Meest recent

    Foto: De opkomst bij Obama in 2009 links, de opkomst bij Trump rechts. Foto: De opkomst bij Obama in 2009 links, de opkomst bij Trump rechts.

    Hoe moeten journalisten reageren op leugens van Trump?

    De inauguratie van Donald Trump levert meteen een nieuw begrip op: "Alternatieve feiten" om niet te moeten zeggen dat er weinig volk was op dat feestje. Een nieuw modewoord, na Post Truth of "spinnen" om te verhullen dat de waarheid maar half of niet verteld wordt? Hoe moet de pers daarmee omgaan?
    opinie
    Leo Neels
    Leo Neels was hoogleraar Communicatierecht bij KULeuven en UAntwerpen.. Hij is CEO van de denktank Itinera

    Leo Neels was hoogleraar Media- en Communicatierecht aan de KULeuven en in UAntwerpen. Hij is lid van de denkgroep Itinera. Co-auteur met Tinneke Beeckman, Marc De Vos en Ivan Van de Cloot, “De verlichting uit evenwicht. Over Waarden en Normen, Vrije Meningsuiting en dominante religies”, ITINERA / Van Halewyck, 2016.

    Journalisten berichten waarheidsgetrouw: dat is de eerste regel van de deontologische code voor journalisten. En inmiddels is "post-truth"  het woord van het jaar voor Oxford Dictionaries geworden. Hoe zijn beide met elkaar te rijmen, in landen met de ruimste persvrijheid? Wordt journalistiek hier een neus gezet, of is het net een kans?

    De betekenis van "post truth" is dat de waarheid er niet langer toe doet en wordt beschouwd als irrelevant. Oxford Dictionaries definieert "post truth" als de omstandigheid "waarin objectieve feiten van minder belang zijn om de publieke opinie te vormen dan een beroep op emoties en persoonlijke aannames".

    Voor Merriam-Webster Dictionary was het woord "truthiness" al in 2006 het woord van het jaar; er wordt mee bedoeld "hartstochtelijk vasthouden aan voorstellingen die waar zijn vanuit een eigen persoonlijke visie, zonder feiten, logica of ander tegensprekend bewijs in aanmerking te nemen". Het gaat erom "iets waar te laten lijken of als waar te laten aanvoelen, ook al is het niet noodzakelijk de waarheid".

    In 2004 beschreef Ralph Keyes in zijn boek "The post-truth Era" de evolutie naar waarheid, leugens, en eufemismen: eufemismen zijn niet waar, maar we nemen ze toch makkelijk voor waar. In plaats van bedrog spreken we van "spin", we zeggen niet meer dat iemand liegt, we zeggen dat hij zich in denial bevindt, in een staat van ontkenning.

    In het post-waarheid-tijdperk vervagen grenzen tussen waarheid en leugen, eerlijkheid en oneerlijkheid, fictie en non-fictie. Anderen bedriegen, aldus Keyes, wordt een uitdaging, een spel, en uiteindelijk een gewoonte…

    Journalist Robert Fisk noemt dat ons vermogen om ons makkelijk een weg te bedenken van waarheid naar leugens (We are not living in a ‘post truth’-world, we are living the lies of others, The Independent, 29 dec. 2016).

    "Post truth" verschilt hier enigszins van. De kern van "post truth" is dat de waarheid er niet meer toe doet, dat men er niet langer om geeft. De term zou al sedert 1992 af en toe in die betekenis gebruikt zijn, en werd nu dé notie van het jaar 2016 omdat het gebruik ervan exponentieel toenam met het brexit-referendum en de Trump-verkiezing.

    Sommige commentatoren wijzen op de verantwoordelijkheid van media en journalistiek; andere voeren aan dat de waarheid onbelangrijk wordt geacht door het publiek. Dat leidde in de media tot de suggestie van domme kiezers, terwijl redacties minder in eigen hart keken.

    De bubbels van het eigen gelijk

    De analyse is wat complexer. Sociale media creëerden "echokamers", waarin mensen zich opsluiten in bubbels van het eigen gelijk, en de vaardigheid verleren om hun mening aan andere meningen te toetsen en bij te leren.

    Sociale media hebben ook geen "poortwachters", die informatie toetsen op waarachtigheid. Ze reproduceren voornamelijk emotionele reacties, en als het al om opinies gaat, doet het er niet toe of die nog rusten op een feitelijke grondslag.

    Sociale media zijn voor de gevestigde journalistiek een complexe uitdaging, omdat ze snel gaan, aandacht trekken door het extreme, radicale en gevatte, en inderdaad, voorrang geven aan emotie boven feiten. Dat zou de ruimte voor degelijke journalistiek moeten vergroten, maar te veel wordt in die kringen geaarzeld met de keuze voor de eigen potentiële sterktes: kwaliteit in plaats van snelheid, toetsing in plaats van emotie, nauwkeurigheid in plaats van opiniebrij.

    Het is een ongelijke strijd tussen vrij beschikbare tweets en bites tegenover betaalmodellen van duur redactioneel werk en kapitaalintensieve publicatietechnieken. Toch is er geen goede reden voor professionele journalistiek om de bepaling van nieuwsselectie, toon en niveau zozeer over te laten aan de amateurs van de sociale media en eigen sterke punten te laten eroderen.

    Postmodernisme schiet journalistiek in de voet

    De uitzonderingen in de media bevestigen de regel, maar hun journalistieke bijdrage doet er nu minder toe. Op europe.newsweek.com van 21 november schreef prof. Andrew Calcutt van de University of East London de ontwikkeling toe aan zogenaamde progressieve intellectuelen die een nieuwe vorm van kennisbeperking creëerden, de "post truth".

    Waarachtigheid werd in diskrediet gebracht en vervangen door ieders waarheid, vele mogelijke waarheden, vaak gepersonaliseerd en altijd gerelativeerd. Prof. Van Middelaar (DS 3 jan.) wijst naar de linkse cultuurwetenschappelijke elite die vanaf de jaren 70 élke waarheid als constructie wegzette, en naar het postmodern intellectueel sloopwerk dat elke identitaire groep eigen perspectief en waarheid gaf.

    Deze gesel van het postmodernisme werd de heersende denktrant in de journalistiek, waarin men de objectiviteitsgedachte als een anachronisme verliet en zelfs de zoektocht naar aannemelijkheid wegrelativeerde ten voordele van eigen waarheden.

    Politieke bubbels

    Dat was de ideale omgeving voor politieke bubbels, zoals die van Bush en Blair met hun spin rond Irak, en voor de financiële bubbels van de grote bancaire geesten. Deze bubbels konden verder opgeblazen worden omdat de meegaande journalistiek hier in onvoldoende mate kritisch op reageerde.

    Politiek werd grotendeels “regeren door middel van public relations, spindoctors en maakbare waarheden”. Feiten hinkten achterop, en werden langzaam gelijkgesteld met de magere voorwendsels – remember Lady Tina, ‘There is No Alternative’ - waarmee beleidsbeslissingen werden gerechtvaardigd. In het kielzog van “post truth” werden die voorwendsels door het publiek ook niet meer aanvaard, en ontstond verzet tegen experten en elites.

    De procedurele republiek

    Democratie vervelt dan van een project dat op een gedegen maatschappelijk draagvlak berust tot een procedurele republiek, zoals Michael Sandel dat noemt. De restdemocratie bestaat dan nog uit de formele processen, het gemeenschapsleven stokt.

    De verzorgingsstaat, die nog grotere beloften over individuele rechten inhoudt, kon eigenlijk maar bestaan bij grote betrokkenheid van alle burgers. Maar tegelijk suggereerde de toename van individuele rechten een zelfbeeld dat geen betrokkenheid bij het algemeen belang meer zou vergen. Daarmee verliest de procedurele staat zijn moreel discours, en dat inspireert een gevoel van onbehagen en machteloosheid.

    Anti-elite-elite

    De postmodernistische denktrant ondermijnt het vertrouwen in de elite via een soort ‘anti-elite-elite’. In dat gecultiveerde vertrouwensvacuüm gedijt populisme. Ook in het verleden zijn intellectuele elites medeplichtig geweest aan ondermijning van instellingen en democratie (J. Benda, La trahison des clercs, 1927 (!)).

    Democratische politiek kan niet functioneren zonder een democratische politieke elite die de waarden van democratie internaliseert en die door andere elites daarin wordt gerespecteerd en daarop wordt afgerekend.

    Afhakende burgers

    De commodificatie van maatschappelijke zaken heeft de burgers gedesoriënteerd en ze voelen zich niet gehecht maar verstrikt. Alles lijkt verkrijgbaar tegen een prijs, maar het gevoel van betrokkenheid verdampt.

    Met daaroverheen een budgettaire crisis en de afremming van de groei van verkrijgbare voordelen versplintert het publiek en blijft het ongeorganiseerd en verweesd achter.

    De institutionele lasagne van kibbelende regionale, nationale en Europese bureaucratieën zonder gemeenschappelijk doel illustreert de afwezigheid van een robuust maatschappelijk project zodat het publiek nog weinig heeft om in te geloven. Een klimaat van neergang en declinisme, zoals prof. Elchardus dat noemt, kan dan makkelijk postvatten.

    Het vertrouwen dat rust op de morele legitimiteit van goed bestuur en de daadwerkelijke daadkracht van goed beleid, roest dan weg, zoals prof. Huyse schreef: burgers nemen niet meer aan dat politici en instituties dienstbaar zijn aan de totstandbrenging en de deling van welvaart en vrijheid (Kim Putters, Land tussen hoop en vrees, Dreeslezing 2016).

    Vertrouwen als morele biomarker

    Vertrouwen vergt een gemeenschappelijke feitenbasis, een gedeelde waarheid die tot stand wordt gebracht door wetenschap, onderwijs, justitie en media – die samen een waarheidsproducerende infrastructuur van de samenleving zijn en die een zekere basis van consensus bouwen.

    Vertrouwen vergt een geöliede machine van instituties die elk hun taak vervullen en verantwoordelijkheid nemen, zoals legitieme en daadkrachtige overheden, de markt met verantwoordelijke private ondernemers, een op algemeen belang gericht middenveld van stakeholders, en burgers met hun eigen verantwoordelijkheid. Dan zijn ieders rechten gebaseerd op een substantieel moreel oordeel over het doel dat met die rechten is gediend.

    Vertrouwen is dus een goede biomarker voor de morele status van een democratie.

    Een recente meting situeert het vertrouwen van Vlamingen in hun federale en Vlaamse politieke instituties en bemanning onder de 25% (VRIND-Indicatoren 2016); internationale vertrouwensmetingen (GfK, Edelman Trust Barometer) bevestigen zulke cijfers. Die wettigen een onmiddellijk crisisberaad van alle instanties en forse herbronning, terwijl wordt volstaan met een koele aktename.

    Ook journalisten schaatsen op dun ijs en zijn hun vertrouwensbasis kwijt. In de GfK-meting drukt nog slechts 41% van de bevolking (Europa) zijn vertrouwen in journalisten uit, in de Vlaamse Indicatoren nog 30%. Dat is een ernstige toestand, omdat media behoren tot de instituties die het maatschappelijk draagvlak mee moeten onderhouden.

    Die toestand is ernstig, en een democratische rechtsstaat kan zich geen vertrouwensvacuüm permitteren. Op de website van Columbia Journalism Review inspireerde het prof. Jill Geisler tot tien aanbevelingen voor redactiemanagers. Crisisberaad in de redactielokalen of ook hier koele aktename?

    Last but not least, de rattenvangers zijn terug: populisten van links en rechts, zwendelaars in illusies, grote monden met een postmoderne retoriek maar zonder waarde of plan, debiteren post truth-waarheden per dozijn.

    Demagogen van allerlei slag voeden bij steeds groter wordende groepen de illusie dat het volstaat hun eigen rechten radicaal op te eisen, en die van anderen te beperken. Die anderen kunnen dan iedereen zijn: de elite, de rijken, personen met een andere herkomst, huidskleur of religie.

    Onbeperkt meerderheidsbewind onder leiding van de nieuwe leider zal alles oplossen, zo toeteren ze, en ze vloeken op de checks and balances van de instituties: actieve rechters of hatelijke journalisten worden weggezet als nep of hinderlijk.

    Populisten benoemen zichzelf als de gepriviligieerde vertalers van de nieuwe volkswil die vooral tégen veel is. Ze beroepen zich overal opnieuw op de ethnisch zuivere staat – al kennen we de resultaten van hun demagogische voorgangers, van fascistische tot communistische signatuur, die, zonder uitzondering, de grote massa’s in onvergetelijke ellende hebben gestort.

    We zien een opmerkelijke vloed van imitatoren, mooipraters en grossisten in belachelijk makkelijke oplossingen: Petry, Le Pen, Grillo, Wilders en op Belgisch niveau de Dewinters, Hedebouws en konsoorten.

    Het simplisme verleidt, terwijl hun voorgangers toch vooral voor zichzelf resultaten hebben neergezet, nooit voor hun volk.

    Brexit en Trump zijn de resultaten van jarenlange negatie van de vertrouwenserosie in politiek. Welke lessen trekken onze partijen en politieke leiders daaruit? En wat kan de lering zijn voor journalistiek?

    En zo vinden individuele rechten weer aansluiting bij hun origine: een dam tegen misbruik van macht en intrusie van autoriteiten tegen persoonlijkheidsrechten.

    Ook moeten we ons realiseren dat beleid moet rusten op waarheid en waarachtigheid, en op een solide waardebasis die een democratie en rechtsstaat kan dragen.

    Feiten blijven sterk. Waarden blijven kwetsbaar. Democratie bestaat maar mét respect voor rechten, en beide vergen voortdurende zorg en waakzaamheid als we willen vermijden dat de angst van de dag de wijsheid wegspoelt waarop democratisch bewind gebouwd is.

    Die waarden maken de behoefte aan degelijke journalistiek opnieuw groot, journalistiek die de sociale media niet naloopt in post-truth en relativerend postmodernisme, journalistiek die de moed terugvindt van een overtuiging van waarden en ethiek.

    Bites en tweets zijn daarin niet langer normstellend, en redacties moeten hun tijd niet langer verdoen met "trending topics": laat links liggen, die linke handel in emo en opinio zonder ethische bodem, kies voor je sterke kanten.

    We hebben geen krachtiger antidotum dan de restauratie van de waardegedragen feitenbasis van de democratische rechtsstaat, en het daarop rustend degelijk publiek debat.