Meest recent

    Leven en dood op straat: Abdel, dakloze en zorgverlener

    Een aimabel uitziende man, naar schatting een veertiger, wacht aan het metrostation. Niets aan zijn hele verschijning laat zijn status vermoeden: netjes gekapt, klassiek sportief gekleed, gepoetste nette schoenen. Hij glimlacht. Zijn gezicht klaart daarmee op, zijn open blik geeft vertrouwen. Abdel is een zorgverlener: elke avond, nacht en ochtend zorgt hij met veel toewijding voor een oude heer die ‘het’ niet meer zelf kan. Eten, toilet, wassen, kleden. Maar nog wel zo zelfstandig mogelijk woont. Abdel verdient 10 euro per nacht en krijgt een slaapplek. Daarmee is hij heel tevreden, want het alternatief is de straat, waar hij twee maanden geleden nog full time woonde. “Dat is het leven,” zegt hij berustend, “ zoals dit.” Met een zucht blaast hij het theelichtje uit.

    Hoe een centje rollen kan:

     Nochtans leek dat niet zijn lot: als jonge snaak werkte hij mee met zijn vader in een bloeiend electriciteitsbedrijf en woonden ze in een mooie villa in Casablanca. 20 jaar later belandt hij moederziel alleen in de straten van Antwerpen. Het verhaal zal er met horten en stoten uitkomen. Feit is dat hij tot augustus vorig jaar in een studiootje woonde en zelf in zijn onderhoud voorzag. “Ik  leerde Nederlands, niveau 2.1. Ik werkte in een sandwichbar, had een officiële oranje arbeidskaart. Aanvankelijk werd ik ordentelijk betaald, maar na verloop van tijd zette de baas zijn loon verplicht om in een plek op zolder waarvoor hij 300 euro huur aftrok. Van mijn  37 euro per dag bleef na kosten en taxen sowieso al niet veel  over. Na die verhuis al helemaal niet meer.  Ik heb dan met wat hulp klacht neergelegd bij de arbeidsinspectie. Die erkenden meteen dat ik slachtoffer was van mensenhandel. Maar daar stond ik dan, want met die oranje kaart moet je wel bewijzen dat je werk hebt. Ik had de nodige certificaten voor Nederlands en zou normaal gezien een opleiding krijgen bij de VDAB die grote slaagkans geeft op werk. Maar die boden ze pas aan net voor de termijn verstreek. Ik wilde assistentie in de farmacie leren, maar dat ging dus niet meer. Kort daarop verloor ik mijn papieren en stond ik van de ene dag op de andere op straat. Het komt erop neer dat je wel rechten hebt maar de kans niet krijgt.” 

    “Vrienden zijn als paraplu’s: als het regent zijn ze er niet.”

    “Het OCMW had me aangeraden mijn meubelen te laten staan, in de overtuiging dat de nieuwe huurder die zou overnemen en ik zo nog wat geld kon recupereren. Niet dus. ’t Vlot *heeft mijn huur nog een maand betaald, maar dan heb ik mijn meubelen zelf op straat moeten zetten. De arbeidsrechtbank had me dan wel in het gelijk gesteld, maar feitelijk is het een procedure die hen goed uitkomt om de werkgever te klissen. De staat int de boete, maar het slachtoffer wordt naderhand in de kou gezet. Hulpverleningsorganisaties? Goed bedoeld, maar die leven ook in illusies hé. Met al hun bureau’s en hun computers kunnen ze niets doen. Idealisten…. Vriendelijk, vol goeie wil. Maar als je hen nodig hebt kunnen ze niets. Ken je dat Italiaanse spreekwoord? “

    Op een bankje in het park

    “In elk geval: ik stond op straat, letterlijk, en er bleef niets anders over dan te slapen op de banken in de parken. Gelukkig was het geen volle winter. Maar tegen zatlappen helpt dat niet. Als je ’s nachts in Park Spoor Noord slaapt en te vrolijke mensen op weg naar huis je lastig vallen, of je spullen willen nemen, maakt het weer niet uit. Ik had nochtans niet veel: één tas met een beetje kleren en een deken.” Of hij dan niet naar de nachtopvang kon? “Jawel, ik ben er eens wekenlang geweest en zelfs niet buiten geweest: ik was doodziek. Koorts, hoofdpijn, infecties, constant misselijk. Als je niet normaal slaapt en eet heb je geen weerstand hé. De Dokters van de Wereld verzorgden me, dat zijn de enigen bij wie je terecht kunt. Maar die slaapzalen met 24 mensen bij elkaar, nee, ik kan het niet meer aan.”

    De straat is een super school

    “Het was een rijke ervaring, mijn tijd op straat. Je ziet veel. Je leert weerstand bieden, je leert helpen. Klinkt raar ja, maar je leert heel snel voelen wanneer mensen iets nodig hebben of er iets mis is. Als je gewoon woont en werkt sta je veel minder stil bij het lijden van anderen. Als dakloze heb je veel sneller door dat hun zorgen nog groter zijn dan het jouwe. Ik heb veel geleerd. Je moest eens weten wie je tegenkomt bij de daklozen. Ik ken een gewezen bankier. Een een docent scheikunde. Je ziet maar, er zijn veel mensen zoals ik. ”

    Bang van daklozen

     “Ikzelf ben ook geholpen ja, zeker door organisaties als ’t Vlot. Niet door de straatbewoners. Daar is het ieder voor zich. En ook niet veel door de gewone buitenwereld. Mensen zijn bang van daklozen hé.” Abdel lacht, een beetje meewarig. Plots zie je dat hij tanden mist, wat helemaal niet past bij de rest van zijn verschijning. Gebrek aan gezondheidszorg. 

    “Ja echt bang zijn de mensen. Er zijn natuurlijk veel daklozen met een alcoholprobleem. Dat is waar. Maar dat betekent nog niet dat die mensen een persoonlijkheidsprobleem hebben. Of dat die slecht zijn.” Vanuit de witte ‘veilige’ binnenwereld lijkt misschien alsof je makkelijk in straatcriminaliteit verzeild geraakt. “De drempel is misschien wel lager, maar het hoeft niet zo te zijn. Je kunt overleven op straat zonder criminaliteit. Dat hangt van je karakter af.”

    Het leven van een pechvogel

     Sommige beslissingen kunnen een noodlottige wending aan je leven geven. De oud-Griekse literatuur staat vol van die verhalen. Abdel’s leven lijkt ook gestuurd door zoiets. Om zijn vader’s noodlijdende zaak te redden sloot hij een lening af. “ Ik ben dan als officieel vertegenwoordiger voor de zaak naar Parijs getrokken. Ik kon er geld verdienen om mijn familie te helpen, en ben dan blijven hangen.” Maar dat was na verloop van tijd niet meer legaal. Abdel trok naar Italië. Daar kreeg hij snel een officiële job: de renovatie van gevangenissen. 12 jaar woonde hij daar, tot er ook geen werk meer was. Hij dacht dan soelaas te vinden bij familie in Nederland, maar dat draaide niet zo uit. En toen werd het België. “In Brussel heb ik ook gezocht, maar ik vind Antwerpen fijner. En ik heb Nederlands geleerd. “Ik ben hier sinds 2009. Ik heb in de bouw gewerkt, in winkels, in de horeca. Voor één euro per uur soms: keuken, zaal, schoonmaak. Een hondenleven is dat. Naar mijn land kan ik niet terug wegens die lening: als ik daar kom ga ik naar de gevangenis. Verjaring? Bestaat officieel wal, maar om je echt te doen vergeten moet je betalen. Mijn ouders zijn leven nu van een klein pensioentje, voor hen is het faillissement klaar, voor mij niet. Ik heb mijn familie al die tijd niet meer gezien. Ik bel elke week. Ik mis hen, natuurlijk mis ik hen.” 

    Wie wil nu een dakloze?

     “Een relatie heb ik nooit gehad nee. Wie wil nu een mens zonder werk, zonder papieren, zonder huis? Iedereen denkt dat ik een clochard ben, een alcoholist, of zo. Maar goed, ik heb ook mooie momenten gekend. En nu heb ik het weer wat rustiger, ik ben tevreden. Ik heb onderdak, ik heb een centje, ik kan gaan eten bij organisaties en ik doe iets zinvols, ik krijg wat dankbaarheid. Want als ik er niet was, zou er vaak niemand zijn om de oude man eten te geven.”

    “ik droom van een normaal leven. Geen vie en rose, een reëel leven met werk, gezin, huis, luxe hoeft niet. Maar anderzijds kan er me weinig gebeuren: slechter kan het niet, ik heb de ondergrens al lang bereikt.” 
      
    *’t Vlot: huiskamerproject voor dak-en thuislozen