Meest recent

    Steven Dierckx: "Mijn zeven lessen, zeven jaar na kanker"

    "Zal ik u -zo onder ons- een klein geheim verklappen? Ik verjaar twee keer per jaar: al ruim een halve eeuw op 30 mei, en nu voor het zevende jaar op rij ook op 6 maart. Want 6 maart 2010 is het pijnlijke begin van mijn tweede leven, mijn geleende leven." Collega Steven Dierckx over zijn ziekte.
    IMA PICTURES

    Op die bewuste zaterdag wordt plots de bodem onder mijn voeten uitgeslagen. Ik blijk een vergevorderde lymfeklierkanker te hebben, met een grote tumor die zich midden in mijn lijf genesteld heeft, pal onder mijn borstbeen, en met uitzaaiingen naar mijn linkerlong en enkele buikklieren.

    Ik heb veel geluk, want ik weet te overleven. Na bijna een half jaar chemotherapie ben ik in complete remissie. Dat betekent dat er geen kankercellen meer in mijn lichaam gevonden worden. Na vijf jaar word ik ‘genezen’ verklaard, en nu ben ik – hout vasthouden – nog altijd gezond. Tijd voor een terugblik: zeven mijmeringen bij mijn zevende verjaardag …

    Een kwetsuur, een cesuur

    De dag van mijn diagnose – een troosteloze zaterdag - is een keten van beelden die verstild staan op mijn netvlies: hoe de dokter een vuist maakt om de grootte van mijn tumor aanschouwelijk te maken; hoe ik met een krop in de keel naar mijn ouders bel om het slechte nieuws te melden; hoe ik enkele uren later uitbarst in een hevige huilbui waarin zich alle opgehoopte emoties ontladen; hoe ik verbazend nuchter en rustig op de sofa zit, als ik na de middag bij een vriendin langsga; hoe ik ‘s avonds samen met mijn beste vriend in de buurtwinkel mijn lievelingsijs ga kopen; hoe mijn vriend op weg naar de kassa een knuffelbeest meepikt dat een onafscheidelijke mascotte zal worden in de strijd die mij te wachten staat…

    Kanker krijgen, zeker in een vergevorderd stadium, is al bij al een traumatische ervaring: de diagnose wordt een kwetsuur die voor altijd een cesuur slaat in je persoonlijke levensgeschiedenis. Er is alleen nog voor en na. Er is alleen nog voor de kanker en na de kanker. Voor de kanker leek alles vanzelfsprekend; na de kanker is niets nog vanzelfsprekend: niet je blakende gezondheid, niet je kloppende hart, niet het leven zelf.

    Wonder van de wetenschap

    Het mag een klein wonder heten dat ik nog leef. En dat heb ik helemaal te danken aan de grote vooruitgang die de geneeskunde de laatste decennia heeft geboekt in de strijd tegen kanker. Mijn eigen behandeling is daarvan een illustratie: samen met de chemotherapie krijg ik telkens een antistof toegediend die op dat moment nog vrij nieuw is. De antistof herkent een kenmerkend eiwit op de kankercellen, identificeert op die manier deze cellen, en stimuleert het afweersysteem om de kankercellen aan te vallen en te vernietigen.

    Mijn lichaam reageert ontzettend goed op de behandeling. Na twee chemokuren is de grote tumor in mijn borstkas al zo goed als verdwenen. En na zes kuren ben ik vermoedelijk in complete remissie. Door chemotherapie te combineren met een antistof zijn de genezings- en overlevingskansen voor patiënten met mijn type kanker duidelijk verbeterd.

    De medische vooruitgang laat zich trouwens aflezen in algemeen hogere overlevingscijfers: door betere behandelingen, maar ook door vroegtijdige opsporing van kankers. Vijf jaar na de diagnose – de kritieke periode voor de meeste kankerpatiënten – zijn ruim zes op de tien mannen en bijna zeven op de tien vrouwen in Vlaanderen nog in leven.

    En dat zijn dan nog cijfers van enige jaren geleden; de actuele overlevingscijfers liggen wellicht nog iets hoger. Kanker eist nog altijd een hoge tol, een té hoge tol. Maar alsmaar meer mensen leven ná kanker of leven mét kanker.

    Family first

    Niets is vanzelfsprekend als je kanker krijgt, behalve de onvoorwaardelijke steun van je naaste familie. Het is ook een beeld dat in mijn geheugen gegrift staat: de moeizame tocht door de lange ziekenhuisgangen, enkele dagen na mijn diagnose, op weg naar de afdeling waar ik zal worden opgenomen.

    Onderweg moeten we halt houden om te rusten: ik, snel buiten adem en erg verzwakt door de tumor die in mijn lijf woekert; en mijn moeder, toen al een eind in de zeventig, en zeulend met de valies die ik niet meer in staat ben om zelf te dragen.

    Ook na mijn eerste, wekenlange ziekenhuisverblijf staan mijn moeder en vader op de eerste rij om mij bij te staan. Het is de omgekeerde wereld: op een leeftijd waarop een kind voor zijn ouders hoort te zorgen, nemen ze mij een half jaar lang liefdevol in huis en omringen ze mij opnieuw met de beste zorgen. Als het er écht toe doet, zijn mijn ouders als beschermengelen die meer dan ooit over mij waken.

    Vrienden en vreemden

    Als je kanker hebt, is de steun van je naaste familie levensbelangrijk. Maar ook de steun van vrienden en collega’s is een hart onder de riem. Een kaartje, een mailtje, een sms’je: het kan zoveel deugd doen, als je machteloos in de touwen ligt.

    Toch is het een besef waar ik zelf nog te weinig naar handel. Na mijn eigen ziekte-ervaring zou ik beter moeten weten, maar in de dagelijkse rat race maken we te weinig tijd voor wat echt van tel is.

    Mijn beste vriend doet meer dan van een mens verwacht mag worden. Na mijn diagnose wijkt hij drie dagen en drie nachten lang niet van mijn zijde. Zonder omhaal van woorden is hij begripvol aanwezig. Hij is er gewoon, en dat is meer dan genoeg. Zijn trouwe gezelschap op dat keerpunt in mijn leven is het mooiste geschenk dat hij mij ooit heeft gegeven.

    Een andere vriend laat het helaas helemaal afweten: hij geeft geen teken van leven meer. Ik koester daar geen wrok over, want ik heb het zelf best moeilijk om het rauwe lijden recht in de ogen te kijken, als het anderen overkomt.

    En toch: na mijn ziekte zie ik hem nog een paar keer terug, maar er is iets gebroken. Wie zich een vriend noemt, maar in je donkerste dagen geruisloos uit beeld verdwijnt, beschadigt willens nillens voorgoed de vriendschap.

    Het omgekeerde gebeurt ook: een kameraad met wie ik een eerder losse band heb, blijkt zich in die moeilijke maanden te ontpoppen tot een standvastige strijdmakker. Hij is intussen een goede vriend geworden. Kanker is een onverbiddelijke scheidsrechter: sommige kameraden worden vrienden; en sommige vrienden worden kameraden, of in het slechtste geval vreemden.

    Eens patiënt, altijd patiënt

    ‘Stadium IV, high-risk’ : zo staat het na mijn zesde chemokuur zwart op wit in een verwijsbrief onder gesloten omslag voor mijn huisarts, die ik wijsneuzerig heb opengemaakt. Ook als ik na de chemo in complete remissie ben, heb ik nog 50 procent kans om te hervallen, zo blijkt. Het is mentaal een even grote opdoffer als mijn kankerdiagnose.

    Als (ex-)kankerpatiënt heb ik leren leven met de angst om te hervallen. En die angst is tweevoudig. Ik weet dat ik in dat geval een zeer zware behandeling moet doorstaan, die het uiterste van mijn lichaam zal vergen. En vooral is er het besef dat mijn prognose op lange termijn er niet op verbetert, als mijn kanker terugkomt.

    Vooral in de eerste jaren kan de angst om te hervallen mij helemaal in de ban houden. In de weken vóór mijn diagnose heb ik last van onverklaarbare, hevige jeuk : geen typisch, maar een vaak voorkomend symptoom bij lymfeklierkanker. En na mijn behandeling blijft die jeuk geregeld terugkomen, alsof mijn lichaam een geheugen heeft. In het begin is het een ronduit beangstigend alarmsignaal, maar bij controles blijkt er keer op keer niets aan de hand te zijn.

    De tijd is mijn onbetwiste bondgenoot: hoe langer ik vrij van kanker blijf, hoe kleiner de kans dat ik herval. En naarmate de jaren verstrijken, gaat de angst wegebben dat de kanker terugkomt.

    Maar hij kan plots weer brutaal de kop opsteken: als ik naar de jaarlijkse controle moet, als ik weer eens last krijg van felle jeuk, of als iemand uit mijn kennissenkring hervalt of – erger nog – aan kanker overlijdt.

    Het kleine gevecht

    Ik ben gezond, en daar ben ik dubbel en dik dankbaar voor. Maar ik blijf wel worstelen met de typische vermoeidheid van (ex-)kankerpatiënten. Ik heb meer slaap nodig dan vroeger, en ik probeer daar ook goed op te letten.

    Maar dan nog is vroeg opstaan om naar het werk te gaan vaak een klein gevecht. Al weet ik dat de vermoeidheid meestal langzaam van mij afglijdt na het vertrouwde ochtendritueel van douche, ontbijt en koffie.

    Af en toe bekruipt mij de lust om gewoon thuis te blijven en door de dag te slapen. Ik probeer daar zo weinig mogelijk aan toe te geven. Maar soms haak ik toch af, omdat het gewoon niet lukt om nieuwe energie aan te boren. En dan is het schuldgevoel nooit ver weg : want moe zijn is niet ziek zijn toch?

    Elke vergelijking loopt mank, maar het is alsof ik weer met een ietwat aftandse auto ben gaan rijden. Mijn motor is een oude diesel zonder turbo, die trager optrekt dan vroeger. En als ik lange afstanden moet doen, is mijn tank ook sneller leeg dan vroeger.
    Met vallen en opstaan leer ik luisteren naar mijn lichaam. Met vallen en opstaan leer ik omgaan met de nieuwe grenzen die mijn lichaam onbuigbaar en onwrikbaar heeft afgebakend. Want als ik in het rood ga, moet ik dat onvermijdelijk bekopen en heb ik veel tijd nodig om te recupereren.

    "Je wordt ook ouder," krijg ik wel eens te horen, als het over mijn vermoeidheid gaat. Ja, dat zal wel, en de opmerking is ook goedbedoeld. Maar ze bagatelliseert de reële vermoeidheidsproblemen waar (ex-)kankerpatiënten ook jaren na hun behandeling nog mee te kampen kunnen hebben.

    Weerbarstige aard

    Kanker krijgen heeft mijn prioriteiten enigszins herschikt. Ik leer om minder hooi op mijn vork te nemen dan vroeger en genoeg rustpunten in te bouwen. Werk, prestatie en prestige zijn nu minder belangrijk. En ik probeer meer ruimte vrij te maken voor familie, vrienden en vrije tijd. Al speelt mijn vermoeidheid mij daarbij af en toe parten.

    Toch blijft er de weerbarstige aard van het beestje. Kanker krijgen heeft mij als mens niet fundamenteel veranderd. Kanker krijgen doorbreekt niet de diepgewortelde gedragspatronen die de tijd een halve eeuw lang geduldig geboetseerd heeft.

    Ik word nog te vaak in beslag genomen door de dagelijkse beslommeringen, en laat mij nog te makkelijk meeslepen in de dagelijkse sleur. Maar meestal kan ik beter relativeren dan vroeger : zolang ik maar gezond blijf … En meer dan vroeger leef ik ook met het besef dat het leven fragiel is en elke dag aan een zijden draadje hangt.