Meest recent

    Europa moet kiezen: veiligheid dankzij wapentuig of dankzij diplomatie?

    Vandaag legt de voorzitter van de Europese Commissie, Jean-Claude Juncker, zijn witboek EU27 op tafel over de toekomst van de EU na de brexit. Eén van de vragen is: hoe Europa nu te verdedigen? Zoals Trump het wil, met wapentuig, of zoals Europa al lang verkiest: met diplomatie?
    opinie
    Hendrik Vos
    Hendrik Vos en Rob Heirbaut schrijven om de twee weken beurtelings een opinietekst, respectievelijk analysetekst, over Europese politiek. Vos is hoogleraar aan de Universiteit Gent, waar hij directeur is van het Centrum voor EU-studies. Heirbaut is VRT-journalist, gespecialiseerd in de EU.

    Hendrik Vos en Rob Heirbaut schrijven om de twee weken beurtelings een opinietekst, respectievelijk analysetekst, over Europese politiek. Vos is hoogleraar aan de Universiteit Gent, waar hij directeur is van het Centrum voor EU-studies. Heirbaut is VRT-journalist, gespecialiseerd in de EU.

    Europa moet meer investeren in defensie. Dat zeggen de Amerikanen al lang, maar nu lijkt het hen menens. Minister van Defensie James Mattis kwam in Brussel vertellen dat alle NAVO-landen hun engagement moeten nakomen en 2% van hun bbp aan defensie uitgeven.

    Vicepresident Mike Pence herhaalde het nog eens in München en op Hertoginnedal. Het is niet altijd makkelijk om veel lijn te ontdekken in het gebrabbel van president Trump, maar als het over defensie-inspanningen gaat, is hij wel duidelijk: als de Europese landen niet meer spenderen aan hun legers, moeten ze er niet op rekenen dat Amerika de gaten blijft dichtrijden.

    Ga daarmee naar de oorlog

    Op het eerste gezicht hebben de Amerikanen wel een punt. Trump is niet de eerste die Europa verwijt dat het profiteert van de inspanningen van Washington. Al sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog schuilt Europa onder de Amerikaanse defensieparaplu. De VS wilden de westerse invloedssfeer intact houden en kwamen bij incidenten altijd tussenbeide, ook als het eigen grondgebied niet rechtstreeks bedreigd werd.

    In Europa stond defensie minder hoog op de prioriteitenladder. Er werd een welvaartsstaat uitgebouwd en gaandeweg werd er meer geïnvesteerd in sociale bescherming en onderwijs. Het gevolg was dat de Europese landen als freeriders werden beschouwd. Als er een veiligheidsprobleem zou opduiken, zou de NAVO immers optreden. De Amerikanen dus.

    De rekening betalen

    Binnen de NAVO is afgesproken dat landen minimaal 2% van hun bbp aan defensie moeten besteden, maar de meeste van de bondgenoten trekken zich daar niet veel van aan. De Amerikanen zelf gaan het verst, met 3,6%. Op de tweede plaats staat Griekenland, met 2,4%. De Britten, die straks de EU verlaten, staan op nummer drie. Daarnaast halen enkel Estland en Polen nog de 2%. België bengelt onderaan, met 0,85%, een cijfer dat bovendien in dalende lijn zit.

    Enkel Luxemburg geeft verhoudingsgewijs nog minder uit aan defensie, met 0,44%. Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker gaf het vorige week tijdens een debat in het Belgische parlement nog toe: het Luxemburgse leger telt amper 771 manschappen, de minister van defensie inbegrepen.

    Achtentwintig muziekkapellen

    De kans dat de EU-lidstaten straks die bewuste 2% halen, is onbestaande. Zelfs met een verdubbeling van het defensiebudget zou België nog niet in de buurt zitten. Er zou hard en massaal bespaard moeten worden op allerlei andere fronten en dat is politiek onhaalbaar. Ook grote lidstaten als Spanje, Italië of Duitsland moeten hun legeruitgaven min of meer verdubbelen om de norm te halen. Ondenkbaar.

    De vraag is of een verhoging van de defensiebudgetten wel de belangrijkste uitdaging is voor Europa. Alle lidstaten samen geven momenteel iets minder dan de helft uit aan defensie, in vergelijking met de Amerikanen. Dat is nog best een fatsoenlijk bedrag. Het is bijvoorbeeld ongeveer vier keer meer dan wat Poetin jaarlijks besteedt aan zijn leger.

    Maar Europa bereikt slechts 10 à 15% van de effectiviteit van de Verenigde Staten. Dat komt omdat alles in Europa erg versnipperd is. Er zijn bij wijze van spreken achtentwintig defensiebudgetjes, achtentwintig landmachtjes, achtentwintig zeemachtjes, achtentwintig luchtmachtjes en achtentwintig muziekkapellen. Efficiënt is anders.

    Omdat de budgetten zo verdeeld zijn, lukt het amper om in Europa zwaar en modern materieel te kopen, zoals vliegtuigen die elkaar in de lucht kunnen bijtanken. Het schijnt dat zoiets tegenwoordig nodig is in oorlogssituaties, maar het is gewoon te duur voor het budget van één lidstaat.

    Elk Europees land koopt wat het wél kan betalen. Tanks bijvoorbeeld. We hebben bijgevolg veel te veel tanks.

    Als de Amerikanen willen dat de Europeanen meer bijdragen tot de collectieve verdediging, dan hoeven ze niet meteen aan te dringen op het optrekken van de militaire uitgaven. Ze zouden ook kunnen pleiten voor meer Europese samenwerking.

    Als de landen meer gezamenlijk zouden doen, valt er nog veel winst te rapen. Maar voor meer Europese integratie lijken Trump en zijn administratie niet te pleiten. Integendeel, een verdeeld Europa komt hen blijkbaar best uit. Versnipperde en dus weinig efficiënte defensie-inspanningen zijn daar een logisch gevolg van.

    Vliegdekschip of diplomaat?

    Er is nog een reden waarom de 2%-norm van de NAVO niet zo absoluut bekeken moet worden. Een uit de kluiten gewassen defensie is immers geen finaliteit op zich. De bedoeling is om ons te beschermen tegen allerhande bedreigingen.

    De Europese Unie heeft daar een strategie rond uitgewerkt, waarin ze verduidelijkt dat een veilige wereld niet alleen maar te maken heeft met sterke legers. Europa probeert vooral in te zetten op preventie: via ontwikkelingsbeleid, humanitaire bijstand of eerlijke handel probeert het, althans naar eigen zeggen, van de wereld een meer stabiele plek te maken.

    Simpel gezegd: tegen brandgevaar kan je je beschermen door een grote brandweer uit te bouwen, maar je kan ook prioriteit geven aan rookdetectoren en preventieacties, waardoor er simpelweg minder branden ontstaan.

    De Unie hangt van zichzelf graag het beeld op dat ze een ander soort buitenlands beleid voert dan de Verenigde Staten. Als er een akelig en bedreigend conflict is in de wereld, zullen de Amerikanen geneigd zijn om er een vliegdekschip naartoe te sturen en een operatie te lanceren, met bommentapijt en al.

    De Europeanen zullen het anders aanpakken: zij sturen een diplomaat met een valies vol ontwikkelingshulp en een investeringsplan. Op die manier hopen ze de angel uit het probleem te halen.

    Ontwikkelingshulp?

    In VN-verband beloofden de ontwikkelde landen om 0,7% van hun bbp aan ontwikkelingssamenwerking te besteden. Er zijn niet veel landen die deze norm halen. Zweden is koploper, met 1,4%. De Luxemburgers, die onderaan bengelen op het vlak van defensie, geven 0,9% van hun BBP aan ontwikkeling. België bengelt achterop, met 0,4%. Maar de Verenigde Staten halen zelfs geen 0,2%.

    In absolute cijfers geven de lidstaten van de Europese Unie vlotjes het dubbele uit van de Verenigde Staten.

    Met andere woorden: veiligheid organiseer je niet met een sterk leger alléén. De grootste militaire vermogens hebben niet kunnen verhinderen dat de Verenigde Staten op 9/11 het slachtoffer werden van de meest spectaculaire terreuraanslag uit de moderne geschiedenis.

    Van de nood een deugd

    Er zit natuurlijk enig opportunisme in de Europese invulling van veiligheidsvraagstukken. Er is in de Unie geen krachtig leger, en dus worden andere aspecten benadrukt.
    Soms gaat de redenering nog verder: als er grote militaire vermogens zouden worden ontwikkeld in Europa, dan zou de Unie door de rest van de wereld met meer wantrouwen bekeken worden. Dat zou kunnen leiden tot meer globale instabiliteit.

    Zolang de Unie geen krachtig en duidelijk aangestuurd buitenlands beleid heeft, is de uitbouw van een gemeenschappelijke defensie bovendien voorbarig. Het belangrijkste onderscheid tussen een leger en een roversbende is dat een leger in principe politiek wordt aangestuurd.

    Omdat er in Europa momenteel zo geen sturend buitenlands beleid bestaat, is de gedachte zelfs wel wat griezelig: als de defensie gezamenlijk wordt uitgebouwd, wie zal er dan richting aan geven? Uit de kluiten gewassen legers dienen immers niet om in de garage te staan en twee keer per jaar op oefening te trekken door de Ardense bossen.

    Europa heeft dus een antwoord op Amerikaanse kritiek

    Als de Amerikanen nog eens zeggen dat er meer geld naar het leger moet gaan, kan er vanuit Europa best wel een krachtig antwoord worden gegeven: het opschroeven van de defensie-inspanningen maakt van de wereld niet onmiddellijk een betere en veiligere plek.

    Meer samenwerking tussen de lidstaten zou wel leiden tot grote efficiëntiewinsten. De bal kan ook worden teruggekaatst: misschien moeten de Amerikanen maar eens wat meer inzetten op ontwikkelingssamenwerking of diplomatie.

    Heilig Europa?

    Maar helemaal heilig is Europa toch ook niet. Het Europees handelsbeleid staat, voorzichtig gezegd, niet alleen in het teken van ontwikkeling. Als er wat te verdienen valt, exporteren lidstaten heel wat wapens, zelfs naar instabiele plekken in het Midden-Oosten.

    Er zijn ook in de Unie amper landen die de VN-afspraak respecteren en de beloofde 0,7% aan ontwikkelingssamenwerking besteden. Ontwikkelingsgeld wordt tegenwoordig ook als pasmunt gebruikt in het vluchtelingendebat: pas als ze in Afrika hun grenzen beter controleren, zit er steun in. Budgetten die eigenlijk bedoeld zijn om mensen een beter leven te geven, worden nu gebruikt om prikkeldraad te financieren.

    Grote groepen radeloze mensen staan net buiten de Unie voor een hoge afrastering. Of dat de stabiliteit ten goede komt, is nog de vraag.