Meest recent

    De Duitse terugtrekking naar de Hindenburglinie

    De grootste verandering aan het Westelijk Front tussen eind 1914 en voorjaar 1918 was een onverwachte Duitse terugtrekking in maart 1917. Een operatie waarbij amper gevochten werd, maar het Duitse leger wel bewust eerst een hele streek verwoestte. De Geallieerden spraken van een overwinning, maar het Duitse leger had zich gewoon teruggetrokken op een sterkere en beter verdedigbare linie.

    Na de Eerste Slag bij Ieper (november 1914) liep er een front van meer dan 700 km van de Noordzee tot de Zwitserse grens, waarachter een jarenlange stellingenoorlog werd gevoerd.

    Wie de frontlijn op een kaart volgt, ziet dat die lijn allesbehalve recht liep. Vanaf de IJzer liep ze vrijwel van noord tot zuid, tot ergens tussen de Picardische steden Montdidier en Roye. Van daaruit liep het front grosso modo oostwaarts tot in Verdun, en vandaar in zuidoostelijke richting tot aan de Vogezen, waar het opnieuw een noord-zuidrichting insloeg.

    Dit zijn de grote lijnen, want in elk deel vertoonde de frontlijn uitstulpingen of “saillants”. In het noorden waren er Geallieerde uitstulpingen rond Ieper, Fromelles en Arras, en meer oostelijk het grote saillant rond Verdun.

    Van Duitse kant was er een groot saillant rond Saint-Mihiel, vlak naast dat van Verdun. Meer noordelijk, tussen Arras en Soissons, lag de zone waar de Duitsers het diepst waren doorgedrongen op Frans grondgebied.

    Deze zone vertoonde twee uitstulpingen. Een saillant ten zuiden van Arras rond de (door de Duitsers bezette) stad Bapaume. Hier (bij het dorp Gommecourt) bereikten de Duitse stellingen de meest westelijke positie van het hele front.

    Ten zuiden daarvan vertoonde het Duitse front een zeer brede uitstulping van meer dan 80 km tussen de steden Péronne en Laon, met als centrale stad Noyon. Dit deel van het front lag het dichtst bij Parijs, de afstand was net geen 100 km.

    Kaart van de frontlijn, gearceerd het gebied dat de Duitsers hebben opgegeven. De krant Excelsior heeft het over 2210 km2 'heroverd' gebied. Rechts een foto van de door het Britse leger ingenomen stad Bapaume (Excelsior 22 en 24 maart 1917, BnF Gallica)

    Die grillige vorm was soms het gevolg van natuurlijke obstakels, zoals rivieren of heuvelruggen, maar ook gewoon het gevolg van het verloop van de gevechten eerder in de oorlog.

    Het is geen toeval dat er vooral aan de saillants werd aangevallen, omdat die uitstekende gebieden extra kwetsbaar waren. Ieper, Arras, Bapaume en Verdun zijn bloedige namen.

    Voor de Geallieerden was het van belang om nergens terrein prijs te geven. Iedere terugtrekking kon een bedreiging betekenen voor Parijs, of, meer naar het noorden, de Kanaalhavens, die van essentieel belang waren voor de Britse transporten naar het front. En voor de Fransen was ieder verder verlies van grondgebied ondraaglijk.

    Voor de Duitsers was de situatie anders. Het feit dat ze bijna heel België en een belangrijk stuk van Frankrijk bezet hielden, was een groot voordeel, maar ze begrepen dat het geen zin had om voor elke vierkante meter te vechten. Hoe verder ze op vijandelijk grondgebied doordrongen, hoe verder manschappen, wapens en voorraden moesten worden aangevoerd. De bevoorradingslijn inkorten zou voordelen opleveren.

    Essentieel was echter dat het opgeven van saillants een kortere en bétere verdedigingslijn kon opleveren, die minder troepen zou vereisen. Dat was voor de Duitsers belangrijk, want ze konden nu eenmaal minder troepen inzetten. In het westen beschikten ze over 154 divisies, terwijl de Geallieerden 190 divisies konden inzetten, die meestal groter waren.

    Franse landbouwersfamilie bij hun door de Duitsers vernietigde machines

    Het plan

    Begin 1917 werd dan ook beslist tot een grote Duitse terugtrekking tussen Arras en Soissons, waarbij de twee saillants rond Bapaume en Noyon zouden worden opgegeven.

    Door de frontlijn 40 km in te korten, zouden er 13 divisies kunnen worden uitgespaard. Bovendien zou de nieuwe frontlijn beter verdedigbaar zijn.

    Het plan werd opgesteld onder leiding van de sterke man van het Duitse leger, generaal Erich Luddendorff. Enkele Duitse bevelhebbers waren tegen. Een terugtrekking zou door de Duitsers als een morele nederlaag worden beschouwd. Maar de nadelen van de opgave van het gebied, zonder grote steden en belangrijke industrieën, wogen niet op tegen de voordelen.

    Kroonprins Rupprecht van Beieren, die als bevelhebber van de legergroep in dat gebied de evacuatie moest uitvoeren, stemde na aarzeling met het plan in.

    Om te beletten dat de vijand voordeel zou halen uit het opgegeven terrein zou alles wat van nut was in de te evacueren zone worden vernietigd: bruggen, wegen, gebouwen... Zelfs eenvoudige huizen konden immers dienen voor het onderbrengen van troepen of het opslaan van materiaal. Dit zou uiteraard ellendig zijn voor de plaatselijke bevolking.

    Kroonprins Rupprecht (schoonbroer van de Belgische koningin Elisabeth) zou bezwaar hebben gehad tegen deze “strategie van de verbrande aarde” en er zelfs aan hebben gedacht om ontslag te nemen.

    Postkaart van de  dynamitering van de kerk van Bray-Saint-Christophe

    De evacuatie

    De operatie kreeg de naam ‘Unternehmung Alberich’. Alberich is een dwerg uit de Germaanse mythologie, die over de schat der Niebelungen waakte. De held Siegfried kon hem echter de schat ontfrutselen. De nieuwe verdedigingslijn werd dan ook Siegfriedstellung gedoopt.

    Op 9 februari begonnen de Duitsers met de voorbereidingen van de operatie. Dat was het begin van de systematische vernielingen in het gebied en de deportaties van de Franse burgerbevolking.

    De eigenlijke evacuatie begon op 25 februari. Alles was perfect voorbereid. Een Duitse bron beschrijft het zo:

    "Het algemeen systeem van terugtrekking was iets wonderlijk. Elk detachement wist precies welke weg in te slaan. Elke kolonne had haar voorgeschreven weg en, ondanks de geweldige verplaatsingen van mensen, dieren en vrachtwagens, waren er geen blokkeringen, geen opstoppingen. Alles verliep exact op het voorgeschreven tijdstip."

    Een deel van de troepen bleef vooraan in de loopgraven om de vijand te misleiden. Dat lukte vrij goed, want de Geallieerde artillerie bleef stellingen bestoken waar niemand meer was. Die artillerieaanvallen lieten de Duitsers toe om voor hun vertrek ongemerkt gebouwen met springladingen te vernielen.

    Langs de weg van Amy naar Avricourt zijn alle bomen omgehakt en afgevoerd.

    De Franse en Britse inlichtingendiensten hadden wel gemerkt dat er iets gaande was, maar wisten niet goed wat ze ervan moesten denken. Het slechte weer in het begin van het jaar had verkenningsvluchten gehinderd.

    De constructie van een nieuwe Duitse verdedigingslijn was al lang gesignaleerd, maar dat werd beschouwd als een reactie op de slag aan de Somme.

    Wat ook opviel was de komst van duizenden Franse burgers die gedwongen waren hun woning te verlaten. Het ging niet alleen om inwoners van het geëvacueerd gebied, maar ook van de streken vlakbij de nieuwe frontlijn, zoals de steden Laon en Saint-Quentin.

    Een groot deel van hen werd geherhuisvest in Wallonië, vooral in de streek rond Zinnik en Edingen. Veel Belgen konden al eind februari vernemen wat er aan het gebeuren was.

    Toen begin maart steeds meer meldingen kwamen van evacuaties, stelde de Franse generaal Franchet d’Espérey, die het bevel aan dit deel van het front voerde, voor om meteen een aanval te beginnen. Maar hij kreeg geen toestemming van opperbevelhebber Nivelle. Het Franse opperbevel werkte zelf aan een aanvalsplan in dat gebied, een plan dat door de Duitse terugtrekking natuurlijk waardeloos zou worden !

    Luchtfoto van de Hindenburglinie in de buurt van Cambrai. Linksboven het niemandsland, de  dikke, zwarte lijnen zijn prikkeldraadversperringen, daarachter twee rijen loopgraven met verbindingsloopgraven en bunkers.

    Pas op 15 maart, toen het duidelijk was dat het Duitse leger zich volledig wegtrok, kregen Franse en Britse troepen bevel om aan te vallen. Maar toen blies ook de Duitse achterhoede de aftocht en werden de laatste vernielingen aangebracht.

    Britten en Fransen overschreden de oude Duitse linies en rukten oostwaarts op. Hun opmars werd echter gehinderd doordat alle bruggen en belangrijke verkeersknooppunten waren gedynamiteerd. Ook moesten ze rekening houden met mijnen en boobytraps. De terugtrekkende Duitsers slaagden er steeds in hen op afstand te houden.

    De Geallieerden konden het moeilijk geloven. De stellingen aan de Somme, waar ze het jaar daarvoor zo zwaar gevochten hadden, waren nu door de Duitsers zonder slag of stoot opgegeven.

    In Parijs heerste vreugde dat omdat de Duitsers niet langer in Noyon waren, terwijl de stad Soissons na dertig maanden niet langer in de vuurlijn lag. Even werd gedacht aan een begin van een Duitse ineenstorting.

    Maar de Geallieerde legerleiding was voorzichtig. Ze konden wel met trots terreinwinst melden, maar waren op hun hoede voor een valstrik.

    Foto's uit het weekblad Le Miroir van 1 en 4 april 1917: generaal Nivelle herinstalleert de burgemeester van het 'bevrijdde' Noyon, in het dorpje Ham hangt een jongentje de Franse vlag in een telefoonmast.

    Pas op 18 maart maakte een Duits legerbericht melding van “door ons planmatig opgegeven terreinstroken tussen Arras en de Aisne” .

    De dag daarop was de evacuatie voltooid en konden de Geallieerden kennis maken met de nieuwe verdedigingsstelling.

    Deze ‘Hindenburglinie’, zoals de Geallieerden haar gingen noemen (zowat alles wat de Duitsers aan het front deden werd voor de Duitse pers bestempeld als een geniale zet van veldmaarschalk von Hindenburg, de chef van de generale staf), was een stelsel van brede loopgraven en bunkers, voorafgegaan door prikkeldraadlijnen en mijnenvelden over een diepte van minstens 7000 m.

    Zoals gewoonlijk hadden de Duitsers niets aan het toeval overgelaten. De verdedigingsgordel leek bijna onneembaar.
    De nieuwe lijn van Arras tot aan de rivier de Aisne liep vlak ten westen van Cambrai en St-Quentin, belangrijke steden die nog stevig in Duitse handen waren.

    Intussen wond de Geallieerde pers zich op over de bijna onbeschrijflijke verwoestingen die de Duitsers hadden aangebracht.

    Een vernielde weverij in Chiry-Ourscamp

    Fotografen van het Franse leger waren meteen in actie geschoten om de “verbrande aarde” in beeld te brengen, als getuigenis van deze nieuwe vorm van “Duitse barbarij”. Er viel dan ook veel te fotograferen…

    Ontelbare dorpen waren systematisch in brand gestoken. Volgens Franse cijfers waren meer dan 200 dorpen volledig en meer dan 800 grotendeels vernield ! Grotere gebouwen waren apart afgebroken, vaak met springstoffen, soms met sloophamers of andere mechanische tuigen.

    Bijzonder indrukwekkend was de verwoesting van het stadje Tergnier, een belangrijk spoorwegknooppunt ten zuiden van St-Quentin. Van het stadje stond geen muur meer recht, één enkel Duits bord stak boven de ruïnes uit. De naburige industriestad Chauny was er even treurig aan toe.

    Van de bevolking waren de volwassen mannen en vrouwen – samen zo’n 125.000 mensen - weggevoerd, want het waren potentiële militairen en arbeidskrachten. Enkel kinderen en oude en zieke mensen bleven achter. Ze waren geconcentreerd in de weinige steden en dorpen die min of meer gespaard bleven.

    De wegen waren onbruikbaar door zware omgehakte bomen en bomkraters. Alle spoorwegen en kanalen waren verwoest. Zelfs de waterbronnen waren vervuild.

    Vanzelfsprekend waren de fabrieken vernield, net als de machines die er stonden. Op het platteland werden hele boomgaarden omgekapt, weiden omgeploegd en landbouwmachines tot schroot herleid.

    Franse militairen bij een door de Duitsers achtergelaten stormram, waarmee poorten en muren werden ingebeukt.

    Hoge gebouwen gingen er systematisch aan, omdat ze als uitkijkposten konden dienen. Het ging vooral om kerktorens (liefst 800 kerken werden geheel of gedeeltelijk vernield), maar ook over stadhuizen, belforten en kastelen. De schade voor het bouwkundig erfgoed was dan ook enorm. Dat gold zeker voor oude stadjes als Péronne en Roye.

    De stad Noyon, met zijn kathedraal, bleef relatief gespaard en werd zelfs een soort hoofdstad van de “bevrijde gebieden”, waar de Franse autoriteiten snel hun intrek konden nemen. Ironisch genoeg zou Noyon een jaar later zware schade ondervinden van een nieuw Duits offensief.

    Het meest tot de verbeelding spraken de vernietiging van twee middeleeuwse burchten die de streek hadden gesierd: het kasteel van het stadje Ham (tussen Roye en St-Quentin) en vooral de indrukwekkende hoogteburcht van Coucy, niet ver van Laon. De vesting van Coucy was een van grootste toeristische trekpleisters van Frankrijk geweest. De 54 meter hoge donjon, de grootste van Europa, werd door 28 ton springstof volledig uit elkaar geblazen. De buitenmuren van de enorme burcht bleven ondanks de explosies voor een groot deel rechtstaan.

    De opgeblazen donjon van de burcht van Coucy. De foto links werd gemaakt door een fotograaf van het Franse leger, dat foto's van de vernielingen leverde aan kranten en tijdschriften zoals, rechts, Le Miroir (22 april 1917)

    De Fransen waren ervan overtuigd dat het kasteel van Coucy geen militaire betekenis had en dat de Duitsers met deze vernieling enkel uit wraak of vandalisme handelden. Ook elders meenden ze baldadigheden aan te treffen die geen nut voor de oorlog hadden. Zo werden er vernielde grafstenen aangetroffen.

    Uit aantekeningen blijkt dat sommige Duitse militairen eerder droevig waren omdat ze die mooie streek, waar ze vaak al een hele tijd hadden verbleven, tot een woestijn herleidden.

    Maar dat ze cynisch konden zijn, blijkt wel uit het feit dat ze het verwoeste stadhuis van Péronne voorzagen van een bord voorzien van de woorden: “Nicht ärgern, nur wundern” (Niet ergeren, enkel zich verbazen), een uitspraak van de dichter Goethe.

    De burcht van Coucy werd nog lang beschouwd als een “gedenkteken van de barbarij”. De ruïnes zouden tijdens de oorlog meermalen door prominenten worden bezocht, zoals de president van bondgenoot Portugal.

    Ook andere ruïnes zoude dienen als propaganda. Toen in november 1918 de Duitse onderhandelaars naar Compiègne werden gevoerd voor besprekingen over een wapenstilstand, leidde men hen bewust door het totaal verwoeste Tergnier.

    De heropbouw van de streek heeft jaren in beslag genomen. Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog hadden veel steden en dorpen minder inwoners dan in 1914.

    Franse genietroepen herstellen een weg in Noyon

    Achtergebleven burgers in het stadje Roye, bijna alleen vrouwen en kinderen

    Een karikatuur van de Nederlandse tekenaar Louis Raemaekers, op de voorpagina van Le Journal, hekelt het vergiftigen van waterputten: "De keizer: moge God mijn leger zegenen!" (30 maart 1917)

    Meer over de verwoestingen en hun gebruik door de propaganda vind u hier. Tenzij anders vermeld, komen de illustraties ook hier vandaan.