Meest recent

    Meisje met een geurtje op een dirty boulevard - Filip Keymeulen

    Straathoekwerker Filip Keymeulen vertelt deze week de verhalen van vijf mensen die hij op zijn pad in Brussel tegenkomt en die hij probeert te helpen. Vandaag: Jolande, een jonge twintiger met kapotgeprikte aders die op straat in onze hoofdstad leeft.
    opinie
    Opinie

    Filip Keymeulen is straathoekwerker bij de Brusselse vzw Diogenes. De verhalen zijn zodanig aangepast dat de mensen niet herkenbaar zijn. De toestanden omschreven in deze teksten zijn dagelijkse kost in de straten van Brussel en alle andere grootsteden in Europa (en daarbuiten).

    Jolande. Net twintig, vel over been, kapot geprikte aders. Een meisje met een geurtje. Ik ben bezorgd en vrees dat ik al vrij snel iets post mortem zal moeten schrijven. Een adieu, een afscheid. Hopelijk wordt het een gevat stuk dat overeenkomt met de indrukken die ze me heeft nagelaten. Ik beschouw het als mijn persoonlijke taak om dit uit te stellen. Zo ver uitstellen dat het niet meer aan de orde is.

    Maar ik was niet goed bezig met mijn queeste. Ik was Jolande zelfs even kwijt en had het te druk om haar te zoeken. Ik kwam genoeg gasten tegen om meer dan voltijds bezig te zijn. Zieke mensen linken aan een dokter en de hiervoor nodige administratieve machine doorlopen, hospitalisaties, kleine succesjes zoals mensen in een nachtopvang krijgen, grote successen zoals mensen in een woning krijgen en houden, aanschuiven aan de gemeente voor een identiteitskaart, bewindvoeringen regelen…

    Agenda vol, kop vol. Maar niet ’s nachts. Dan kwam Jolande aan mijn mouw trekken. Ik veilig thuis in mijn bed, zij ergens in BXL. Ik wil soms niet weten waar en hoe.

    Bij Diogenes kennen we Jolande al lang. Als een schim in metro Louise, in het Zuidstation… We wisten dat ze soms rondhing rond het Noord en Bockstael. Nooit zagen we haar op éénzelfde plek. Meestal was ze omringd door venten met boze blikken. Heel moeilijk te benaderen. Veelal was ze ook gehaast… "Petite pièce de monnaie?"

    Tot ze deze zomer, méér en méér alleen, rondhing en kampeerde in het Noord. Onder stationsmeubilair, in een portiek, ondergronds,… Vieze doordrenkte dekens, zo plat dat je onmogelijk kon geloven dat er iemand onder lag. De anderen hadden op hun manier schrik van haar. Te confronterend, zienderogen opgevreten par "la came".

    Haar aanwezigheid vergemakkelijkte mijn werk met haar. Niet dat ik haar altijd wakker kreeg of dat we iets konden afspreken. Maar ik vond haar tenminste een aantal keren terug. Nooit heb ik haar meegekregen naar waar ik dacht een soort van antwoord op niet-gestelde vragen te kunnen krijgen. OCMW voor een adres en een uitkering, La Mass of iets dergelijks voor methadon, spoed of een dokter voor al de rest.

    Wanneer ik haar vond, sliep ze meestal. Als ze iets of wat reageerde, stelde ik haar koffie voor of fruit, of een sigaret. Ze rookt altijd des CDA. Des Cigarettes Des Autres. Ze is grappig. Soms is ze te speedy om naast te zitten. Dan mist ze een halve euro voor een maaltijd. Ze vraagt aan genoeg mensen "een halve euro" om in een snackbar iets te gaan eten. Maar ze koopt geen snacks met het geld dat ze bij elkaar bedelt.

    Ik ben een aantal keer met haar op stap geweest. Dan ging ze van het Noord naar de Aarschotstraat of naar Zwarte Vijvers. Ik ging dan een eindje mee. Onderweg vertelde ze. Over computerspellen, over haar jeugd, haar mama, haar jeugdrechter. Een machtsstrijd die niemand heeft gewonnen.

    Herhaaldelijke "fugues" en een "tant pis", van diegenen van wie we zouden mogen verwachten dat ze er hun tanden in zouden zetten, tot gevolg. Ik tracht haar iets voor te stellen, een truc om administratief in orde te geraken, om ingeschreven te worden in een mutualiteit. Ze weigert dat niet. Ik heb het er met haar al vaak over gehad.

    Uiteindelijk mag ik contact opnemen met een vrederechter om haar een bewindvoerder te organiseren. Tof, wist ik nu maar waar te beginnen. We nemen afscheid als we zijn waar ze gaat werken of kopen. Ze geeft me een kus en vraagt of ik haar niet laat vallen. "Ne me laisse pas tomber."

    Lokale miserie komt altijd terug

    Haar fourageergebied, het Noordstation en alles daarrond, wordt vaak nogal negatief bekeken. Die plek wordt niet minder omschreven als een schandvlek van de Europese hoofdstad. Men linkt de plaats aan basale mensenbehoeften met aangepaste geuren, met openlijk intraveneus gebruik, bacchanaal van Gordon en Carapils.

    Het gebied is een kruispunt van verschillende werelden. Pendelaars, bewoners, toeristen die denken dat ze verloren zijn gelopen, hangjongeren, daklozen, gebruikers, dealers, andere commerçanten, ordediensten, straathoekwerkers… en dat knettert soms. Geen harmonie. Soms wordt men dit moe. Niet geheel onterecht.

    Er worden maatregelen genomen, telkens opnieuw. Grote opkuis en veiligheidsagenten. Minder last van geuren, ook studenten en andere feestvierders krijgen dan onder hun voeten. Geen hangplek meer voor mensen zonder dak, geen publieke gebruikersruimte meer. Hier en daar nog een bedelaar, maar die worden dan snel het centrum ingejaagd.

    Daar op die momenten, geen nood aan straathoekwerkers meer. Maar net zoals de zee komt en gaat, is dat met lokale miserie ook zo. Dat laat zich misschien even wegjagen, maar dat komt terug. En wij dus ook.

    En zo was ik Jolande kwijt. Verschwunden. Een deel van de gasten had ik aan IJzer gevonden. IJzer is een plek die op geen enkele manier normaal is. Vooral ’s avonds niet. Vrouwenprostitutie, hun klandizie, weeral veel mannen met boze blikken… Als ik naar Jolande vroeg, kreeg ik nietszeggende antwoorden. Of Valerie ook goed is? Stilte. Ik dacht: dit krijg ik hier nooit uitgelegd.

    Tijd gaat voorbij. Snel een aantal weken en plots is het eind november. Woensdagnamiddag had ik gereserveerd. Ik zou een vrij parcours doen om Jolande te vinden. Ik had voordien al contact opgenomen met de daklozenpolitie Herscham met de vraag of zij iets over haar hadden vernomen. Ik had de grote Brusselse ziekenhuizen gecontacteerd. "Bouche-à-oreille". Niets.

    Ik hang rond in de Aarschotstraat, maar vind haar niet. Ik ga naar Zwarte Vijvers en spreek ook daar na een tijdje mensen aan. Ik krijg de vraag of ik van de politie ben, ("pas possible parce qu’il est seul") of ik iets wil kopen ("bonne qualité, pas cher")… Geen Jolande, maar wel enkele nieuwe vrienden die ik later die week terug ben gaan opzoeken.

    Jolande slurpt gulzig ook de soep die ze op haar trui morst

    Een donderdagavond. We werken laat. Mijn collega doet de metrohaltes van de Kleine Ring, ik neem de Noord-Zuid-As. Iemand had me Jolande gesignaleerd. Lemonnier. Ik vind haar vrij snel in een hoek. Slapend. Zichtbaar natte kledij. Ze wordt maar suf wakker. Ik laat haar een paar sigaretten en een appel na, samen met mijn visitekaartje en ga weg.

    Ik zie enkele mensen aan Anneessens, maar ik luister maar half. Ik had haar nu gevonden, maar ik was niet minder bezorgd. Ze leek nog magerder te zijn geworden, nog meer wonden op haar armen, vettige lokken haar. Ik keer terug en ze ligt nog te slapen. Limiet of ik al dan niet een ambulance zou bellen.

    Ik had het Rode Kruis aan Anneessens gezien en had hen gevraagd om nadien in Lemonnier te passeren om Jolande een deken te geven. Ik blijf wachten en word al snel aangesproken door andere mensen, duidelijk gebruikers. Of ik sociaal assistent ben… misschien… of zij in de premetro wonen, ook misschien… Ik voel alweer nieuwe vriendschappen bloeien.

    Het Rode Kruis komt met een soort van catering. Sandwiches en koffie of soep. Mijn nieuwe vrienden nemen dit gretig aan. Ook Jolande wordt wakker en stort zich gulzig op wat haar wordt aangeboden. Soep die gesmost wordt op haar trui, tracht ze nog binnen te werken… Honger heeft een gezicht… Honger tussen tientallen snackbars, op geen 500 m waar ’s anderdaags de kerstmarkt, sorry het winterplezier, zou beginnen.

    Ze wordt uitgenodigd om mee te gaan naar de spoed voor een check-up en eventueel de nacht door te brengen. Ze weigert, maar als ze het haar een uurtje later nog eens zouden vragen, zou ze misschien meegaan. Iemand moet nog iets scoren. Ze krijgt twee warme dekens. Ik ben niet zeker of mijn nieuwe vrienden het haar later niet hebben afgepakt. Ik vraag aan de collega’s van het Rode Kruis om aandachtig te blijven voor haar. We zijn het eens, Jolande is fragiel.

    Het Rode Kruis gaat, ik blijf nog wat. Of ze vaak in Lemonnier zit? Altijd hier! Ik probeer de draad op te nemen waar we die het einde van de zomer hebben laten liggen. Advocaat? Dat ziet ze nog altijd zitten.

    "Als Jolande in een kraakpand zit, heb ik een adres"

    Ik kom de week daarop nog een aantal keren in Lemonnier… "Altijd" blijkt een relatief begrip te zijn, geen Jolande. Tot ik weer de avond doe. Ik vind een andere schaduw van een jong meisje. Weeral of ik éducateur ben, weeral misschien. Of ik spuiten heb. Die heb ik niet. Jammer, echt! Ik vraag of ze Jolande kent, die kent ze en wijst me 50 meter verder op de boulevard een huis aan. Een kraakpand. Jolande zou binnen zijn. Ik ben alleen en het is avond. Ik ga niet binnen.

    Als Jolande effectief in dat kraakpand zit, heb ik een adres. En als ik een adres heb, weet ik welke vrederechter ik kan aanspreken om een bewindvoering te organiseren. Een advocaat die voor haar een uitkering kan organiseren, een adres, een mutualiteit.

    Of we een systeem gaan vinden om haar wekelijks geld te kunnen geven, is op zich niet zo belangrijk. Maar een ziekenkas, een adres, wat spaargeld,… Conditio sine qua non naar een ander leven. Misschien een woning via "Station Logement"...

    Station Logement is een nieuw samenwerkingsproject van Diogenes. In 2017 gaan we aan een aantal bewoners van het metrostelsel een woning met begeleiding aanbieden. Zonder tussenstappen van winteropvang of andere opvangvormen, wat voor deze mensen vaak te hoogdrempelig is, gaan we rechtstreeks naar een woning. Een kamer of studio met begeleiding. Dit is een aanpak dat zowel in Brussel met Housing-First als elders in de wereld zijn doeltreffendheid heeft bewezen.

    Als ik terugkijk op wat ik tot hiertoe heb ondernomen met Jolande, kan ik dat het best vergelijken met een pad plaveien. Een pad dat ze hopelijk ooit bewandelt. Dit is typisch straathoekwerk.

    Er wordt in oorsprong door haar geen vraag tot hulp gesteld. Haar situatie daarentegen is heel interpellerend. Een jonge vrouw, die zich verwaarloost, die zich op een zodanige manier drogeert dat het fataal gaat aflopen. Kan men van haar nog verwachten dat ze een concrete hulpvraag op de juiste plaats stelt? Dit meisje zit echt heel diep!

    Voor mensen zoals Jolande bestaat er straathoekwerk. Zij moet niet naar ons toekomen en moet zeker al geen vraag kunnen formuleren. We zien wel dat er er van alles aan de hand is en dat is genoeg voor ons om in actie te schieten. We gaan haar zoeken, we leren haar kennen en we bieden aan wat we denken dat haar zou kunnen helpen. We bijten ons vast.

    Boodschap van vzw Diogenes

    Diogenes is een Brusselse vzw die aan straathoekwerk doet. Straathoekwerk is een heel eigen manier van werken. Dat is uit je kot komen, op het terrein in contact gaan met mensen om uiteindelijk concrete dingen aan hun situatie te veranderen. De mensen voor wie we dit werk doen, zijn straatbewoners of mensen die de publieke en semipublieke ruimte als privéruimte gebruiken, en dan nog vaak op een voor hen of voor anderen problematische manier.

    Diogenes-vzw, Ninoofseplein 10, 1000 Brussel, 02/502.19.35, https://www.facebook.com/diogenesbxl, asbldiogenesvzw@hotmail.com, http://diogenes.wikeo.be/