Meest recent

    Wat vinden gastarbeiders van mijnwerkersdochter Zuhal Demir?

    De mijnwerkersdochter die zich opwerkt tot staatssecretaris en de eed aflegt bij de koning mét een mijnwerkerssjaaltje rond de pols. Het verhaal van Zuhal Demir zou inspirerend moeten zijn voor iedere allochtone Vlaming. Maar is dat wel zo? Wij gingen op zoek naar mensen die haar migratieachtergrond delen om te polsen naar hun mening over de nieuwe staatssecretaris. En die blijkt vrij verdeeld.

    "Ontzettend knappe prestatie", zo reageren de meeste mensen met andere roots als we hen vragen wat ze vinden van de carrière van rijzende ster Zuhal Demir. Toch lijken de standpunten en uitspraken van de Turks-Koerdische politica net bij diezelfde groep evenwel op felle kritiek te stuiten. Vooral als ze het heeft over moslims die zich niet kunnen integreren of als ze pleit voor een harde aanpak van de vakbonden.  

    "Ze mag fier zijn op haar afkomst"

    Zeker in Genk - de geboortestad van Demir - ging de plotse promotie van parlementslid naar staatssecretaris niet onopgemerkt voorbij. "Het is een ambitieuze vrouw", vindt Fernando Marzo (66). "Ze is terecht fier op haar migratieachtergrond. Maar met haar huidige standpunten over migranten, slaat ze de bal helemaal mis."

    De Genkenaar is geboren in Italië, maar emigreerde in 1970 naar België. "Niet omdat ik dat per se wilde, maar simpelweg omdat heel wat familieleden toen naar België trokken om er te werken", vertelt hij. "Mijn moeder had me wel verboden om in de mijn te gaan werken. Dat was levensgevaarlijk en ze had haar enige broer al verloren bij een ongeval in de mijn van Charleroi."

    En dus solliciteerde Fernando bij het intussen ter ziele gegane Ford Genk, waar ie meer dan dertig jaar doorbracht. "De Ford was toen een sociaal laboratorium", zegt Fernando. "Je kwam er in contact met allerlei mensen, talen en culturen."

    "Soms is ze wat gevoelloos"

    Een mooi Turks-Koerdisch meisje uit "zijn Waterschei" dat het tot staatssecretaris schopt, noemt Fernando "een prachtige zaak". "Toch is het heel jammer dat ze de tragische kant van het migratieverhaal soms uit het oog verliest." Zeker in een postindustrieel gebied als Limburg blijkt die historie zéér belangrijk.  

    "Haar benadering is op dat vlak wat gevoelloos. Suggereren dat migranten maar wat meer inspanningen moeten leveren als ze het willen maken in het leven, klinkt wat misprijzend." Dat Demir de Genkse wijk Waterschei in een interview in De Standaard ook eens omschreef als een getto, noemt Fernando bij de haren getrokken. "Ik heb in dezelfde straat gewoond als de familie Demir en heb er enkel goede herinneringen aan."

    "Zuhal heeft het enorm ver geschopt"

    Op een steenworp van het ouderlijk huis van Zuhal Demir - in Waterschei - vertelt Ali Gezici zijn verhaal. "Onze familie was één van de eerste Turkse gezinnen in Genk. We wonen hier al sinds 1966, toen er nog heel wat huizen gewoon leegstonden in de cité."

    De vader van Ali was mijnwerker. "Toen ik 16 jaar werd, studeerde ik af aan het Technisch Instituut van het Kempens Bekken (TIKB) - de mijnschool in de volksmond - en ben ik m’n vader de mijn in gevolgd." Over z’n buren vertelt Ali niets dan goeds.

    "Belgen, Italianen, Marokkanen, Turken en Grieken. We leefden allemaal vreedzaam naast elkaar in Waterschei. Zelfs toen het gewapend conflict op Cyprus uitbrak in 1974, hadden de Turken en de Grieken geen problemen met elkaar. We waren altijd welkom bij de buren.” Eén van die buren was Kemal Demir, de vader van Zuhal. "Hij was een vriend van mijn vader", zegt Ali. "Een fantastische mens met een geweldig gezin. Dat is ook te zien aan z’n dochter, ze heeft het enorm ver geschopt."

    "Niet iedereen kon gaan studeren"

    Toch fronste Ali even de wenkbrauwen toen hij Zuhal Demir hoorde zeggen dat de kans op succes voor iedereen voor het grijpen ligt, als ze zich maar hard genoeg inspannen. "Daar ben ik het niet mee eens", zegt Ali.

    "Onze ouders waren analfabeten en wisten niet welke richting ze uit moesten. Zuhal heeft misschien geluk gehad omdat haar vader leraar was voor hij naar België trok. Ze kon gaan studeren. Maar dat was niet voor iedereen weggelegd. Heel wat migrantenkinderen - zoals ik - moesten thuis het huishouden regelen, hun ouders helpen met de paperassen én gaan werken."

    "Het doet écht pijn om zulke dingen te horen", bekent Kader Zaouad (53) in een brief aan onze redactie. De ex-mijnwerker uit Limburg woont al 25 jaar lang in Gent, maar blikt nog steeds nostalgisch terug op z’n tijd in de mijnstreek.

    "M’n vader kwam in België terecht na de mijnramp in Marcinelle." Toen kwamen 136 Italianen en 95 Belgen om het leven bij een brand. "De Italiaanse regering besloot toen geen gastarbeiders meer te leveren aan België", vertelt Kader. "En moesten de steenkoolmijnen dus nieuwe werkkrachten zoeken. In landen als Spanje, Turkije én Marokko."

    "Bang dat papa niet meer naar boven zou komen"

    Tijdens hun eerste jaren in België woonde de familie Zaouad in de barakken aan de mijn in Houthalen. Een periode die Kader duidelijk heeft getekend voor het leven. "Het lawaai van de sirenes op de mijnterrils, de koude sneeuw die zwart werd door de roet. En vooral: de angst dat papa niet meer levend naar boven zou komen na z’n werkdag in de mijn."

    In 1970 verhuist het gezin naar een stenen woning in Meulenberg, een sociale woonwijk in Houhalen-Helchteren. "Daar woonden we tussen een Italiaans gezin en een Belgische familie", zegt Kader.

    "We kwamen meteen in contact met een mix van verschillende culturen. Zodra m’n moeder couscous maakte, stelden onze Italiaanse buren voor om er spaghettisaus over te gieten", lacht hij.

    "Plots leerden we pita met frieten en witloof kennen. Het was een solidaire, warme wijk waar niemand een vreemdeling was, omdat we allemaal zwart waren door de mijn. Je was altijd welkom bij de buren, want we konden enkel terugvallen op elkaar."

    En net daarom voelt Kader zich - naar eigen zeggen - een beetje gekrenkt door het beeld van de mijnwerkersdochter die een eed aflegt bij de koning met een mijnwerkerssjaaltje rond de pols.

    "Dat sjaaltje symboliseert de verbondenheid tussen mensen met verschillende culturele achtergronden die samen streden om kansen te creëren voor hun kinderen." Dat het symbool handig wordt gebruikt door een politica die regelmatig fors uithaalt naar vakbonden, onaangepaste moslims en vluchtelingen, is volgens Kader "bijzonder pijnlijk". 

    "Na de mijnsluitingen liep het mis"

    Professor Albert Martens, ere-hoogleraar aan de KU Leuven en socioloog, heeft begrip voor de kritiek van Ali, Fernando en Kader. Martens voerde decennialang onderzoek naar arbeidsmigratie en de evolutie ervan. "Toen de steenkoolmijnen nog open waren, hadden de migranten het relatief goed."

    "Ze hadden een levensgevaarlijke job, maar verdienden goed en konden ook wat sparen. Na de sluitingen liep het mis. Plots stonden tienduizenden migranten op straat. Zonder enige vorm van talenkennis of technische competenties. Werklozen die weinig kans hadden op een nieuwe job."

    De eerste generatie gastarbeiders schipperde ook voortdurend tussen het vaderland en hun nieuwe woonplaats. "De mensen wisten toen niet zo goed waarin ze moesten investeren", verklaart Martens.

    "Ze stuurden eerst geld naar familie in Turkije of Marokko. Het was - zelfs tegen eind jaren 70 - dan ook nog lang niet zeker dat ze voorgoed in België zouden blijven. Intussen stond de maatschappij natuurlijk ook niet stil en misten heel wat migranten de kansen op sociale promotie via jobs in de openbare sector. Vooral door hun nog gebrekkige talenkennis. In de mijnen moest men immers geen Nederlands kunnen spreken."

    "Blaming the victim"

    Volgens Martens is het simplistisch om te stellen dat mensen met een migratieachtergrond meer inspanningen moeten leveren om maximaal gebruik te maken van de kansen die er zijn. "Blaming the victim, want welke inspanningen hadden die mensen dan nog kunnen leveren?", vraagt hij zich af.

    "Het systeem was niet voor hen ontworpen. Enkelingen konden zich nog redden, maar in het algemeen waren die kansen er gewoonweg niet. En als ze al aan jobs geraakten, was dat meestal in de uitzendsector of in de schoonmaak. Betere jobs waren afgesloten voor die mensen."

    Als staatssecretaris voor Gelijke Kansen zit Demir op de ideale positie om de problemen aan te pakken, vindt Martens. "Politici moeten scoren, dat kan het best op de voorpagina’s van de kranten. Of hun uitspraken nu waar of niet waar zijn, maakt ze niets uit. Maar dat brengt ons uiteindelijk geen stap dichter bij echte oplossingen. En dat is dramatisch."