese troepen naar Congo terug. De achtervolging van Lettow-Vorbeck was nog lang niet voorbij.

De energieke Duitse bevelhebber vluchtte met zijn troepen naar de Portugese kolonie Mozambique en daarna naar (Brits) Noord-Rhodesië. Pas nadat hij vernam dat Duitsland op 11 november 1918 een wapenstilstand had gesloten, capituleerde hij voor de Britten.

De bevelhebbers van de Force Publique tijdens de operaties, van links naar rechts Tombeur, Molitor, Olsen en Huyghé

Slachtoffers

Omdat de troepenaantallen relatief klein waren en er slechts sporadisch gevochten werd, waren de verliezen onder de troepen vrij gering, althans wat de gevechten betreft.

Van de meer dan 12.000 Belgische en Congolese militairen werden er 1375 gedood bij de eerste en 578 tijdens de tweede veldtocht. Het aantal gewonden bedroeg 1050 respectievelijk 222. Meer doden dan gewonden dus, maar heel wat doden vielen als gevolg van ziekten, vooral malaria.

Daarnaast werden meer dan 7000 dragers gedood, vrijwel uitsluitend van ziekte en uitputting. Daarbij moet men rekening houden dat de dragers vaak gewisseld werden. In totaal zouden meer dan 200.000 Afrikanen als dragers voor de Force Publique hebben gediend !

Troepen van de Force Publique steken een rivier over, dragers sleuren een kanon een heuvel op

Bij de Britse, Zuid-Afrikaanse en Brits-Indische troepen lagen de verliescijfers nog veel hoger. En ook daar stierven veel dragers. Alle legers tezamen waren er meer dan een miljoen dragers, waarvan minstens een tiende zou zijn omgekomen.

Voor de burgerbevolking was de oorlog rampzalig. Doordat zoveel Afrikanen als dragers moesten dienen, raakte de landbouw op vele plaatsen verwaarloosd, terwijl de troepen vee en ander voedsel opeisten. Het gevolg was voedselschaarste. De troepen brachten ook besmettelijke ziekten mee.

Men schat dat meer dan 300.000 inlandse burgers in Oost-Afrika zijn gestorven als gevolg van de oorlog.

Belgische koloniale illusies

De Belgische veldtochten in Afrika hadden geen gevolgen voor het thuisfront. Voor de lijdende bevolking van bezet België betekenden ze niets.

Toch zorgden de successen van “onze” koloniale Weermacht voor nogal wat trots. Het was de eerste belangrijke Belgische overwinning in de oorlog. Generaal Smuts loofde uitdrukkelijk de inzet van de Belgische troepen.

De naam “Tabora” kreeg even een mythische bijklank. Nog belangrijker was dat de Belgen een gebied hadden veroverd tussen dat tienmaal groter was dan België. Sommigen droomden van een forse uitbreiding van het Belgische koloniale rijk.

De koppen van verschillende Belgische kranten over de 'triomf' in Tabora

Maar reeds in mei 1917 ontruimden de Belgische troepen Tabora, volgens een afspraak met de Britten. De Force Publique controleerde wel nog de oostelijke oever van het Tanganyikameer en een strook tot aan het Victoriameer, met de bedoeling daar te blijven.

De Britten dachten er anders over. Door de verovering van Duits Oost-Afrika konden ze een oude droom realiseren: de spoorweg Caïro-Kaapstad, van het noorden tot het zuiden van Afrika, helemaal op Brits territorium.

Die spoorweg (die er uiteindelijk nooit zou komen) moest tussen het Victoria- en het Tanganyikameer lopen. Dus wilden de Britten daar de baas worden.

De triomfantelijke intrede in Elisabethville (Lubumbashi) van de troepen van de Force Publique bij hun terugkeer uit Tabora

Op de vredesconferentie van Parijs, in 1919, probeerden de Belgen het veroverde gebied te behouden of – nog beter – te ruilen tegen ander gebied in Afrika: een stuk Angola aan de monding van de Congostroom, of delen van Uganda en Soedan.

Het pakte anders uit. De Belgische delegatie in Parijs vernam via de kranten dat de grote mogendheden beslist hadden om heel het voormalige Duits Oost-Afrika aan de Britten toe te wijzen, onder de vorm van een mandaatgebied van de Volkenbond.

Militairen van de Force Publique poseren

Na zware protesten mochten de Belgen dan toch een deel van hun veroveringen houden. Ruanda-Urundi werd een Belgisch mandaatgebied. Bovendien mochten goederen vanuit Congo zonder douanerechten via de Tanganyikaspoorweg worden vervoerd naar de Indische Oceaan.

Het was niet niks, maar Tabora werd snel een vage herinnering.

Koning Albert I zou generaal Tombeur in 1926 verheffen tot baron Tombeur de Tabora. Brussel en Knokke kennen nog altijd een Taborastraat, Oostende een Taboralaan, en ook in de Congolese steden Kinshasa en Lubumbashi is er nog een avenue de Tabora.

Overzicht van de operaties van de Force Publique in Duits Oost-Afrika van 1916 tot 1917 ( kaart Roger Lothaire)

Meest gelezen