Meest recent

    Waarom willen gemeenten fuseren, of net niet?

    Er zitten welgeteld vier fusiedossiers van Vlaamse gemeenten in de pijplijn. In totaal gaat het maar om negen gemeenten op 308 die willen samengaan: In Limburg Meeuwen-Gruitrode en Opglabbeek, naast Hamont-Achel, Neerpelt en Overpelt. En in Oost-Vlaanderen Kruishoutem en Zingem en sinds gisterenavond zijn daar Aalter en Knesselare bijgekomen. Geen onverdeeld succes dus van de vrijwillige fusies. Waarom willen gemeenten fuseren én vooral waarom willen ze dat niet doen?
    analyse
    Johny Vansevenant
    Johny Vansevenant is Wetstraatjournalist bij VRT NWS. Hij volgt vooral de federale politiek.

    Johny Vansevenant is Wetstraatjournalist bij VRT Nieuws. Hij volgt vooral de federale politiek.

    Een financiële wortel van 500 euro

    Tot eind dit jaar krijgen de Vlaamse gemeenten de kans om samen te smelten zodat ze na de gemeenteraadsverkiezingen op 1 januari 2019 als fusiegemeente van start kunnen gaan. De Vlaamse regering staat alvast met geld te zwaaien om toch maar te willen fuseren. Tot 500 euro per inwoner is er schuldkwijtschelding met een maximum van 20 miljoen per fusie. De Vlaamse regering heeft een pot klaar staan van 200 miljoen euro voor die vrijwillige fusies. Er is dus nog volop geld om meer fusiedossiers te financieren dan de vier die nu in de pijplijn zitten…

    Die 500 euro per inwoner is wel een mooi startcadeau. Volgens cijfers van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten bedraagt de schuldgraad per inwoner gemiddeld 1.200 tot 1.300 euro. Dus levert een fusie op zich al een kleine halvering van de uitstaande schuld op. Niet dat de intresten daarop hoog zijn, maar het is wel een mooie aanmoediging.

    Meer en betere diensten

    Fusies leveren bovendien ook nog eens een schaalvoordeel op. Dat samensmelten levert meer inwoners per gemeente op en dus ook meer belastingontvangsten om te besteden. De lat kan dus hoger gelegd worden voor de bouw van rusthuizen, sporthallen, zwembaden, bibliotheken…. Een grote gemeente zal dus meer en betere diensten aan zijn inwoners kunnen aanbieden.

    Door de extra financiële middelen wordt het ook mogelijk om hoger gekwalificeerd personeel in dienst te nemen. Sportdiensten of klusjesdiensten zullen ook over een grotere pool personeel beschikken zodat er altijd een back-up is voor ziektes of vakanties. Een gemeente van 30.000 inwoners zal ook zwaarder wegen in Brussel dan een van 10.000 inwoners. Daardoor zullen de gefuseerde gemeenten makkelijker middelen kunnen binnenrijven bij de Vlaamse overheid. Een grotere gemeente zal ook sterker politiek personeel kunnen aantrekken zodat de “bestuurskracht” groter wordt.

    Ambitie kost geld

    Toch komen er ook minder opbeurende berichten uit Nederland waar gekozen is voor gemeenten die twee keer zo groot zijn als bij ons. Die grotere en daardoor ambitieuzere gemeenten geven gewoon meer uit aan dure projecten of aan hoog gekwalificeerd personeel. Daardoor is het allesbehalve een besparingsoperatie. Ook is het zo dat je bij een fusie niet onmiddellijk financiële vruchten kunt plukken. De samengesmolten gemeenten kunnen maar moeilijk hun gemeentepersoneel afdanken, zelfs al fuseren ze hun diensten. Ook blijft de pensioenfactuur dezelfde.

    De bevolking verwacht ook dat de gemeentediensten “antennes” behouden in de deelgemeenten, zodat er in het “afgedankte” gemeentehuis nog altijd een minimale dienstverlening overblijft. Ook dat kost geld en verhindert dat de nieuwe grote fusiegemeente maximaal de financiële vruchten plukt van de operatie. Tenslotte levert de fusie van straatarme gemeenten ook maar hooguit een straatarme, grotere fusiegemeente op. Wanneer kleine landbouwgemeenten in de Westhoek samengaan, blijven de lage belastingontvangsten laag.

    Drie jaar met jezelf bezig zijn

    Fuseren betekent ook dat gemeenten twee tot drie jaar met zichzelf bezig moeten zijn. Daardoor is er weinig tijd om te investeren in echt beleid. De diensten van de gefuseerde gemeenten moeten ineen geschoven worden. Dat kan je niet zomaar in een vingerknip doen. Er is zelfs te horen dat fuseren in de eerste jaren geld kost. Er zijn dan ook enorm veel praktische problemen op te lossen. Al was het maar de herbenoeming van de straatnamen. Als er in elk van de oorspronkelijke gemeenten een Kloosterstraat is, dan moet een van die twee sneuvelen. Als die gemeenten in verschillende intercommunales zitten of politiezones dan is er ook nog extra werk aan de winkel.

    De burgemeester kunnen aanspreken

    In veel gemeenten staat de bevolking ook niet te springen om een fusie. Daarvoor zijn er vooral sentimentele redenen. Veel mensen waarderen de vertrouwdheid met de eigen gemeente, met een burgemeester die ze persoonlijk kunnen aanspreken en met een gemeentehuis dat vlakbij is. De inwoners zijn bang dat de afstand met het bestuur en met de administratie groter wordt. Ze zijn er ook dikwijls niet voor te vinden dat hun gemeente opgeslokt wordt door een grote buur.

    Fusies maken het meest kans wanneer het gaat om gemeenten van ongeveer dezelfde grootte en wanneer ze allebei bang zijn ooit te moeten fuseren met een nabijgelegen stad. Fusies zijn ook makkelijker wanneer dezelfde meerderheid in de oorspronkelijke gemeenten aan de macht is. En wanneer een van beide burgemeesters fin de carrière is… Het hemd is ook de in de gemeentepolitiek nader dan de rok. Als al die voorwaarden vervuld zijn, dan is een fusie mogelijk. Het biedt die gemeenten zo de kans “voorsprong te nemen” op iets wat in de ogen van velen onvermijdelijk is.

    Verplichte fusies in het volgende regeerakkoord?

    De grootste Vlaamse partij N-VA heeft al herhaaldelijk laten horen voorstander te zijn van verplichte fusies van kleinere gemeenten. Het geloof is hardnekkig dat die verplichting in het volgende Vlaamse regeerakkoord zal staan. Het zou een “efficiëntieoefening” moeten worden, zoals nu aan het gebeuren is met de “inkanteling” van de OCMW’s in de gemeenten. Dat ineenschuiven gebeurt onder de voogdij van Vlaams N-VA-minister van Binnenlands Bestuur Homans. Vraag is of N-VA sterk genoeg zal staan om de verplichte fusies van de gemeenten erdoor te drukken.

    CD&V is geen voorstander van die verplichte fusies. “Het moet vanonder uit groeien”, is bij de partij te horen. De christendemocraten wijzen er ook op dat van de fusies die in de pijplijn zitten, het allemaal gemeenten zijn waar CD&V zwaar doorweegt. Dat betekent dat die partij ervan uit gaat dat de fusie CD&V daar allesbehalve zal verzwakken. Ook hier zal het hemd weer nader dan de rok zijn.

    Ook zijn veel plattelandsburgemeesters van kleine gemeenten CD&V’ers. Een reden wellicht voor de Vlaamse christendemocraten om op de rem te staan voor verplichte fusies. Zij mikken veel meer op samenwerkingsverbanden tussen gemeenten. De partij heeft geen zin om een pak burgemeesters op te offeren. Ongetwijfeld gaan de N-VA’ers ervan uit dat ze in grotere gemeenten meer kans maken op burgemeesterssjerpen. Of de verplichting er uiteindelijk komt, zal afhangen van de politieke krachtsverhoudingen na de parlementsverkiezingen van 2019.