Meest recent

    Nieuw middel tegen borstkanker kan veel meer vrouwen helpen dan gedacht

    Een nieuw middel tegen borstkanker dat nu gezien wordt als een therapie voor de zeer zeldzame gevallen van borstkanker die veroorzaakt worden door een genetische afwijking aan het BRCA-proteïne, zou veel meer patiënten kunnen helpen, wel 22 procent van alle gevallen. Klinische testen moeten nu deze bevinding bevestigen.
    De "Pink Ribbon", het roze lint, het symbool van betrokkenheid bij borstkanker.

    Het geneesmiddel waar het om gaat zijn zogenoemde PARP-inhibitoren.

    Zo'n 1 tot 5 procent van alle gevallen van borstkanker wordt toegeschreven aan erfelijke mutaties in de BRCA1 en BRCA2 proteïnes. Die proteïnes spelen een belangrijke rol bij het herstellen van schade aan dubbelstrengs DNA, dubbelstrengsbreuken, door het foutenvrije homoloog recombinatie-mechanisme. Als het gen voor een van beide BRCA-proteïnes gemuteerd is, kan dat leiden tot fouten bij de herstelling van het DNA die eventueel borstkanker kunnen veroorzaken. Sommige vrouwen die weten dat ze een dergelijke mutatie hebben, laten dan ook preventief hun borsten amputeren, zoals Angelina Jolie. 

    Als de cellen bloot staan aan veel schade tegelijkertijd, kan het gemuteerde gen de dood van de cellen veroorzaken, die niet meer kunnen functioneren met het beschadigde DNA.

    PARP1 (poly ADP ribose polymerase) is een proteïne dat dan weer belangrijk is bij het herstellen van schade aan enkelstrengs DNA. Als dergelijke enkelstrengsbreuken blijven bestaan tot er replicatie van het DNA plaatsvindt - de verdubbeling van DNA tijdens de celdeling -, dan kan dat leiden tot de vorming van dubbelstrengsbreuken.

    Geneesmiddelen die de PARP1 proteïne onderdrukken, PARP1-inhibitoren, veroorzaken de vorming van meerdere dubbelstrengsbreuken in het DNA, en in tumoren met mutaties aan de BRCA1 en BRCA2-proteïnes kunnen die dubbelstrengsbreuken niet efficiënt hersteld worden, wat leidt tot de dood van de tumorcellen. Normale cellen, waarin niet zo vaak replicatie van het DNA plaatsvindt als in de snel groeiende tumorcellen, en die geen gemuteerd BRCA1 en BRCA2 hebben, kunnen nog steeds hun dubbelstrengs DNA herstellen door de homologe recombinatie, en overleven zo het onderdrukken van de PARP-proteïne.

    Daarom worden PARP-inhibitoren nu gebruikt voor de behandeling van borstkankers die veroorzaakt worden door een mutatie aan de genen van BRCA1 en BRCA2, maar, zoals gezegd, het gaat slechts om 1 tot 5 procent van alle gevallen van borstkankers.

    Andere mutaties

    Een internationaal team onder leiding van experten van het Britse Wellcome Trust Sanger Institute heeft nu de genetische achtergrond van borstkanker in 560 patiënten onderzocht, van wie er 22 een mutatie van BRCA1 en BRCA2 hadden. 

    Ze konden nog 69 tumoren identificeren waarin de BRCA-proteïnes ofwel ontbraken ofwel niet werkten door andere mutaties. Omdat de "mutatiehandtekening" van die gevallen sterk lijkt op die van de defecte BRCA-genen, kunnen ze mogelijk ook behandeld worden met PARP-inhibitoren, zo redeneren de onderzoekers.

    Als men al die gevallen samen neemt, komt men aan een veel grotere proportie van patiënten, namelijk 22 procent, die baat kunnen hebben bij een behandeling met PARP-inhibitoren dan de 1 tot 5 procent die men oorspronkelijk dacht.

    De auteurs van de studie bevelen nu aan dat men klinische tests zou houden om die bevinding te bevestigen.

    Baroness Delyth Morgan van de Britse organisatie "Breast Cancer Now", noemde deze eerste resultaten bij de BBC "een openbaring".

    Een van de onderzoekers, dokter Helen Davies, zei dat de PARP-inhibitoren ook het potentieel hadden om tegen andere soorten kanker gebruikt te worden. Zo zijn er al hoopgevende resultaten bij de behandeling van prostaatkanker. In de VS worden verschillende middelen die PARP onderdrukken, nu al gebruikt bij de behandeling van ver gevorderde eierstokkanker.

    De studie van het team is verschenen in "Nature Medicine". Van het team maken ook twee Belgische onderzoekers deel uit, Steven Van Laere van het oncologisch onderzoekscentrum van de medische faculteit van de Universiteit Antwerpen, en Christos Sotriou van het borstkankerlaboratorium van de Université Libre de Bruxelles en het Institut Jules Bordet.