Meest recent

    "In elkaars armen gestorven", de broers Van Raemdonck

    In de nacht van 25 op 26 maart 1917 sneuvelen de gebroeders Van Raemdonck aan het IJzerfront. Volgens de mythe sterven zij in elkaars armen. Maar komt de mythe overeen met de realiteit ?

    Wanneer in augustus 1914 de oorlog uitbreekt, melden de broers Frans en Edward Van Raemdonck zich aan als oorlogsvrijwilliger. Zij zijn immers nog te jong om voor dienstplicht opgeroepen te worden: Edward is 18, Frans 17. De twee broers zijn opgegroeid in een Vlaamsgezind gezin in Temse. Allebei zijn zij lid van de Vlaams-katholieke studentenvereniging Temsche Voorwaarts.

    De eerste weken van de oorlog brengen Frans en Edward door op veilige afstand van het oorlogsgeweld. Pas wanneer het Belgische leger zich vanuit Antwerpen terugtrekt naar de IJzer belanden Frans en Edward daadwerkelijk aan het front.

    In april 1915 ligt hun eenheid in Steenstrate. Twee dagen na de eerste gasaanval, maken ook Frans en Edward een nachtelijke gasaanval mee. ‘Meer dan de helft van de mannen waren bedwelmd’, schrijft Edward hierover in een brief. Kort daarop worden beide broers tot korporaal bevorderd.

    De voetbalploeg Temsica in 1912, Frans en Edward staan links vooraan

    In juni 1915 wordt Frans bij een explosie gewond. Hij belandt met inwendige kneuzingen en bloedingen in het Rode Kruis-hospitaal L’Océan. Na verdere verzorging in een hospitaal in Calais, belandt hij tenslotte in Rennes, waar hem een maandenlang herstel wacht. In december 1915 – op tweede Kerstdag - loopt Edward een kogelwonde aan het hoofd op. Tijdens zijn verpleging in Dieppe ziet hij voor het eerst zijn broer terug.

    In de lente van 1916 belanden Frans en Edward opnieuw aan het front. In hun brieven – o.m. aan hun familie, die deze brieven via Nederlandse smokkelroutes ontvangt – klinkt een steeds groeiend Vlaams bewustzijn door. Beide broers werken mee aan het frontblaadje Onze Temschenaars, dat in maart 1917 voor het eerst verschijnt.

    Soldaten achter het front, Bray-Dunes, april-mei 1915. Bijna allen Temsenaars. Tweede van links achteraan Frans Van Raemdonck, vierde van links achteraan Edward Van Raemdonck

    Eind maart krijgt de eenheid van Frans en Edward – ondertussen allebei bevorderd tot sergeant – opdracht om een nachtelijke raid uit te voeren op het gehucht Stampkot, dat in handen van de Duitsers is.

    Edward en Frans krijgen ieder het bevel over kleine aanvalsgroep. Om 3 uur ’s nachts overvalt de groep van Frans een vijandelijke loopgraaf. Tijdens een lijf-aan-lijf gevecht schakelen zij een mitrailleurpost uit. Daarna keren zij zo snel mogelijk terug.

    Frans daagt echter niet op. Daarop besluit Edward op zoek te gaan naar zijn broer. Ondanks het verbod van zijn meerdere rent hij opnieuw het niemandsland in. Beide broers hebben al langer de afspraak gemaakt samen te overleven of samen te sneuvelen.

    Meer dan twee weken later worden de lijken van Frans en Edward teruggevonden, samen met het lijk van de 26-jarige Waalse korporaal - en eveneens oorlogsvrijwilliger - Amé Fiévez, die na de nachtelijke raid eveneens vermist was. Omdat de lijken reeds in staat van ontbinding zijn, worden de drie gesneuvelden ter plaatse in een granaattrechter begraven.

    De doodsprentjes van Amé Fievez en de gebroeders Van Raemddonck

    Op 30 april publiceert Ons Vaderland – het officieuze orgaan van de Vlaamse Frontbeweging – een artikel van Oscar Dambre over de dood van de twee broers, die volgens het blad ‘in malkanders armen’ gestorven zijn.

    In mei 1917 nam Onze Temschenaars het artikel van Ons Vaderland over en publiceerde een lofzang op de broers door Clement De Landtsheer, neef van de broers en eerste voorzitter van het IJzerbedevaartcomité.

    De bewering dat Frans en Edward ‘rustend in elkaars armen’ gevonden zijn, is gebaseerd op een getuigenis van pater Lodewijk Van Gelder, die als brancardier bij de begrafenis van de broers aanwezig was.

    Zijn getuigenis wordt veel later – in 1965 – bevestigd door voormalig korporaal Emiel Cromheecke, die deel uitmaakte van de patrouille, die de lijken in het niemandsland vond. Beiden beweren dat de Waal Amé Fiévez enkele meter verder werd gevonden.

    Fragmenten uit Onze Temschenaars van mei 1917. In het van Ons Vaderland overgenomen artikel werd wel vermeld dat samen met de broers, een derde held, een Waal, werd gevonden, zonder zijn naam te noemen

    Die ‘Vlaamse’ versie wordt met klem tegengesproken door sergeant Charles Withof, die aan het hoofd stond van de patrouille, die de lijken vond. Hij beweert dat Frans in de armen van Amé Fiévez werd gevonden, en het Edward was, die enkele passen verder lag. Onze Temschenaars wil het verhaal van sergeant Withof wel geloven, maar beslist tenslotte om ‘de legende te laten voortleven lijk ze is in de wereld gezonden’.

    In de Vlaamse mythevorming staat het vast dat Frans en Edward in elkaars armen gestorven zijn. Zo worden ze ook afgebeeld op de pentekening 'Broederliefde' van kunstenaar Joe English, die in de zomer van 1917 massaal verspreid wordt. Wanneer in 1921 de dood van Frans en Edward centraal staat tijdens de tweede IJzerbedevaart, groeien zij nog verder uit tot symbolen van de Vlaamse strijd aan de IJzer.
     

    Gedicht van Frans Van Raemdonck en de pentekening 'Broederliefde' van Joe English

    Het niemandsland waarin de drie gesneuvelde soldaten haastig begraven zijn, wordt nog maandenlang beschoten, waardoor hun lijken totaal verminkt worden. Pas in september 1917 krijgen de Belgen dit gebied in handen en worden de overgebleven resten van de drie mannen ter plaatse herbegraven.

    Wanneer de Belgische overheid in 1924 beslist alle afzonderlijke graven over te brengen naar centrale militaire begraafplaatsen, worden de resten van de drie mannen verzameld in één enkele kist, die begraven wordt op de militaire begraafplaats in Westvleteren.

    In 1932 krijgt het IJzerbedevaartcomité toestemming om de kist met de resten van Frans en Edward definitief te herbegraven in de crypte van de IJzertoren. Samen met hen verhuist ook korporaal Fiévez naar de IJzertoren. Frans en Edward krijgen er een nieuwe grafsteen, de naam van Amé Fiévez wordt echter niet vermeld. In Westvleteren blijft een grafsteen met zijn naam – verkeerd gespeld als Aimé – staan, tot op de dag van vandaag.
     

    De tweede IJzerbedevaart in 1921 bij het graf van de broers in Westvleteren

    Tot diep in de 20ste eeuw blijft de controverse rond de dood van Frans en Edward voortduren, waarbij ‘Vlaamse’ en ‘Belgische’ versies en pleitbezorgers elkaar tegenspreken.

    Historicus en burgemeester van Temse Luc De Ryck heeft het verhaal grondig onderzocht en komt tot de conclusie dat er mag aangenomen worden dat Frans en Fiévez op elkaar lagen en Edward iets verder.

    Maar, vindt hij ook, één element blijft doorheen alle discussies pal overeind : in de nacht van 26 maart is Edward op zoek gegaan naar zijn vermiste broer, een daad die hij bekocht met zijn leven. De term ‘broederliefde’ is hiervoor zonder meer toepasselijk.

    Op de vele IJzerbedevaarten die volgen, worden Frans en Edward nog regelmatig herdacht als Vlaamse helden. Op de plaats waar beide broers sneuvelden, herinnert een bakstenen monument nog steeds aan hun dood. Op hun zerk in de schaduw van de IJzertoren is sinds 2001, op initiatief van het IJzerbedevaartcomité, de naam van Amé Fiévez toegevoegd.
     

    Luc De Ryck : Terug naar niemandsland. De geschiedenis van de gebroeders Van Raemdonck: mythe en werkelijkheid.

    Brugge, uitgeverij De Klaproos

    Het graf van de broers met nu ook de naam van Amé Fievez erbij, in Diksmuide bij de IJzertoren