Meest recent

    2017: Zijn we beter gewapend tegen terrorisme? - Liesbeth Indeherberge

    Wat moeten we onthouden van '16 om '17 te begrijpen? In onze reeks vandaag: terrorisme. In '16 was bruut geweld plots heel aanwezig in ons land. Journalist Liesbeth Indeherberge trekt besluiten en probeert vooruit te blikken.
    analyse
    Analyse

    Liesbeth Inderherberge is journalist bij VRT Nieuws gespecialiseerd in gerechtsverslaggeving.

    “De aanslagen van 22 maart”. Het is waarschijnlijk het meest gegeven antwoord op de vraag: “Wat is voor u de gebeurtenis van 2016?”. Hét moment van een jaar waarop je terugblikt, zou een blij hoogtepunt moeten zijn. Jammer genoeg leek 2015 al een slechte voorbode van wat 2016 voor ons land zou brengen.

    Begin 2016 was ons land nog volop aan het ontwaken uit de nachtmerrie die de aanslagen van Parijs waren. De Belgische betrokkenheid bij die aanslagen was bijna surrealistisch, zo bleek later: zes daders kwamen uit ons land.

    Belgen

    Geboren en getogen in verschillende Brusselse gemeenten. De jongste, Bilal Hadfi, was amper 20 jaar oud en zat tot februari 2015 nog op de schoolbanken in hartje Brussel.

    Maar wat ons land nog meer in de ban hield, waren de 2 voortvluchtige daders. De zoektocht naar Salah Abdeslam en Mohamed Abrini deed 2015 naadloos overlopen in 2016. De twee mannen waren nog altijd spoorloos. Al maanden lang werd naar hen gezocht, maar niemand wist of ze nog in ons land ondergedoken leefden of ondertussen de vlucht genomen hadden naar andere oorden.

    Het verhoogde het onheilspellende gehalte alleen maar. Dé cliffhanger van 2015 bleek bovendien in 2016 héél slecht te eindigen voor ons land.

    Salah Abdeslam

    Op 18 maart 2016 werd Salah Abdeslam gevonden, in het been geschoten en ingerekend. Na 126 dagen van het ene safehouse naar het andere te zijn gevlucht, droogden zijn mogelijkheden op.

    Lange tijd kon hij gewoon terecht in de schuilplaatsen in Brussel die gebruikt werden voor de Parijse aanslagen. En er was nog een resterend netwerk in Brussel dat gemakkelijk kon ingeschakeld worden.

    Maar stilaan sluit het net zich. Toen Salah Abdeslam op 15 maart moest vluchten na een huiszoeking in de Driesstraat in Vorst activeerde hij even de GSM die hij ook al in Parijs gebruikt had. Het signaal werd opgepikt door de speurders. Er was geen ander netwerk meer dan zijn familie. Salah Abdeslam duikt onder bij zijn neef in Molenbeek. Op minder dan een kilometer van zijn ouderlijk huis werd hij opgepakt.

    De losse eindjes van Parijs … ontploffen in ons land

    De veiligheids- en inlichtingendiensten in ons land wisten vrij snel na de aanslagen in Parijs dat het Belgische netwerk nog groter moest zijn. Al gauw hadden ze een aantal mensen in het vizier die een heel grote dreiging konden betekenen voor ons land.

    En die hypothese wordt op 22 maart bevestigd: Brusselaars Najim Lachraaoui en Ibrahim El Bakraoui blazen zich op in de vertrekhal van de luchthaven van Zaventem. De man met het hoedje wandelt weg.

    Iets meer dan een uur later herhaalt dit helse scenario zich in metrostation Maalbeek. Brusselaar Khalid El Bakraoui (foto) blaast zich op, de Zweedse Syriëstrijder Osama Krayem wandelt weg.

    De man met het hoedje

    Ons land wordt voor de tweede keer op korte tijd ondergedompeld in angst en onzekerheid: opnieuw zijn twee terroristen op de vlucht. De man met het hoedje wordt een symbool. Drie weken later, op 8 april, worden Mohamed Abrini en Osama Krayem opgepakt.

    Mohamed Abrini zegt later in een verhoor: “Ik weet dat de huiszoeking in de Driesstraat de aanslagen in Brussel hebben versneld. Want eigenlijk moest er niets gebeuren in België. Het was de bedoeling om toe te slaan in Frankrijk.” Of dat ook echt waar is, zullen we waarschijnlijk nooit zeker weten.

    Paris est Bruxelles

    Wat leren de aanslagen van Zaventem en Brussel ons nu eigenlijk? De belangrijkste vaststelling is dat het terreurnetwerk van Parijs en dat van Brussel volledig door mekaar loopt en grotendeels samenvalt. De uitvoerders van de aanslagen op 22 maart waren intens betrokken bij de voorbereidingen van de aanslagen in Parijs.

    Mohamed Abrini was in Parijs op de vooravond van de aanslagen. De broers El Bakraoui, die beiden omkwamen op 22 maart, huurden verschillende schuilplaatsen die gebruikt werden in de aanloop naar Parijs.

    Salah Abdeslam haalde verschillende daders van Parijs én van Brussel op in Oostenrijk, Duitsland en Hongarije. Het DNA van Najim Laachraoui, die zich opblies in Zaventem, werd gevonden op een bommengordel in de Bataclan en op een explosief in het Stade de France. Er zijn sporen van de Zweedse jihadi Osama Krayem gevonden in safehouses die gebruikt werden tijdens de voorbereidingen van de aanslagen van Parijs. En ga zo maar verder…

    Onder de kerktoren

    Maar wat betekent die vaststelling voor de vraag of 22 maart had vermeden kunnen worden? De vraag is bijna onmogelijk te beantwoorden.

    Ibrahim en Khalid El Bakraoui stonden internationaal geseind, ook voor Najim Laachraoui was er een internationaal aanhoudingsbevel. Mohamed Abrini stond op de OCAD-lijst met Belgische Syriëstrijders.

    Met andere woorden: heel wat namen waren gekend, het potentieel gevaar ook, maar niemand wist waar deze tikkende tijdbommen precies verbleven.

    Salah Abdeslams maandenlange parcours langs onderduikadressen en Mohamed Abrini die zelfs nog langer onder de radar bleef, maken duidelijk dat old school onderduiken quasi ontraceerbaar is. Als je geen technische hulpmiddelen als GSM’s of internetverbindingen gebruikt, kan je redelijk lang onzichtbaar blijven voor politie en inlichtingendiensten. De enige voorwaarde is dat je een gesloten netwerk hebt dat je kan inschakelen. En dat hadden deze terroristen.

    Als er al een conclusie te trekken valt, is het dat dit terreurnetwerk professioneel te werk ging en binnen een heel gesloten milieu opereerde.

    De keerzijde van die geslotenheid voor de politie- en inlichtingendiensten is dat ze in een bijna onmogelijke informatiepositie komen te zitten. Of en hoe die positie snel om te draaien valt, is een vraagstuk op zich.

    Onder andere de procureur-generaal van Brussel, Johan Delmulle, lanceerde al het idee van burgerinfiltranten: burgers die dus undercover gaan in terroristische milieus.

    Die mogelijkheid is vandaag wettelijk alleen maar voorbehouden voor politieagenten, maar door de ondoordringbaarheid van radicale milieus botst het systeem daar op zijn limieten.

    De vraag zal echter zijn of er ooit de politieke bereidheid zal zijn om zo’n systeem (weer) in te voeren. En zo ja, hoe er dan een sluitend wettelijk kader voor kan gevonden worden. Om nog maar te zwijgen van de burgers die zich in zo’n avontuur willen storten…

    Go with the flow

    De aanslagen van Parijs en van Brussel maken ook duidelijk dat de terroristen geholpen werden door de politieke actualiteit. De vluchtelingenstroom zorgde voor de noodzakelijke chaos die de daders nodig hadden om onopgemerkt Europa weer binnen te komen.

    En in tegenstelling tot de angst die in een aantal Europese landen leefde en leeft, kwam het gevaar niet uit de vluchtelingenhoek zelf. Het waren vooral “onze jongens”, zoals Brusselaars Abdelhamid Abaaoud en Bilal Hadfi, die op de golven van de asielcrisis hun weg naar België terug vonden.

    Ook ging Salah Abdeslam eigenhandig twee van de daders van de aanslagen van 22 maart ophalen: Osama Krayem in het Duitse Ulm en Najim Laachraoui in Boedapest. Binnen Europa werden ze aan grensovergangen wel gecontroleerd, maar dankzij een valse naam en bijpassende identiteitskaart passeerden ze zonder problemen de grens.

    De Europese politieorganisatie Europol zei in een recent rapport over de werkwijze van IS dat er geen aanwijzingen zijn dat de terreurgroep op systematische manier gebruik maakt van de vluchtelingenstroom. Of de aanslagen van Parijs en Brussel dus slechts een uitzondering waren, zal de toekomst moeten bepalen.

    Een hete zomer

    Vooral tijdens de zomermaanden van 2016 lijkt er op een bepaald moment wel elke dag ergens in Europa een terreurdaad plaats te vinden. Vooral Frankrijk en Duitsland worden getroffen: in juni wordt een Frans politiekoppel vermoord in hun woning, juli kleurt rood in Nice en diezelfde maand wordt in een kerk in Normandië een priester de keel overgesneden.

    Maar in Duitsland is er ook de aanval met een bijl op een trein in Würzburg, de schietpartij in een winkelcentrum in München en een zelfmoordaanslag aan de ingang van een muziekfestival in Ansbach.

    De schietpartij in München blijkt achteraf niets met IS te maken te hebben: de dader was een 18-jarige in Duitsland geboren man met psychische problemen.

    Zenuwen

    En diezelfde onzekere sfeer en gespannenheid is ook in ons land te voelen: op 21 juni wordt Brussel nog eens opgeschrikt wanneer een man beweert dat hij is ontvoerd en met een bommengordel in de Nieuwstraat gedropt. Al snel blijkt dat de bommengordel gemaakt is van zout en koekjes en dat de man psychische problemen heeft.

    Een kleine maand later is het opnieuw loos alarm in de hoofdstad: een man met een lange winterjas wordt urenlang onder schot gehouden door de politie. Het blijkt om een student te gaan die stralingsgolven in het centrum van de stad onderzocht. Het toont aan hoe de zenuwen bij alle politiediensten gespannen staan.

    En dat blijkt niet zonder reden te zijn: begin augustus worden in Charleroi namelijk twee politieagentes aangevallen door een man met een machete. De aanslag wordt gezien als een terreurdaad en terreurgroep IS zegt later dat de aanval is uitgevoerd door één van haar zogenoemde soldaten.

    Toch was de man niet gekend bij de politiediensten als geradicaliseerd. Het is op dat moment dat ook in ons land duidelijk wordt hoe moeilijk het is uit te maken of iemand geïnspireerd is door IS of er ook echt aan gelinkt is.

    En wat met 2017?

    De daders van de aanslagen in Parijs en Brussel hadden allemaal eenzelfde profiel: de meesten vielen onder de noemer Syriëstrijder en waren ook effectief gaan vechten in Syrië.

    De anderen stonden minstens bekend als geradicaliseerd. Na de aanslagen volgde ook telkens een waar PR-offensief door IS met professioneel gemaakte opeisingsvideo’s.

    Een maandenlange planning en een minutieuze uitvoering door IS stond telkens vast.

    Een ander daderprofiel?

    Dat was wel anders met de vele voorvallen in Frankrijk en Duitsland, maar ook bij ons in Charleroi. Na de aanval met de machete kwam er een simpel statement van enkele lijnen van IS.

    Na Magnanville, Würzburg, Ansbach en Rouen volgde een amateuristisch gemaakt filmpje van enkele minuten waarin de daders trouw zweren aan IS.

    Sommige daders bleken via de app Telegram contact gehad te hebben met iemand van IS in Syrië. Maar zeker weten of de concrete opdracht ook echt van IS uitging, is dikwijls heel moeilijk. Wel is het zo dat IS al een tijd oproept om thuis te blijven en daar toe te slaan. Wat dat kan inhouden werd in Nice duidelijk, en ook recent nog op de kerstmarkt in Berlijn.

    Er komt dus een ander daderprofiel naar voren: geïsoleerde individuen die zich beroepen op IS zonder dat er daarom een directe link bestaat met de terreurgroep. Door hun daad toe te schrijven aan IS denken ze hun plaatsje in de eeuwigheid te reserveren.

    En dat zal bij elk mogelijk voorval in 2017 dan ook dé vraag zijn: hebben we te maken met een lone wolf of zijn er directe banden met IS? Gaat het om een groots opgezet IS-plan of zien we copycatgedrag? Het zal de taak van de politie- en inlichtingendiensten er alleszins niet makkelijker op maken…

    Zijn we nu beter gewapend tegen terrorisme?

    We starten 2017 alleszins nog onder dreigingsniveau 3, het op één na hoogste niveau, dat nu al meer dan een jaar geldt voor heel het land. Het betekent dat de dreiging nog altijd ernstig, mogelijk en waarschijnlijk is.

    De groep rond Parijs en Brussel is dan misschien zo goed als opgerold, het gevaar voor een terroristische aanslag is daarmee niet weg genomen.

    En dat gevaar kan uit verschillende hoeken komen. Er zijn niet alleen de zogenoemde lone wolves, maar ook nog de honderden Belgische Syriëstrijders die nog vechten in Syrië en Irak. Hun mogelijke terugkeer zal een nieuwe uitdaging worden.

    Het Brusselse momentum

    Vijf dagen na de aanslagen in Parijs stond de regering Michel klaar met 18 antiterreurmaatregelen. Die moesten een versterking zijn van het pakket dat na Verviers werd aangekondigd. Maar het waren de aanslagen van 22 maart die de juiste mindset creëerden om nieuwe wetgeving ook echt goed te keuren. Het momentum om het wettelijk arsenaal in de strijd tegen terrorisme uit te breiden was er.

    Tegen praktische zaken zoals het einde van de anonieme prepaidkaarten lijkt weinig in te brengen. Maar het valt op dat ook heel wat andere wetswijzigingen gepasseerd zijn zonder de publieke opinie al te veel te beroeren.

    Zo hebben de aanslagen van 22 maart een aantal uitzonderingsregels voor terrorisme geïntroduceerd in ons strafrecht.

    Huiszoekingen

    Denk bijvoorbeeld aan de nachtelijke huiszoekingen voor terroristische misdrijven. Vroeger mocht er na 9 uur ‘s avonds en voor 5 uur ‘s ochtends niet worden binnen gevallen in een woning. Nu kan dat in terreuronderzoeken wel.

    Weinig mensen zullen er van wakker liggen, omdat niemand zich aangesproken voelt. Iedereen denkt dat zo’n nachtelijke huiszoeking alleen maar voor verdachten geldt. Tot je bovenbuur natuurlijk zo’n verdachte is en je kleine kinderen bruusk uit hun slaap gehaald worden.

    Ook de criteria om een terreurverdachte in voorlopige hechtenis te houden zijn soepeler dan voor andere verdachten. Over het waarom lijken nog weinig vragen gesteld te worden.

    De lijst van wat als terroristisch misdrijf gezien wordt, is het voorbije jaar ook stevig uitgebreid. Het aanzetten tot haat en terrorisme is nu strafbaar, ongeacht of iemand rechtstreeks aanstuurt op het plegen van terroristische misdrijven. En ook op het aanzetten tot afreizen naar jihadistische gebieden staan sinds dit jaar gevangenisstraffen.

    72 uur aanhouden

    Eén van de 18 maatregelen die het (nog) niet gehaald heeft, is de verlenging van de termijn om een terreurverdachte vast te houden zonder beslissing van een onderzoeksrechter.

    Nu mag de politie iemand hoogstens 24 uur van zijn vrijheid beroven. Premier Michel kondigde na Parijs aan dat hij voor terreurverdachten een termijn van 72 uur wil. Maar daar waren de geesten dan vreemd genoeg niet rijp voor.

    De onderzoeksrechters zijn alleszins al lang vragende partij om de termijn uit te breiden. België heeft met zijn 24 uur dan ook een veel striktere deadline dan de ons omringende landen. Voor de onderzoeksrechters volstaat 48 uur, lieten ze al weten. Het onderscheid tussen terreurverdachten en “gewone” verdachten mag wat hen betreft ook komen te vervallen.

    Valse schijn?

    Uitzonderlijke tijden vragen uitzonderlijke maatregelen. Daar is heel de regering het over eens. Maar hoé uitzonderlijk die moeten zijn, blijft een discussiepunt, zo bewees het debat over de noodtoestand waarbij gerechtelijke controle naar achteraf verschuift. Mensen aanhouden zonder bevel van een onderzoeksrechter gaat voor alle coalitiepartners buiten N-VA te ver.

    Dé grote vraag voor 2017 en de komende jaren zal zijn of deze maatregelen voldoende zijn om verdere terreur in ons land tegen te houden. Of geven ze ons slechts een perceptie van veiligheid, een valse schijn die snel aan flarden kan geschoten worden? Vandaag kent niemand met zekerheid het antwoord.