Meest recent

    Gigakonten in Amerika

    Dik zijn is een soort hamsteren, je schrap zetten voor een onzekere toekomst, een dikke muur bouwen rond je miserabele leven. Onze man in Amerika voelt zich in zijn kroniek van deze week "A stranger in paradise".
    expert
    Björn Soenens
    Björn Soenens is Amerikacorrespondent voor VRT NWS. Hij woont in Brooklyn, New York. U kunt onze man in de VS volgen op zijn journalistenpagina op Facebook, en op Twitter @bsoenensvrt.

    “It’s always nice to see you!”, zegt de vriendelijke Carlos van achter de toonbank van Tom’s Restaurant. “I love you too!”, zeg ik hem, terwijl ik een zeldzaam plekje zoek in het drukke restaurant. Carlos is een Mexicaan-Amerikaan en werkt al dertig jaar in de legendarische ontbijtzaak op 782, Washington Avenue, in de buurt van Prospect Park.

    Tien minuutjes lopen was het vanochtend in de frisse ochtendkou. Onderweg kwam ik zeker tien dikke Amerikanen tegen, die zich een weg baanden tussen de pakken sneeuw die er nog altijd liggen.

    Aan mijn tafeltje moet ik denken aan dat liedje van Suzanne Vega, ‘Tom’s Diner’: “I’m sitting in the morning at the diner on the corner.

    Aan de bar is de voertaal Spaans en Grieks. Het personeel bestaat bijna exclusief uit latino’s. De eigenaar is een Grieks-Amerikaan. De zaak bestaat al sinds 1936. Bijna vijftig jaar geleden vormden klanten hier buiten op de hoek een lange menselijke ketting, net na de moord op Martin Luther King in april 1968. Het was een muur van samenhorigheid en woede. Het was een turbulente buurt hier toen. Er was veel sluimerend etterend ongenoegen over de onderdrukking van zwarten.

    In Tom’s Restaurant kan je je verzadigen aan de specialiteiten van het huis. Mexicaanse omelet met gebakken aardappelen. Krokante rundsworstjes, pannenkoeken met maïsdeeg (Harvest Pancakes), of pannenkoeken met ricotta en blauwe bessen. Neem er nog twee spiegeleitjes met sappig spek bij en je gaat bijna buiten westen.

    Hartig ontbijten. Mensen worden er kennelijk gelukkig van. Ze praten honderduit. Spreken hier af met vrienden. Een bont gezelschap van blank, latino, Aziatisch en zwart, dik en dun. Een koppel politieagenten aan een tafel achterin.

    In het weekend staan ze hier tot buiten. Onaangenaam is dat niet: terwijl je wacht, gaan obers rond met schalen vol stukjes appelsien, worstjes, koekjes, en plakjes ham. En – al wachtend in de rij – krijg je een pot Americano koffie geserveerd. Je wordt er – in het oude, échte Brooklyn - behandeld als een goede buur.

    Carlos laat me nog wat tobben en twijfelen terwijl ik me buig over de menukaart. Hij brengt me intussen een glas ijsgekoeld kraantjeswater. ”I’ll get your coffee, boss”, zegt hij een beetje schertsend. Carlos vraagt waar ik al die jaren ben geweest, en dat hij zo blij is om me terug te zien.

    Ik weet eigenlijk niet waar hij het over heeft, maar ik doe hem duidelijk aan een oude kennis denken: “How have you been, I’m so glad to see you again!” Ik speel het spel mee, en word er zelfs een beetje blij van. In Tom’s Restaurant gaat ’t er gemoedelijk aan toe.

    Ik voel me goed tussen al die Americana aan de muur, en tussen de aan de muur geprikte foto’s van beroemde bezoekers. Jamie Hector is een regular uit de buurt. Hector speelde in de fantastische tv-serie "The wire" de rol van de meedogenloze drugkoning Marlo Stansfield: “You too good for my money?” Ook de filmzus van Anthony Soprano is een habituee bij Tom’s: Aida Turturro speelde 73 afleveringen lang Janice Soprano, de vervelende en neurotische zus van de peetvader uit New Jersey. “Woke up this morning, bought myself a gun…” Herinnert u het zich nog?

    Ik laat French Toast aanrukken, met aardbeienboter, kaneelboter, ahornstroop, een koppel beef sausages, spek, eieren, en gebakken aardappelen op Tom’s wijze. Heerlijk, maar – serieus - ik moet dit heus niet elke dag doen. Toch zijn er veel zulke Amerikanen die het absoluut elke dag doen, en zich laven aan al dat vet en zoet.

    “Good morning. Are you going to Tom’s?”

    Het is één van de grootste problemen waar bijna nooit over gesproken wordt in Amerika: de obesitascrisis. Bij de politici in Washington staat het bijna nooit op de agenda. Onterecht. Bijna twee op de drie Amerikanen kampt met overgewicht. Eén op de vier New Yorkers is obees. Zestig procent van de New Yorkers is of te dik of ziekelijk obees. Eén op de tien van mijn stadsgenoten is suikerziek. Veertig andere staten in de VS doen het nog slechter dan mijn stad. Alarm!

    Amerika is het dikste land ter wereld. Met liefst twee keer zo veel dikke mensen als in het oude Europa. Toch is het min of meer een verboden gespreksonderwerp voor de Amerikanen. Terwijl Amerika zich vetmest, wordt er eigenlijk honger geleden. De gezondheid verslechtert, en de levensverwachting van de Amerikaan brokkelt af.

    Amerika betaalt een erg hoge prijs voor al die dikke mensen: meer depressies, minder efficiënt werk, dure ziektes als type 2 diabetes, meer kanker, meer hart- en vaatziekten. Het kost de Amerikaanse gezondheidszorg elk jaar miljarden. Mocht ik een cynicus zijn, ik zei: ach, die dikke mensen kosten de gezondheidzorg uiteindelijk minder, want dikke mensen leven niet zo lang. Maar cynisme is ongepast, Amerika moet hier écht iets aan doen.

    Obesitas is in Amerika zo alomtegenwoordig dat dikke mensen niet eens meer doorhebben dat er iets niet oké met ze is. Het is – helaas – een onmiskenbaar feit: ze zien eruit als afzichtelijke, slonzige, en ongezonde slapjanussen. Gelukkig voor hen hebben zij er niet altijd problemen mee.

    Veel Amerikanen – dat merken mijn vrouw en ik hier elke dag – nemen niet eens meer de moeite om boodschappen te doen en eten dus enkel fastfood. In wezen is fastfood een afvalproduct. Een pak Amerikanen bereidt maar zelden een complete maaltijd, en als het gebeurt, verwarmen ze heel vaak simpelweg voorverpakt fabrieksvoedsel.

    Het effect op de taille van Amerika is op straat merkbaar. Veel mannen hebben grote, slaphangende mannenborsten. De vetrollen die over de rand van hun te strakke broek hangen, staat de aantrekkelijkheid voor Amerikaanse vrouwen al lang niet meer in de weg. Want de koppels zijn heel vaak samen dik.

    Muffinbuiken raken maar moeilijk in de kleren gehesen. En toch bestaat dat soort wijde kledij. Het is een groeimarkt. Ik zag het in een winkel in Vicksburg, in Mississippi, in de vroege zomer van 2015. Pantalons met de maat 8XL. Heupomtrek 72. De gemiddelde heuplengte voor een man in België of Nederland is 36. Reken uit.

    Sinds een jaar of 25 is zwaarlijvigheid in de VS welhaast een epidemie. Meestal vinden we het als Europeaan zielig om te zien. Wij zien vetzucht als een gebrek aan wilskracht om je lichaam onder controle te houden. Terwijl het in Amerika vaak een probleem van armoede is.

    Dik zijn is vaak arm zijn. Wie arm is, grijpt sneller naar calorieën. Het is een vlucht in een verzadigend gevoel. Wie arm is, moet zichzelf wel trakteren op goedkope, maar ongezonde vette happen. Burger King, Taco Bell’s, Chipotle, Kentucky Fried Chicken. Vetheid zonder grenzen.

    Obesitas is zo’n beetje de honger van rijke landen zoals Amerika. Mensen met obesitas zijn eigenlijk de ondervoeden, hoe raar dat ook klinkt. Ondervoeding is in Amerika geen tekort, maar een teveel. Niet een gebrek aan eten, maar een overdaad aan slecht eten. Goedkope rotzooi met vet, suiker en zout.

    Daarom worden zulke buitensporige lichamen gekweekt. Dik zijn is een soort hamsteren, je schrap zetten voor een onzekere toekomst, een dikke muur bouwen rond je miserabele leven. Als je zo goedkoop mogelijk je honger moet stillen, stop je je lichaam vol met junkfood.

    Gisterochtend kwam een arme, beetje lijvige, Afro-Amerikaanse man aan mijn huis om enkele dollars smeken. Hij had geen pistool bij, zei hij geruststellend, maar hij had wel grote honger. “Ik zou zo graag een bagel eten. Ik ga op mijn knieën voor u. Please, a few dollars for a bagel.” Wat doe je dan?

    Als het niveau van obesitas zo blijft in de VS, zal de levensverwachting van de Amerikanen de komende decennia met vijf tot vijftien jaar dalen. Die voorspelling staat in het onthutsende boek "Honger" (2015) van de Argentijnse onderzoeksjournalist Martin Caparros. “De obese cultuur is het vette lijk in de Amerikaanse kast”, lees ik op bladzijde 369.

    Politieke plannen om de Amerikaanse eetgewoonten te veranderen, stranden telkens weer. Een overheid moet zich niet bemoeien met de levens van de mensen, klinkt het. Toen de vorige burgemeester van New York, Michael Bloomberg, enkele jaren geleden voorstelde om de porties van mierzoete cola of limonade te beperken tot drinkbekers van een halve liter, was dat voor vriend en vijand een brug te ver. Imagine that!

    Economisch belang van mais

    Als Amerikanen alleen maar zouden overschakelen van pop soda (zoete frisdrank) naar plat water zou dat al een aanzienlijk deel van de obesitascrisis oplossen. Maar de lobbyisten van Coca-Cola en Mountain Dew zullen het niet laten gebeuren.

    Weerstand tegen overheidsingrijpen is niet de enige reden. Er zijn ook de economische belangen. De Amerikaanse overheid subsidieert enorm hard maïs. In maïs zitten bijna alle voedingsstoffen die Amerikanen eten of drinken. De zoetstof glucose-fructosestroop wordt uit maïs gedestilleerd. De burgers van McDonald’s komen onrechtstreeks voort uit maïssubsidies.

    De koeien voor de Triple Mac (ja, ja, die bestaat nu ook!) worden vetgemest op maïs. Door het subsidiebeleid van Amerika is het dus veel aantrekkelijker (lees: goedkoper) om fastfood te eten dan broccoli of boontjes. De subsidie voor maïs is eigenlijk een toelage voor obesitas. O ja, politici die de landbouwsubsidies voor maïs willen afschaffen, mogen een politieke toekomst op hun buik schrijven. No way dat je bijvoorbeeld in staten van de Midwest nog verkozen geraakt als je dit soort pleidooien houdt.

    “You wanna have another bagel? Some more butter? An extra pancake?”

    Carlos brengt me de rekening. 24 dollar 80. Ik hoef de rest van de dag niet meer te eten, zo vol zit ik. Ik schrijf enkele van mijn indrukken op in mijn schriftje. Tom’s Restaurant is een heerlijke plek om te luistervinken en te observeren.

    Carlos zegt iets. “Hier zat ooit een man die een stuk van zijn roman aan jouw tafeltje zat te bedenken en op te schrijven. Het was een man van Griekse afkomst.

    Het was inderdaad de beroemde Amerikaanse schrijver (met Griekse wortels), Jeffrey Eugenides, die hier bij Tom’s een deel van "Middlesex" heeft geschreven, die magistrale familie- en immigrantenroman, het onvoorstelbaar ontroerende verhaal van Cal Stephanides, geboren als Calliope, over een wereld van transseksuelen en hermafrodieten. Ja, je maakt wat mee tijdens een uitgebreid solo-ontbijt. Mijn hersenen draaien soms overuren.

    Aan de kassa sta ik naast een zeer corpulente man van middelbare leeftijd. U wilt niet weten wat hij allemaal als ontbijt heeft besteld. Ik kon het gadeslaan van aan mijn tafeltje. Pas als hij naar buiten waggelt, valt me zijn kwabberige onderkin op, en zijn Amerikaanse gigakont.

    Ik wend de blik af en kijk nog één keer om naar het wonderlijke interieur van Tom’s Restaurant. De vlaggen op de muren, de foto’s. Hier hangt een sfeer die je niet graag achterlaat. Een sfeer alsof het vroeger beter was, overzichtelijker. Een tijd waarin het nog stil kon zijn op straat, en geluk nog heel gewoon.

    Op de radio weerklinkt de heerlijke muziek van de Amerikaanse crooner Tony Bennett, "Stranger in Paradise". Met een hoofd vol verwarrende gedachten duw ik de deur open. Uit de luidsprekers achter mij, galmt het nog na: “All lost in wonderland. A stranger in paradise.