Meest recent

    Wanneer ben je een officieel slachtoffer?

    Na de aanslag vorige week in Zweden zijn er ook daar tientallen mensen die moeten leven met de psychische gevolgen. Maar de evolutie van psychisch gewonde, in de nasleep van een terreuraanslag, naar het statuut van officieel en erkend slachtoffer, is niet evident.
    opinie
    Erik De Soir
    Erik de Soir is traumapsycholoog, doctor in de psychologie en doctor in de sociale en militaire wetenschappen, als docent crisispsychologie verbonden aan de Koninklijke Militaire School en aan het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie.

    Erik de Soir is traumapsycholoog, doctor in de psychologie en doctor in de sociale en militaire wetenschappen, als docent crisispsychologie verbonden aan de Koninklijke Militaire School en aan het Koninklijk Hoger Instituur voor Defensie.

    Herinnering in een context van nieuw verlies

    Tot voor enkele jaren was de maand maart het moment waarop in België de slachtoffers van de vreselijke busramp in Sierre (Zwitserland, 14 maart 2012) herdacht werden. Sedert vorig jaar is daar de herdenking van de slachtoffers van de terreuraanslagen op het vliegveld van Zaventem en de metro Maalbeek bijgekomen. Voor het grote publiek lijkt het nog teveel op een voorbijtrekkende karavaan van verlies en verdriet: bloemenhulde, toespraken van gezagsdragers (en dito beloften), “silence for peace”-meditatie, lotgenotengroepen (zoals de gespreksgroepen van “Inner Circle”), profilering van politici die (even) opkomen voor het durende leed van de slachtoffers, enz. En dan leek de aandacht weer snel weg te ebben.

    Nochtans viel de herdenking van de aanslagen in Brussel op een wansmakelijke wijze samen met een nieuwe aanslag in London waarbij vijf mensen om het leven kwamen en vele anderen gewonden werden nadat opnieuw een man inreed op een menigte voordat hij kon worden geneutraliseerd door de ordediensten.

    Inmiddels werd ook Zweden getroffen. Een land dat ongekende inspanningen deed om vluchtelingen te verwelkomen en de armen te openen voor getroffenen van de oorlog. De aanslag in het centrum van Stockholm, in de lange winkelwandelstraat Drottninggatan, waarbij vier doden en tientallen gewonden vielen, was vergelijkbaar met de verschrikkelijke gebeurtenissen van 14 juli 2016 op de “Promenade des Anglais” in Nice waarbij een 80-tal mensen om het leven kwamen en meer dan honderd gewonden vielen waarvan velen bijzonder ernstig gewond.

    Hopelijk worden deze keer alle getroffenen, zowel de fysiek gewonden als zij die moesten rennen voor hun leven of althans dachten te moeten vechten om deze aanslag te overleven, keurig in kaart gebracht en begeleid volgens de acute behoeften die ontstaan uit dit soort blootstelling. In Nice was het aantal getroffenen zo massaal dat de Franse autoriteiten zelfs beslisten dat alleen de mensen die op de rechterkant van het trottoir liepen, konden worden beschouwd als slachtoffer. De mensen op de linkse trottoir waren namelijk niet rechtstreeks geviseerd door de dolleman in de vrachtwagen, zo luidde het, dus… volgens de Franse autoriteiten verdienden zij niet meteen het statuut van slachtoffer van deze aanslag.

    Het spreekt vanzelf dat dit, vanuit het standpunt van de traumapsychologie, te gek is voor woorden en getuigt van een schromelijk tekort aan inzicht in wat de kern van het trauma kan zijn dat mensen als gevolg van dit soort omstandigheden kunnen ontwikkelen.

    Slachtoffer zijn is een kwestie van statuut

    De tijd van beloften en goede voornemens is echter voorbij. Trauma door terreur lijkt voor lange tijd deel te gaan uitmaken van het soort psychische verwondingen die mensen in onze maatschappij kunnen meemaken. De aandacht voor een juiste psychologische triage van psychische gewonden mag nu niet meer verslappen. De herdenkingen in ons land zijn voorbij en de aandacht is inmiddels terug aan het verschuiven naar het geopolitieke niveau: een vernieuwde houding van de VS in het Syriëconflict, de reactie hierop van de bondgenoten van Rusland en de bedreigingen die worden geuit aan het adres van de VS, de gevaren op escalatie, de verkiezingen in Frankrijk die eraan komen, enz. Het is zelfs te hopen dat in deze context de aandacht voor het eindrapport van de parlementaire commissie niet ondermaats zal zijn.

    Het toerisme in Brussel is terug op peil gekomen, de luchthaven van Zaventem draait in een vernieuwde constellatie en met nieuwe veiligheidsprocedures en toegenomen personeel terug op volle toeren en de mensen nemen in Brussel terug de metro. De angst is grotendeels terug naar de achtergrond verbannen. Dat er nog dagelijks militairen in onze straten patrouilleren – en niet in het minst de ontzettend grote last die hierdoor op hun gezinnen ontstaat – houdt de publieke opinie al lang niet meer bezig. We worden het gewoon. Mensen passen zich uiteindelijk aan alles aan. Dat is de veelgeroemde veerkracht en zelfredzaamheid die sedert enkele jaren als een soort mantra herhaald wordt door beleidsverantwoordelijken die hierin een reden zien om een houding van “watchful waiting” – nl. “we gaan niets doen en kijken of de mensen zonder onze hulp herstellen” – aan te nemen in plaats van de getroffenen van een proactieve hulp te voorzien.

    We riskeren echter het debat over het statuut van slachtoffers te missen. Wat is een slachtoffer? Juridisch gezien is dat een persoon of instantie tegen wie een strafbaar feit is gericht of die de gevolgen van een strafbaar feit rechtstreeks heeft ondervonden. Deze definitie heeft er lange tijd voor gezorgd dat slachtoffers van een ramp, een collectieve noodsituatie, juridisch niet hetzelfde statuut hadden als slachtoffers van misdrijven waardoor de instellingen die zich in het dagelijks leven met slachtofferhulp bezighouden slechts beperkt of soms helemaal niet konden tegemoet komen aan de behoeften van slachtoffers van rampen. Hoe zit het dan met slachtoffers van terreur? Of nog, wat schuilt er in die term “slachtoffer”? Want, als je een slachtoffer van terreur bent, heb je recht op compensatie. Je bent immers een slachtoffer van oorlogsdaden, gewapend geweld, gericht tegen de staat waarvan je een inwoner bent. Slachtoffer zijn, is recht hebben op een tegemoetkoming vanuit de samenleving. Terugbetaling krijgen van alle medische kosten. Of recht op morele compensatie. Als burgerslachtoffer van oorlogsdaden in tijden van vrede. Maar… leven we nog in vrede?

    Maar hoe krijg je het verkocht dat slachtoffers van een terreurdaad een andere behandeling en een ander aanzien krijgen dan slachtoffers van bijvoorbeeld een vliegtuigcrash of een natuurramp? Wie zal daar orde in scheppen en welk zal het criterium zijn? Dit vergt een doordachte analyse en een maatschappelijk debat.

    Van psychisch gewonde naar slachtoffer

    De evolutie van psychisch gewonde, in de nasleep van een terreuraanslag, naar het statuut van officieel en erkend slachtoffer, is niet evident. Eén van de basisproblemen in het voorzien van een gepast nazorgtraject in de nasleep van de terreuraanslagen op Brussel, was de registratie van alle mensen die rechtstreeks of onrechtstreeks, maar duidelijk voelbaar, getroffenen werden door de aanslagen. Voor de gewonden en hun familieleden werd meteen psychosociale opvang voorzien. De familieleden van de overledenen kwamen in een diepe tunnel van wanhoop en ontreddering terecht, met een soms wekenlange wachttijd vooraleer ze de juiste informatie kregen, maar een batterij hulpverleners deden wat ze konden om hierbij de nodige psychosociale omkadering aan te bieden.

    Het grote probleem echter, los van de structurele dwalingen die sedert een aantal jaren vaak voortkomen uit het feit dat in ons land de federale en de regionale realiteiten nog te weinig op elkaar zijn afgestemd inzake slachtofferzorg, bestond uit de duizenden psychische gewonden die nooit terdege in kaart konden worden gebracht.

    Honderden psychische gewonden beschouwden zichzelf in de onmiddellijke nasleep van de aanslagen aanvankelijk niet als een slachtoffer. Ze maakten zich na de ontploffingen zo snel mogelijk uit de voeten, velen onder hen hielpen andere zwaargewonden, keerden op eigen middelen, vaak te voet, huiswaarts en merkten pas veel later hoezeer hun ziel door de gebeurtenissen gebrandmerkt was. Ze trachtten de draad van het leven, zo goed en kwaad als het kon terug op te nemen, zonder enige informatie over hoe en waar ze psychologische hulp konden krijgen. Er is in ons land nog geen “één loket” politiek: een enkel centrum waarvoor getroffenen van een collectieve noodsituaties voor diverse soorten hulp – psychologisch, materieel, financieel, enz. - terecht kunnen.

    Andere psychische gewonden zagen zichzelf wel als slachtoffer, maar leken niet te voldoen aan de vereisten om officieel slachtoffer te mogen zijn. Zoals de “linker trottoir” – getroffenen uit Nice. Tevergeefs wachtten ze maandenlang op hulp en een aantal onder hen kreeg slechts kort voor Kerstmis een schrijven van de premier toegestuurd.

    Anderen kregen het statuut van slachtoffer zonder zichzelf als slachtoffer te (willen) zien. In deze categorie vallen de vele hulpverleners, beroepsmensen en toevallige redders, die tot op vandaag nog steeds herhalen dat ze alleen maar hun plicht deden. Politiemensen, brandweerlui, ambulanciers, medisch personeel en vele anderen voor wie het leven nog steeds niet in de plooi gevallen is. En nog anderen hoorden in geen enkele van de voorgaande categorieën.

    Als de dood meer waard is dan je leven

    Het debat over een juiste indeling van getroffenen, in functie van hun mate van blootstelling, is dringend. Zo lang een grote groep eenzaten en psychisch gestoorden de waarde van sterven hoger inschatten dan de waarde van het leven en blijven vechten tegen de samenleving waarin ze ooit zo vurig hoopten opgenomen te worden.

    Vele kansen op integratie en inburgering zijn verkeken, zoveel wordt steeds duidelijker, waardoor het lijkt alsof een snel aangroeiende groep zich steeds meer verzet tegen onze manier van leven. Voortgaand op een diep geworteld gevoel dat ze niet behoren tot de samenleving waaraan wij allen zo hard willen werken. Althans, dat zeggen we toch graag, maar het lijkt soms op een dun laagje vernis. Het liefst hebben we nog dat er helemaal niets verandert, dat we ons zelf niet moeten aanpassen aan de uitdagingen van een nieuwe wereld en anderen die hier toekomen uit de meest vreselijke gebieden van deze aardbol zich gewoon maar in ons systeem moeten inpassen, zonder slag of stoot. Buigen of barsten.

    Wetenschappelijk onderzoek toont dat aan dat er minder zelfdoding is in maatschappijen die hechter zijn. Daar schort het aan in onze polariserende samenleving. En dat is nu net de vreselijke paradox van deze tijden van terreur en vernieling. Naarmate we als gemeenschap hechter worden op momenten van nationale rouw en herinnering, dalen ook het aantal zelfdodingen. Zoals de dag na de aanslagen van 9/11 in New York een aantal zelfdodingen in de VS op een historisch dieptepunt terugvielen (naar 36 op een dag in plaats van de "normale” meer dan 100 zelfdodingen per dag). Terwijl anderen diezelfde samenleving blijven verwerpen en zich voorbereiden op de volgende “passage à l’acte”, gebaseerd op een gevoel van “niet behoren tot”, “verbreking met de gemeenschap” en het vaste geloof dat hun dood naar “verlossing van anderen” zal leiden.

    Een cynische vaststelling in de Paasperiode.