Meest recent

    De joden in de Grote Oorlog

    Honderd jaar geleden begon in het Duitse leger een merkwaardige telling. Men ging nakijken hoeveel joden er in dat leger waren. De verontwaardiging bij de Duitse joden was groot: hun patriotisme werd miskend, de nationale eendracht van het begin van de oorlog werd geschonden.

    In november 1916 werd in het Duitse leger een merkwaardige telling doorgevoerd. Men ging nakijken hoeveel joden er in dat leger waren.

    Bovendien werd onderzocht hoeveel joodse dienstplichtigen geschikt waren bevonden voor krijgsdienst, hoeveel joodse militairen er waren ingezet aan het front, hoeveel er waren vrijgesteld, hoeveel gesneuveld, enzovoort.

    Blijkbaar was er twijfel of de joden zich voldoende inzetten voor de verdediging van het vaderland!

    De aankondiging van deze "Judenzählung" (Jodentelling) veroorzaakte grote verontwaardiging bij de Duitse joden. Ze zagen er een schending in van de nationale eendracht, de "Burgfrieden" die sinds het begin van de oorlog bestond.

    Op de eerste dag van de oorlog had de Duitse keizer immers gezegd: "Ik ken geen partijen meer, ik ken alleen nog Duitsers… zonder onderscheid volgens partij, stam, godsdienst". (Ook al hield keizer Wilhelm II er zelf ronduit racistische ideeën op na.)

    Joodse verenigingen hadden die woorden beantwoord: "Wij, Duitse joden, kennen ondanks alle vijandschap in vredestijd vandaag geen onderscheid jegens andere Duitsers. Broederlijk staan wij met allen samen in de strijd."

    Het schreeuwerige patriottisme trof dus evengoed de Duitse joden als de andere Duitsers. Te meer daar de joden het in Duitsland relatief goed hadden.

    Oproep in de 'Juedische Rundschau' van 7 augustus 1914 om 'zonder enige reserve' dienst te nemen in het Duitse leger en het vaderland te dienen.

    Geëmancipeerd en toch gediscrimineerd

    Van de meer dan een half miljoen joden die de Duitse nationaliteit hadden, deden er tijdens de Eerste Wereldoorlog minstens 96.000 dienst in het Duitse leger.

    Joodse militairen konden in het leger zonder problemen aan de joodse eredienst deelnemen en hadden er hun eigen veldrabbijnen.

    De Duitse joden hadden zich in de loop van de 19e eeuw vrijwel volledig geëmancipeerd. Ze waren volwaardige staatsburgers geworden. Ze speelden een niet te verwaarlozen rol in het bedrijfsleven, de cultuur en de politiek.

    Toch werden ze ook van overheidswege nog gediscrimineerd, althans in sommige Duitse deelstaten. Dat was het geval in Pruisen, verreweg de grootste Duitse staat.

    Er waren weinig of geen joden in hoge staatsambten. En in het Pruisische leger waren er zo goed als geen joodse officieren, zelfs geen (dienstplichtige) reserveofficieren. Dat laatste kwetste de rijke joodse burgerij, omdat het in prominente Duitse families paste dat zoonlief als officier zijn dienstplicht deed.

    Maar de Pruisische minister van Oorlog had verklaard dat officier zijn niet alleen een kwestie was van kennis en bekwaamheid. Een officier moest ook respect van zijn troepen krijgen. En dat vond men blijkbaar een probleem als het om een joodse officier zou gaan.

    Groepsfoto van joodse Duitse militairen na de gebedsdienst op Rosj Hasjana in een tijdelijke synagoge in de Franse stad Saint-Quentin, 1916.

    In werkelijkheid heerste er onder de officieren veel antisemitisme. Het Pruisische officierenkorps werd overheerst door edelen met een natuurlijk superioriteitsgevoel.

    Niet alleen de eigenlijke joden - dus zij dit tot de joodse godsdienst behoorden - werden gediscrimineerd. Ook christenen met joodse voorouders of joden die zich tot het christendom hadden bekeerd, waren zeldzaam onder de officieren.

    Zo waren er maar drie Duitse generaals en admiraals van joodse afkomst. Generaal Otto Liman von Sanders, tijdens de oorlog adviseur van het Turkse leger, was een van de zeer zeldzame Duitse generaals van joodse afkomst. Zijn joodse grootvader had zich laten dopen.

    Deze discriminatie gold niet voor alle Duitse deelstaten (de grotere Duitse staten hadden elk hun eigen leger). In het Beierse leger waren er tijdens de oorlog wel joodse officieren. Zo was het een joodse luitenant in een Beiers regiment die korporaal Adolf Hitler voordroeg voor het IJzeren Kruis eerste klasse!

    Tijdens de oorlog zou het aantal joodse officieren toenemen, omdat veel officieren waren gesneuveld en er nu eenmaal niet zoveel geschikte kandidaten waren om de officiersrangen aan te vullen.

    Duitse militairen vieren Chanoeka ergens aan het Oostfront, najaar 1915.

    Titelpagina en 2 bladzijden uit een boek ter ere van de joodse piloten omgekomen in dienst van het Duitse leger, uitgegeven in Berlijn in 1919.

    "Joodse profiteurs"

    Intussen was er in Duitsland wel een actief antisemitisme. Er waren agressieve groepen en tijdschriften. Antisemitische partijen hadden enkele zetels in het parlement. Het Alldeutscher Verband, een invloedrijke nationalistisch-militaristische drukkingsgroep, was tevens antisemitisch.

    De "Burgfrieden" zette aanvankelijk een demper op deze jodenhaat. De censuur die er kwam, trof alle geschriften die tegen de nationale eendracht ingingen, ook antisemitische publicaties.

    Toch gingen er al na enkele maanden stemmen op tegen joodse "profiteurs". Dat gebeurde toen duidelijk werd dat Duitsland de oorlog niet snel zou winnen - zoals aanvankelijk werd gedacht - en dat er zware inspanningen van de bevolking zou worden gevraagd.

    Een en ander had te maken met de geallieerde blokkade op zee, waardoor er problemen kwamen met de invoer van voedsel en grondstoffen in Duitsland.

    De Duitse chemicus en Nobelprijswinnaar Fritz Haber (rechts) had zich als jonge man bekeerd tot het protestantisme en bood zijn diensten aan aan het Duitse leger om gifgaswapens te ontwikkelen. Na de oorlog werd dat in deze anti-joodse karikatuur (links) tegen hem gekeerd.

    Nog belangrijker dan gifgas was Habers ontdekking van een procedé om stikstof uit de lucht te halen. Die stikstof werd onder meer gebruikt voor explosieven. Zonder Haber hadden de Duitsers nooit voldoende munitie kunnen fabriceren om het vier jaar vol te houden.

    Enkele invloedrijke zakenlieden richtten toen een organisatie op die moesten zorgen voor de aankoop en de distributie van de allernoodzakelijkste producten. Daaronder bevonden zich een paar joodse zakenlieden, zoals de machtige reder Albert Ballin.

    Daarnaast was Walter Rathenau, een joodse grote ondernemer en tegelijk een briljant intellectueel, betrokken bij een overheidsdienst die grondstoffen voor het Duitse leger moest aankopen.

    Voor de antisemieten was dat voldoende om te beweren dat de joden van de oorlog profiteerden om de Duitse economie in handen te nemen. Het paste met het oude vooroordeel over de joden als woekeraars. Die beweringen werden geloofd door een deel van de bevolking, die leed onder de voedselschaarste en het zeer gereglementeerde systeem van rantsoeneringen.

    In dat klimaat kwamen er steeds maar meer verwijten aan de joden. Ze zouden militaire dienst ontlopen, of als ze toch in het leger waren, meestal veilige postjes ver van het front bekleden. Ze werden aangeduid als "Drückeberger" (leeglopers, "karottentrekkers"..).

    Walter Rathenau was na de oorlog kort even minister van Wederopbouw en minister van Buitenlandse Zaken. In juni 1922 werd hij vermoord door extreemrechtse officieren.

    Naarmate de oorlog langer duurde, nam de haat toe. Sommige extreme publicaties beschuldigden de joden zonder meer van samenzweren met de vijand.

    "Hoe meer joden in deze oorlog vallen, des te heviger zullen hun tegenstanders bewijzen dat ze allen achter het front zitten, om aan oorlogswoeker te doen", schreef Rathenau.

    In dat klimaat besliste de Pruisische minister van Oorlog Wild von Hohenborn in oktober 1916 om het statistische onderzoek te houden. Toen hij de beslissing begin november bekendmaakte, barstte er een storm van protest los bij de joodse organisaties.

    In het parlement keerden de sociaaldemocraten en de linkse liberalen zich tegen de maatregel. De regering maakte duidelijk dat de telling juist bedoeld was om de beschuldigingen tegen de joden te weerleggen.

    Gedenkplaat in de voormalige synagoge van Veitshöchheim voor de leden van de Joodse gemeenschap die in militaire dienst sneuvelden tijdens de Eerste Wereldoorlog (Jüdischen Kulturmuseum und Synagoge Veitshöchheim)

    Merkwaardig genoeg werden de resultaten van de Judenzählung geheimgehouden. Pas na de oorlog werden ze gepubliceerd.

    Toen bleek dat 17,3 van de Duitse joden in de oorlog militair was geweest, hoewel er - uitgaande van hun leeftijd en beroep - slechts 15,8% dienstplichtig was. Liefst 77% had aan het front gevochten, evenveel als de niet-joden.

    De geheimhouding van de resultaten deed de verdachtmakingen alleen nog maar toenemen. Ook in het leger werden de joden gestigmatiseerd. Joodse militairen zouden meer zijn gedegradeerd en minder zijn bevorderd dan niet-joden. De zeldzame joodse officieren hadden vaak moeite om hun gezag te doen gelden.

    Toen Duitsland uiteindelijk de oorlog verloor, maakten de joden deel uit van de "dolkstootlegende": het verzinsel dat Duitsland verslagen werd door de invloed van "binnenlandse" vijanden, waaronder de joden.

    Een van de grote verdedigers van de dolkstootlegende was generaal Ludendorff, de belangrijkste Duitse strateeg en, op het einde van de oorlog, de machtigste man van Duitsland.

    Na-oorlogse karikaturen met als thema de dolkstootlegende.

    Meteen na de oorlog werden joodse oud-strijders niet toegelaten tot de pas opgerichte Stalhlelm, de grootste (maar zeer rechtse) bond van veteranen.

    We weten nu dat er 96.000 joden in het Duitse leger hebben gediend, waarvan meer dan 10.000 als vrijwilliger. Liefst 30.000 onder hen werden gedecoreerd voor dapperheid, 19.000 werden bevorderd en 12.000 sneuvelden.

    Ook op andere terreinen leverden de Duitse joden belangrijke bijdragen aan de oorlogsinspanning. De rol van de chemicus Fritz Haber voor de ontwikkeling van chemische wapens is bekend en berucht. Ook de rol van Walter Rathenau in de organisatie van de Duitse oorlogseconomie was zeer belangrijk.

    Oproep van de rijksbond van joodse frontsoldaten aan alle Duitse moeders: "Christelijke en joodse helden hebben samen gestreden en rusten nu samen op vreemde bodem, duld niet dat de smart van joodse moeders misprezen wordt".

    Joden in Oostenrijk-Hongarije

    De situatie in Duitsland verschilde met die van zijn bondgenoot Oostenrijk-Hongarije, hoewel dat rijk een veel grotere joodse bevolking kende en het antisemitisme er algemeen verspreid was.

    In het Oostenrijks-Hongaarse leger vochten zo’n 300.000 joden. Daaronder waren er opvallend veel officieren. Liefst 18% van de reserveofficieren waren joden (terwijl ze 5% van de totale bevolking vormden).

    Deze opvallend gunstige positie was het gevolg van de grote etnische en religieuze diversiteit in het Oostenrijks-Hongaarse leger, waarbij discriminatie officieel niet werd toegelaten. In de hoogste kringen van het rijk was men daar niet altijd gelukkig mee.

    Tijdens de oorlog nam het antisemitisme in het Oostenrijks-Hongaarse rijk wel toe door de grote instroom van joodse vluchtelingen uit Russisch Polen.

    Toen het Russisch leger gedwongen werd zich daar terug te trekken, branden ze de dorpen systematisch plat en veroorzaakten een grote vluchtelingenstroom, zowel richting Oosten als Westen.

    Oostenrijks-Hongaarse soldaten aan de klaagmuur in Jeruzalem (Library of Congress)

    Gebedsdienst 'te velde' van joodse Oostenrijks-Hongaarse militairen (Central Archives History of the Jewish People, Jeruzalem)

    Frankrijk

    In Frankrijk lijkt de oorlog het imago van de joden eerder te hebben versterkt. Eind negentiende eeuw was er een golf van antisemitisme in Frankrijk geweest, onder meer door de zaak rond de joodse kapitein Dreyfus, die ten onrechte was veroordeeld voor spionage voor Duitsland. Dreyfus was in ere hersteld, maar de meeste rechtse nationalisten hadden zijn onschuld nooit willen erkennen.

    Ook hier werd vanaf het begin van de oorlog een nationale eendracht gehuldigd (de Union sacrée) en die zorgde ervoor dat ook de antisemieten de strijdbijl begroeven.

    In totaal waren er meer dan 35.000 joden in de Franse legers. Daaronder waren er liefst 8.500 buitenlandse joden die vrijwillig dienst namen, vooral uit Rusland en het Ottomaanse Rijk. Meer dan 4.600 onder hen sneuvelden.

    De inzet van de joden in de oorlog maakte indruk op de Fransen. Een veel geciteerd voorbeeld was dat van de opperrabbijn Abraham Bloch, die als brancardier dienst nam en dodelijk getroffen werd terwijl hij op het slagveld een crucifix bracht naar een gewonde katholieke soldaat. De nationalistische schrijver Maurice Barrès, voorheen een overtuigd antisemiet, verwees naar het offer van Bloch om hulde te brengen aan de inzet van de joden.

    Toch zouden ook in Frankrijk extreemrechtse groepen het aandeel van de joden in de strijd in vraag stellen, maar dat zou pas lang na de oorlog gebeuren, in de jaren 1930.

    Abraham Bloch en een prent die zijn einde weergeeft.

    De Britse legers

    De Britse legers kenden 41.000 joodse soldaten, met inbegrip van die uit de diverse delen van het Britse Rijk. De meerderheid waren vrijwilligers.

    Toch waren er bij heel wat Britse joden bij het begin van de oorlog wel twijfels of ze dienst zouden nemen in een oorlog tegen Duitsland, waar de joodse burgers veelal gerespecteerd werden, en met het sterk antisemitische Rusland als bondgenoot.

    Zowat 5.000 joden van diverse nationaliteiten namen dienst in het Joods Legioen van het Britse leger. Onder hen de latere Israëlische premiers Ben Gurion en Eshkol. Een deel van dat Legioen zou trouwens meedoen aan de Britse verovering van Palestina.

    Het Joods Legioen in opleiding in Fort Edward, Windsor, Nova Scotia Canada (Heritage Trust of Nova Scotia).

    Toch was ook Groot-Brittannië niet vrij van antisemitisme. De joden, waarvan velen Duitse namen droegen en sommigen een op het Duits gelijkende taal - Jiddisch - spraken, werden vaak het slachtoffer van de anti-Duitse stemming onder de Britten.

    Zelfs een zo serieuze krant als "The Times" wierp joden en Duitsers vaak op één hoop. Berichten dat joodse textielhandelaars goede zaken deden omdat de vraag naar textiel (voor uniformen, tentzeilen… ) zeer groot was, deed de geruchten over joodse profiteurs stijgen.

    In 1917, toen de schaarste in Engeland een hoogtepunt bereikte, kwam het tot anti-joodse rellen in Leeds en de Londense wijk Bethnal Green.

    Voorpagina van een mapje met postkaarten van het Joodse Legioen in Palestina.

    Rusland

    De zwartste bladzijde werd echter geschreven door Rusland. Het antisemitisme was er algemeen verspreid, tot in de hoogste kringen rond de tsaar.

    Binnen het leger heerste een uitgesproken anti-joodse stemming, hoewel er een half miljoen Russische joden onder de wapens waren.

    Geen wonder dat de vele Russische joden die in andere Geallieerde landen leefden, verkozen dienst te nemen in het Franse of Britse leger, liever dan voor, hun dienstplicht naar Rusland te worden gestuurd.

    Het ergst was echter het lot van de zeer talrijke joodse burgerbevolking in de gebieden waar het Oostfront door liep: Litouwen, Russisch-Polen, Galicië, Boekovina…

    Het Russische leger viseerde hen in het bijzonder, om het even of het nu ging om Russische of Oostenrijkse joden. Ze werden als potentiële spionnen beschouwd.

    Joodse inwoners van een dorpje in Russisch Polen dat door het Russisch leger, net voor het zich terugtrok, is verwoest (Bildarchiv AT)

    In 1915 werden honderdduizenden joden in de frontgebieden gedeporteerd of verdreven. Vooral waar de Russische legers zich moesten terugtrekken, werden op grote schaal joodse dorpen en wijken geplunderd. De kozakken hielden echte pogroms, waarbij gemoord en verkracht werd.

    Dit alles deed de reputatie van de Geallieerden geen goed. De Britse en Franse regeringen drongen bij de Russen aan om te stoppen met wreedheden tegen de joden. Te meer daar de oprukkende Duitse troepen als bevrijders werden beschouwd.

    Door de val de Russische tsaar in 1917 zou het imago van Rusland zich wat wijzigen. Maar de Russische Revolutie en de daaropvolgende burgeroorlog zorgden opnieuw voor pogroms, te meer daar er onder de Russische communisten nogal wat joden waren.

    Russische militairen houden een joodse eredienst in het Duitse krijgsgevangenenkamp van Neuhammer am der Queiss, gepubliceerd in "Der Grosse Krieg in Bilder", 1916. Het is duidelijk dat de foto het Duitse fatsoen moest onderstrepen.

    In de Verenigde Staten namen de joden massaal dienst. Op het einde van de Oorlog zouden een kwart miljoen joden deel uitmaken van het Amerikaanse leger dat naar Europa werd gestuurd. Of 8% van de joodse bevolking in de VS.

    Ook in het Ottomaanse Rijk waren er joden in het leger, als volwaardige staatsburgers die hun dienstplicht deden.

    Wel moesten de talrijke joden afkomstig uit de Geallieerde landen het Ottomaanse Rijk verlaten toen dat aan Duitse kant in de oorlog kwam. Die maatregel trof vooral de joodse kolonisten in Palestina, waarvan de meesten uit Rusland kwamen.

    Toch mochten veel van die inwijkelingen onder bepaalde voorwaarden in Palestina blijven. Dat kwam er onder meer onder druk van Duitsland, dat ook hier een pro-joodse propaganda voerde.

    Anderzijds probeerden de Britten de joden uit Palestina te winnen voor hun Joods Legioen. Ze kregen daarbij de hulp van enkele zionistische leiders. Zelfs een honderdtal joodse krijgsgevangenen uit het Ottomaanse leger namen dienst in het Joods Legioen.

    Eredienst bij het Joods Legioen en home van het Joods Legioen in Jeruzalem.