Meest recent

    Het creatieve lab van... Michel Wuyts: "De nacht voor de Ronde is de meest penibele"

    Je bent creatief of je bent het niet, beweren sommigen. Maar klopt dat wel? Zijn er manieren om creatiever te worden? Om meer inspiratie te vinden? Om op betere ideeën te komen? Heb je daar voldoende nachtrust, sport, discipline of speciale voeding voor nodig? Zoals elke zaterdag vragen we het aan een multitalent in de rubriek "Het creatieve lab van…". Deze week: wielercommentator Michel Wuyts (60). “De nacht voor de Ronde, dat is altijd de meest penibele”, zegt hij, maar dit jaar wordt dat anders.

    Wanneer begint je dag?

    Rond zeven uur. Eén dag op twee heb ik de gewoonte om uit lopen te gaan, voor het ontbijt, met een flesje water in de hand. Ik heb me al een paar keer voorbereid op een marathon. En dan leer je om met water en soms een gelletje toe te komen. Die tien-vijftien kilometer bezorgen me een frisse kop en zin in het ontbijt. En geen ontbijt zonder kranten. Zalig moment is dat. Eerst enkele Belgische kranten op papier, en dan de buitenlandse, vooral L’Equipe en Gazzetta dello Sport, online.

    En hoe gaat het dan verder op een koersdag?
    Naar de koers gaan betekent autorijden. Ik woon aan de verkeerde kant van het land, ik woon in het oosten, in Scherpenheuvel. Meestal moet ik naar Oost- of West-Vlaanderen. De tijd in de auto gebruik ik dikwijls om te telefoneren. Dat kan zijn naar een vriend die ik een tijd links heb laten liggen. Maar het spreekt voor zich dat het veel over koers gaat, in extremis nog naar een ploegleider bellen, Marc Sergeant, of Patrick Lefevere, of Wilfried Peeters, om toch nog wat info op te rapen.
     
    Maar interviews met renners komen altijd op het moment zelf tot stand. Neem nu Gent-Wevelgem, de voorstelling aan de start in Deinze. Ik ben nooit vooraf bezig: wie ga ik welke vraag stellen? Ik laat die mannen op mij afkomen, ik kijk hoe hun gezicht staat, of ze glimlachen of ze beteuterd kijken, of ik zie snel iemand iets fluisteren, en ik speel daar dan op in. Geintjes pluk je uit de lucht.

    Dat is toch het soort creativiteit dat je maar kan hebben als je een volledige bibliotheek in je hoofd hebt zitten?
    Nee. Dat komt zo binnensijpelen. Ik heb ook een voordrachtenshow lopen, die ik doe met gitarist Geert Vandenbon. Daar vertel ik verhalen die meestal teruggrijpen naar de geschiedenis en naar mijn persoonlijke beleving. Die verhalen, die heb ik meestal niet neergeschreven, enkel wat steekwoorden. Ik weet waar die naartoe gaan. De volgorde en de pointes zitten natuurlijk ook in mijn hoofd.  
    Hoe ga je om met email?
    Ik kan vrij snel bepalen welke ertoe doen, en welke snel het bakje in mogen. Je krijgt in de wielerwereld heel veel toegestuurd van mensen die met de pers bezig zijn. Er zijn er die de wedstrijd nog eens uitschrijven. Tja, die heb ik dan net becommentarieerd. Daar heb ik dan minder aan. Er zijn er natuurlijk waar ik op moet antwoorden, maar dat gaat vrij vlug. Ik kan dan wel op mezelf sakkeren als ik mijn antwoord nog toevallig eens tegenkom, dat ik een steek heb laten vallen in de schrijfwijze van een woord.

    Sociale media, zijn die aan jou besteed?
    Nee, ik lees wel op de Sporza-website de tweets die over wielrennen gaan. Die zijn vaak interessant, tenminste als ze goed bedoeld zijn. Daar kun je toch wat nieuws uit halen. Maar mijn kinderen hebben mij erop gewezen: ga niet op Facebook of op Twitter, jij bent het type dat zich daar zal in verliezen. Ze weten het: ik ben geen meester in de beperking.

     

    Zijn er momenten waarop je het allemaal terugschroeft?

    Na de Tour de France gaat de riem er helemaal af. Dan gaan we voor drie weken naar Toscane. En dat voel ik bij de volgende opdracht, de Vuelta. Dan heb ik het de eerste dagen moeilijk om weer in dat ritme te komen. Mijn geest en mijn lijf zitten dan nog in rustmodus. Maar ik laat het niet helemaal toe, ik blijf iedere week mijn columns schrijven. Dat houdt mij ook bij de zaak. In Toscane ben ik wel in een andere leefwereld. Ik vind het prettig om mij daarin te storten en vooral om dat te ondergaan.
     
    Dat klinkt als een weinig actieve vakantie?
    De eerste drie dagen zijn mijn slaapdagen, na zo een Tour. Ik sta op om halftien, ik ontbijt, en om één uur lig ik opnieuw strike. Maar na dag vier is dat weg. En wat doen we dan, mijn vrouw en ik? We gaan ’s morgens alweer hollen.
     
    Lees je tijdens je vakantie? 
    Ik lees het hele jaar door, en liefst zo ver mogelijk van mijn vak af. Ik heb vorig jaar toch wel dertig romans gelezen. Meestal van Nederlandstalige schrijvers, dat is de beste manier om aan mijn taal te werken.  
     
    Heb je bij de Tour ook boeken mee?
    Nee dat is uitgesloten. Daar wordt iedere halve seconde opgesoupeerd aan de koers. Dat is het vernietigende aan de Tour. Alleen op een rustdag zou je dat doen, maar dan ben je zo bekaf, dat je op je bed ligt, onmiddellijk na het middaguur.
     
    In de Tour is het enige rustmoment ’s avonds aan tafel. We zijn dan met zijn vieren: José (De Cauwer, mede-commentator, JH) en ik, en de jongens van de radio, Frank Hoste en Christophe Vandegoor, die zitten met ons in de auto én aan tafel. Het spreekt voor zich dat het daar dikwijls over andere dingen gaat, maar toch ook snel weer over koers. En dat is wel meegenomen, daar doe je ideeën op voor een uitzending van alweer zes uur ’s anderendaags.

    In welke ruimte ben je ’t meest productief of creatief?

    In de achthoek.
     
    De wat?
    De achthoek, dat is het laagst gelegen gedeelte van de gelijkvloerse verdieping in ons huis. Daar ben ik zo een beetje geïsoleerd van de rest van het gezin, en daar werk ik perfect aan mijn columns. Da’s ook een zen-moment, columns schrijven.

    Gezelschap heb je niet nodig om creatief te zijn? 
    Toch wel. Godzijdank is het niet meer zoals in de jaren 90 toen ik bijvoorbeeld de Ronde van Spanje alleen moest doen. Nu doen we het met zijn tweeën. Een prikkel van mijn collega José, daar moet ik een antwoord op geven. Dat zijn de wendingen die een uitzending opvrolijken. We hebben een systeem waarbij we met opzet een halve zin formuleren en de ander de zin laten afmaken.
     
    Maar die zin is niet afgesproken, of wel?
    Nee dan is de pret er af. Als dat allemaal van die prefabzinnetjes zijn, dat heeft de kijker onmiddellijk door.  

    Jouw befaamde uitspraken, komen die on the spot? Ik bedoel je plastische wendingen, genre “hij zal van ijzer moeten zijn, maar wie zal dat breken?”

    (lacht) Ik denk dat ik dat van mijn moeder heb, die had dat ook, dat taalgebruik. Ik heb veel van haar meegekregen. Zij schreef vaak voor zichzelf. Ze liet me dat dan lezen. Het lijkt me evident dat ik daar veel van opgenomen heb. Maar het zijn ingevingen van het moment, soms wel geïnspireerd door iets dat ik gelezen heb en dat komt binnendwarrelen. Wat ook leuk is, ik heb een spel met Guga Baùl (acteur en stemmenimitator, JH). Die is nogal spitsvondig in het vinden van onmogelijke woorden, die totaal niets met wielrennen vandoen hebben. Ik krijg dan op de meest onmogelijke momenten per sms een woordje toegestuurd, vaatwasmachine, zoiets in die aard, of vliegvissen. En dan daagt hij mij uit om die in een zin te stoppen. Dat lukt meestal.
     
    Wat zou je willen verbeteren aan jezelf?
    Meer rustmomenten inlassen. Veel meer momenten waarin ik het allemaal laat gaan. Maar ik ben mij er ook van bewust dat dat zeer gevaarlijk is in ons vak. Ga er twee maanden uit, en je bent ver weg.  

    Is er iets wat je elke dag doet, een ritueel voor je gaat slapen?

    Nakaarten, met mijn vrouw. ’s Avonds terugblikken: welke goede momenten hadden we vandaag? Heb ik iets betekend voor iemand? Dat kan zijn : een boek uitlezen en erdoor verrast worden. Of het kan zijn : mijn vader bezoeken, die een paar maanden geleden op eigen houtje verhuisd is naar een zorgcentrum. Gaan kijken of hij het goed stelt. Ik heb een hekel aan verloren dagen.
     
    Hoe leef je naar de Ronde van Vlaanderen toe?
    Rustiger dan andere jaren. Omdat de uitzending al van bij de start begint. Daardoor kan ik van thuis uit recht naar Oudenaarde, hoef ik niet eerst nog naar het startpodium. Ik ga een betere nacht tegemoet. De nacht voor de Ronde, dat is de meest penibele, omdat dat een van de weinige is waar ik nog bevangen word door stress. Geen stress voor de uitzending, gewoon slaapstress. Ik blijf maar naar het plafond koekeloeren. Nu hoef ik niet naar de start en kan ik gewoon thuis slapen, en dat geeft me in eigen bedstee een wat rustiger gevoel.
     
    Wie gaat er winnen?
    Van Avermaet. Maar schiet me niet af als het Sagan wordt.