Meest recent

    Leven en dood op straat: Bruno

    Elk weekend brengen we een verhaal uit de wereld van de dak- en thuislozen. Vaak krijgen deze mensen aandacht als de barre koude intreedt, en de vragen over winteropvang rijzen. Als het lente wordt, lijkt het alsof het leven op straat weer een fluitje van een cent is. Dat is niet zo: hun leven is hard winter én zomer, en eenzaam, en ook de dood is dat. Deze week vertelt een vrijwilliger het verhaal van Bruno, een man die in moeilijke omstandigheden in Brussel terecht kwam, en er 17 jaar lang op straat heeft gewoond.

    Bruno heeft zowat overal op straat geslapen. Na 17 jaar dak en thuisloosheid weet je het allicht wel. “Hij heeft mij al zijn slaapplekken getoond,” mijmert Geneviève d’Hoop. Vijf jaar lang, tot zijn overlijden op 24 augustus 2016, was zij een buddy van Bruno. Bruno was 53. Hij woonde eindelijk in een huis, maar zijn lichaam was versleten van de vele jaar ontbering op straat.

    Bruno kwam uit Ath, had 3 kinderen, uit drie relaties. Toen hij zonder werk viel is hij naar Brussel gekomen. Geneviève leerde Bruno kennen via de Straatverplegers/Infirmiers de rue, waar ze vrijwilligerswerk deed. “Hij heeft er dus 17 jaar op straat gewoond. De straat was een radicale breuk met zijn verleden. Hij was zo gekwetst dat hij alles wilde verlaten, maar hij wilde leven. En hij was heel impulsief,” lacht Geneviève, “En koppig, hé. Daar lachten we vaak mee, met zijn koppigheid. Hij had wel humor, ja.”

    “Met zijn oudste kinderen had hij geen contact meer, het was toch heel moeilijk voor hem, toch een beetje vierde wereld. Met de jongste wel, die jongste zoon is in een home opgevangen.
    In het begin van ons contact dronk hij nog veel. Toen had hij een logies in een blok met 6 kamers en een gemeenschappelijke keuken. De andere bewoners waren druggebruikers . Het was er vuil. Het gebouw was privébezit maar uitgeleend aan de straatverplegers. Zij hadden een sleutel. Dan kwam ik bijvoorbeeld om 9.00 uur ‘s morgens, en dan stond zijn fles Gordon nog naast zijn bed. Als hij nog zat was moest ik zeggen dat ik niet bleef. Als Bruno gedronken had, maakte hij soms de deur niet open. Dan moest ik dus overleggen met de Straatverplegers. Maar hij is nooit aggressief geweest tegen mij, hij was blij dat ik kwam.
    Dat was ook het doel: hem een positief moment geven.”

    Geneviève wilde afspreken aan een café aan het Rouppeplein in Brussel. Daar had ze Bruno de laatste keer ontmoet. Ze dronken er samen een koffie, en praatten nog over een project rond daklozen in scholen, waarvoor Bruno weer gastspreker zou zijn. “Dat deed hij wel vaker, hij vond hij heel fijn om te doen. De afspraak was dat de leerlingen hem niets mochten vragen over zijn persoonlijk leven, maar na een half uur begon hij er steevast zelf over. Hij dacht dan aan zijn eigen kinderen, hij wilde de jeugd iets doorgeven en hen laten beseffen dat iederéén op straat kan terecht komen.”

     

    Ze is een innemende vrouw, de buddy van Bruno. Ze straalt kracht uit. Jarenlang is ze verpleegster geweest, was altijd bezig in functie van anderen. Toen ze met pensioen ging, wilde ze vrijwilligerswerk doen. Zo is ze bij de Straatverplegers/Infirmiers de rue terecht gekomen, een Organisatie in Brussel die werkt om daklozen terug te verbinden met hun omgeving en ervoor te zorgen dat ze de weg naar de gezondheidszorg en hygiëne vinden. Hun uiteindelijke doel is mensen terug een huis te geven. “Housing First”. Hun vrijwilligers worden eerst opgeleid. “ Dat is een echte cursus, hygiëne, gezondheid - dat is echt wel nodig, ja.” “Ook psychologie, ‘une formation à l’écoute’ - je moet echt leren luisteren, “ zegt Geneviève, “je moet echt een gedragscode leren. Zo kun je leren daklozen echt te steunen, veiligheid te bieden voor hen, en het helpt de straatverplegers ook in hun werk. Ik ben eerst twee maanden met hen op stap gegaan. Dakloosheid, dat is echt serieus, je doet dit werk ook niet zomaar.”

    We zitten buiten op het terras, met de jassen aan. Geneviève houdt ervan om buiten te zitten. Dat herinnert haar aan de tijd dat ze Bruno begeleidde, op straat met de straatbewoners. Het is ook zo, je ziet plots veel scherper wat er zich afspeelt. Het Rouppeplein, de Stalingradlaan in Brussel, veel meer dan verbindingswegen in de stad zijn deze plekken een decor voor het straattoneel.

    “Ik wilde dat echt wel hé, terecht komen in een wereld die ik niet ken. Voor ik met de Straatverplegers ging werken was ik trouwens vrijwilliger in de vrouwengevangenis. Die cursus van de Straatverplegers is nodig, omdat je best wel in moeilijke situaties terecht komt. Ik zag Bruno de eerste keer met de Straatverplegers. Pas daarna mocht ik alleen met hem op stap. Ik had vernomen dat hij graag tekende maar dat hij het niet meer deed, dat hij geïnteresseerd was in kunst. Ik had zo’n farde had ik van Magritte, ik dacht, ik zal die meenemen. Toen hij die zag is hij beginnen te praten. “

    Dagboek

    “Elk bezoek, elk moment is gedocumenteerd. “ Met enige trots toont Geneviève de map met documentatie, de Brunomap. Het eerste contact was op 11 augustus 2011, het laatste op 12 augustus 2016. Ongelooflijk hé, precies 5 jaar.”

    De Brunomap is een schat aan informatie. Van elk bezoek is er een verslag, met foto’s, tickets en andere bewijsstukken: een echt scrapbook. Geneviève was zijn buddy voor andere dingen dan de loutere administratie en gezondheidsproblemen. Ze deden ook leuke dingen; wandelen, musea, film. Maar te veel kon Bruno niet aan. “Je stelt me teveel voor, tu insistes, zei hij op een bepaald moment. Maar ja, dat ligt in mijn temperament. Ik heb echt moeten leren om het zachtjes aan te doen. Op de duur was het een spelletje. Je leert je echt wel in de plaats van de mensen te stellen. Het is een doseren van mededogen, empathie en afstand houden, heel belangrijk.”

    Of hij een vriend geworden is? Geneviève denkt na. “ Ja, uiteindelijk wel. De Straatverplegers zeggen altijd u,. Wij tutuoyeerden elkaar. Hij was zeer open tegenover mij. Ik kende al zijn familieleden uit de verhalen, ook zijn hele geschiedenis. Het heeft lang geduurd voor hij een vaste plek had, In wezen woonde hij op het Anneessensplein. De hulpverleners van Diogène* hebben twee jaar op hem ingepraat voor hij toegaf om naar een opvang te gaan. Hij kreeg dan elke week een sommetje geld, hij was invalide. Hij was dan in behandeling bij de Centre Médicale in de Marollen, ze kenden hem daar goed. Stilaan heeft hij zijn drankverbruik afgebouwd. Hij dronk dan geen Gordon meer, maar Carapils. Dat kon hij beter en beter géreren. Maar het was altijd delicaat om daar iets over te zeggen.“

    “Hij had vrienden op straat, ja. En hij heeft ook wel de liefde gekend. Soms had hij iemand op zijn kamer. Ik hoorde dat aan het gestommel. (lacht) Dat waren dan wel altijd mensen die ook problemen hadden.

    En elk jaar ging hij terug naar Ath, naar een tante, en naar het grote feest van “Ducasse d’Ath”. Hij is betrokken gebleven bij zijn streek, op een manier.
    Er zijn een paar hoogtepunten geweest, het bezoek van Koning Filip en Koningin Matilde. Daar was hij heel fier op. En het bezoek aan het Huis van Jacques Brel, waar hij de dochter van Brel heeft ontmoet. 

    Hij heeft dan een tijd een woonplek gekregen aan het Anneessensplein, zijn biotoop. Zijn laatste plek was een echte woonplaats, een appartement aan de Gentse steenweg. Daar was hij echt goed, hij voelde er zich veilig. Tiger, zijn kat, hield hem gezelschap. Hij keek dan veel TV, naar Arte, en leerde heel veel dingen. Hij was een soort reintegratie. Ik kom thuis, zei hij vaak. En toch bleef hij naar het Anneessensplein gaan hé.”

    Hij gaf ook veel terug

    “Ik heb ook veel van hem geleerd. Nederig zijn, bijvoorbeeld, omdat ik inzag dat hij een moeilijk leven had. Hij heeft zoveel moeten vechten.
    Oog hebben voor de simpele dingen van het leven, dat is zo belangrijk om door te geven. Weet je, die mensen zijn zo gevoelig. Waarschijnlijk komt het ook daardoor dat ze op straat terecht komen. Ik ben echt anders beginnen te denken. Ik kijk naar mijn overvloed, het glas is halfvol.

    Dat scholenproject, dat deed hij met zoveel passie, het enthousiasme waarmee hij in de klassen vertelde over het leven op straat…...Het was een missie. Hij zou net aan een nieuwe reeks beginnen toen hij stierf.”

    “Een vriend van hem heeft hem dood aangetroffen in zijn appartement. Sporen van geweld waren er niet. Hij was van Ath teruggekomen, waarschijnlijk voelde hij zich niet goed. Zijn lichaam was versleten: onevenwichtige voeding, koude en slechte hygiëne vergen ontzettend veel van een mens. De dood van zijn moeder is de genadeslag geweest. De familie had hem heel laat verwittigd, hij was er onderste boven van. Zijn verleden kwam heel, heel hard terug op dat moment.

    Voor zijn begrafenis is de familie wel opgedoken. Als de gemeente de begrafenis moet betalen is het vaak met een minimum aan kosten - ik heb zijn lichaam gezien in de staat waarin hij is gevonden, zonder extra zorg. Ik heb zijn familie toen verwittigd, en samen met zijn zus de uitvaart in het crematorium voorbereid. Er was veel volk, uiteindelijk, 2 zonen, zijn zus, veel vrienden van de straat, de straatverplegers. Iedereen was aangedaan. Iedereen besefte: hij is maar 53, hij is uiteindelijk gestorven aan slijtage van de straat.“