Meest recent

    1 maand van VRT-redactie naar het klaslokaal: Juf Brigitte blikt terug

    Onze collega Brigitte Vermeersch stond tussen de krokus- en de paasvakantie een maand voor de klas in het stedelijk lyceum Offerande (ook wel Marco Polo genoemd) in het centrum van Antwerpen. Ze gaf er Nederlandse les aan 14 leerlingen tussen de 12 en 17 jaar oud die recent in ons land waren aangekomen. Haar leerlingen kwamen uit 8 verschillende landen: van Syrië tot Somalië. Hoe heeft Brigitte die maand beleefd en wat heeft ze geleerd uit haar schoolavontuur?

    Lesgeven geeft heel veel voldoening, maar het vreet energie

    Ik geef toe, ik was erg overmoedig toen ik bij mijn sollicitatiegesprek aan de directeur zei:” Ik wil liefst een full-time job, met alles erop en eraan: klassenraden, oudercontacten, toezicht in de refter en op de speelplaats, huiswerkbegeleiding op woensdag. Ik wil het allemaal meemaken.” Maar ik ondervond snel hoeveel tijd ik stak alleen al in mijn lesvoorbereidingen. Daar was ik bijna elk vrij uur mee bezig tot ’s avonds laat.

    ’s Morgens was ik al om 8 u op school, drie kwartier voor de lessen begonnen, maar die tijd had ik nodig om nog snel fotokopies te maken, mijn klaslokaal te zoeken, te checken of de banken op de juiste manier waren opgesteld, of de PC was aangesloten op de boxen,….Ook van de speeltijd bleef weinig over want die gebruikte ik om een leerling bij te werken die ziek was geweest of gewoon om al mijn materiaal weer bijeen te zoeken en in de doos mee te nemen.  

    Kortom van dat toezicht en die huiswerkbegeleiding kwam weinig in huis, maar dat had de directeur wijselijk voorzien, want hij had ze ook niet ingepland.

    De eerste weken waren dus heftig, maar tegelijk voelde ik vanaf dag 1 de leerkracht in mij weer helemaal naar boven komen. Die 14 leerlingen die daar de eerste dagen wat onwennig zitten en elkaar helemaal niet kennen, omvormen tot een hechte klasgroep. Hen hun eerste Nederlandse woorden leren, het geeft zoveel voldoening en je krijgt ook zoveel vriendschap en warmte terug. Het is daar dat je het als leerkracht allemaal voor doet. 

    Differentiëren is mooi, maar moeilijk

    Mijn 14 jongens en meisjes waren tussen de 12 en 17 jaar oud en kwamen uit Syrië, Irak, Afghanistan, Pakistan, Bulgarije, Somalië, Nepal en Spanje. Sommigen kenden ook wat Engels, anderen spraken enkel Arabisch. Sommigen hadden van hun papa/mama of hun broer al een paar woorden Nederlands geleerd, voor anderen was onze taal nog volledig onbekend.  

    Het was dan ook geen sinecure om in de lessen het juiste tempo voor elkeen te vinden. En ja, ik maakte gebruik van extra oefeningen om wie snel klaar was opnieuw aan het werk te zetten. En ik stelde groepjes van leerlingen samen die elkaar konden verder helpen als er eentje strop zat.

    Maar toch bleef het moeilijk om iedereen op weg te zetten en voort te helpen, zeker omdat ze de Nederlandse taal niet kenden en dus ook moeilijk met elkaar konden communiceren of de opdracht niet altijd goed hadden begrepen. Dus als ik ooit opnieuw ga lesgeven, dan wil ik eerst veel meer leren over hoe je dat differentiëren op een goeie manier kunt aanpakken.

    Met twee voor de klas is geen luxe

    Op sommige dagen stond ik samen met mijn collega Peter voor de klas. En dat was een hele verademing. Want terwijl hij bezig was met de klas, kon ik een paar leerlingen die afwezig waren geweest, bijwerken. We wisselden elkaar ook af. Als zijn lesonderdeel was afgewerkt, nam ik over met het stuk dat ik had voorbereid. Zo zat er tempo en afwisseling in de les en kon de leerkracht die niet voor de klas stond, observeren welke leerlingen mee konden en welke een extra steuntje nodig hadden.  

    Leve de diversiteit bij de leerkrachten!

    Toen ik samen met mijn collega Peter voor de klas stond, merkte ik ook hoe goed we elkaar aanvulden. Met mijn verleden als leerkracht Latijn, wees ik de leerlingen meteen ook op een aantal eenvoudige grammaticale elementen van de taal en ik oefende ook veel met spreekkoren omdat ik uit ervaring wist dat je, als je veel een taal hoort en luidop leest, je onbewust veel leert.  

    Mijn collega Peter geeft naast Nederlands ook sportles en hij is dan weer heel sterk in doe-activiteiten. Zo maakte hij samen met de leerlingen een cijferbingo, die ze fantastisch vonden. En deze ervaring bracht me tot de volgende bedenking: “We spreken altijd over diversiteit bij de leerlingen, maar erken en moedig ook de diversiteit bij de leraren aan.”

    Laat elke leraar schitteren met zijn talent. Wie prachtig verhalen kan vertellen, laat hem vertellen. Wie gepassioneerd is door ICT , laat hem zijn passie doorgeven aan de leerlingen. Leerkrachten en leerlingen zullen er wel bij varen.

    Gelukkig weinig papierwerk

    Als ik af en toe laat horen dat ik wel weer graag zou gaan lesgeven, dan waarschuwen mijn vrienden in het onderwijs mij telkens opnieuw: “ Pas op, Brigitte, het is niet meer zoals vroeger. We moeten alles op papier verantwoorden en daar zijn we uren mee bezig, terwijl we vooral willen lesgeven.” Maar hier op mijn school viel dat papierwerk reuze mee. Natuurlijk, ik bereidde mijn lessen schriftelijk voor want ik wou voor mezelf ook heel duidelijk weten hoe de les zou verlopen, met welke oefeningen en activiteiten, met welke duo’s of groepjes. 

    Maar wat de leerlingen bijvoorbeeld moesten kennen en kunnen op het einde van hoofdstuk 1 stond heel duidelijk opgesomd in het leerboek en hoefde ik zelf dus niet meer uit te schrijven. Alleen de verslagen over de leerlingen waar ik me zorgen over maakte (bijvoorbeeld omdat ze veel afwezig waren) noteerde ik in het elektronisch leerlingvolgsysteem. Op de klassenraad bespraken we wel mondeling alle leerlingen en maakte de leerlingbegeleider het verslag. Ik vond dit efficiënt werken en waardeerde ook het vertrouwen dat de school had in mij als leerkracht.

    De confrontatie met de lege brooddoos

    Men had mij het op voorhand wel gezegd dat sommige leerlingen ’s middags geen eten mee hadden op school. Maar pas op mijn allerlaatste dag werd ik hiermee geconfronteerd, toen we een uitstap maakten naar de Zoo.  

    Voor de picknick haalden de meeste leerlingen van mijn klas hun brooddoos en een drankje boven, maar een paar leerlingen hadden niks mee. Gelukkig had ik twee Franse broden meegekregen van een klas die al gaan picknicken was en zij hadden ook nog appelsap op overschot. Ik had spontaan de broden en het appelsap uitnodigend in het midden op tafel gelegd. Maar ik voelde hoe mijn leerlingen beschaamd waren dat zij niks lekkers mee hadden.

    Aanvankelijk wou ook niemand van hen van de Franse broden eten, maar toen ik even later weer opkeek, zag ik dat ze toch een paar hompen van het Frans brood hadden afgebroken en aan het eten waren. Ik ging een paar glazen halen en verdeelde ook het appelsap zodat iedereen te drinken had. Op dergelijke situaties zou ik als leerkracht beter willen voorbereid zijn. En ik begreep nu ook waarom sommigen van mijn leerlingen na de middagpauze zich nog moeilijk konden concentreren in de les. Hoe kun je leren met een hongerige maag? 

    Een warme school

    Ik had er geen idee van wat de jongens en meisjes uit mijn klas allemaal hadden meegemaakt in hun thuisland. Hoe was hun tocht naar hier verlopen? Hoe waren ze nu hier gehuisvest? Hadden hun ouders hier werk gevonden? Mijn leerlingen kenden niet de woorden in het Nederlands om het me te vertellen. Als ze het al wilden vertellen. Want misschien wilden ze gewoon hier op school leren en weer echt kind of jongere zijn. En zochten ze een veilige, warme plek, met een vaste structuur en duidelijke regels. Daar zette mijn school alvast op in en dat mocht ik al ervaren de eerste keer dat ik de school bezocht.  

    Want net die dag namen de leerlingen en de leerkrachten afscheid van meneer Aziz. Geen gepensioneerde leerkracht, zoals ik eerst dacht, maar een twintiger uit Afghanistan die hier vier jaar geleden op de school aankwam en de laatste jaren als brugfiguur werkte tussen leerlingen en leerkrachten. In zijn afscheidstoespraak op de speelplaats, omringd door alle leerlingen, vertelde hij hoe hij bij zijn aankomst hier geen Nederlands kon spreken of schrijven.  

    Hij dankte al het personeel op de school omdat zij er voor hadden gezorgd dat hij zijn droom had kunnen waarmaken: jongerencoach worden bij het CAW in Antwerpen. Hij zei dat hij hier in Vlaanderen geen familie had, maar dat de school zijn familie was. En hij riep ook alle leerlingen op om hard hun best te doen, zodat ook zij hun droom zouden kunnen waarmaken. Zijn toespraak werd gevolgd door een minutenlang applaus. Ik kreeg er kippenvel van en was erg ontroerd door zijn spontane woorden. 

    Helemaal alleen uit een ver land

    “Kook jij je eten zelf? Ja, ik kook mijn eten zelf.” Het was een oefening in vraag en antwoord in de les “Nederlandse uitspraak”. En ik vroeg één van de leerlingen waar ik mee aan het oefenen was: ”Is dat ook echt waar, kook jij echt zelf je eten?”. “ Jazeker”, antwoordde de jongen, “want ik woon helemaal alleen”.

    Zeventien jaar en afkomstig uit Afghanistan. Helemaal alleen met de boot hier naar toe gekomen en zo eenzaam, vertelde de leerkracht mij achteraf. Vooral in het weekend, als er geen school is en weinig andere groepsactiviteiten, voelde de jongen zich erg alleen. Ik moest denken aan mijn negentigjarige buurman, die na het overlijden van zijn vrouw ook zo eenzaam is. Wie kan die twee eenzame mensen samenbrengen, dacht ik.  

    Wat na de OKAN-school?

    Het is een grote zorg voor leerlingen en leerkrachten: wat na deze OKAN-school waar alles gericht is op anderstalige leerlingen die van nul een vreemde taal moeten leren? Na 1 of 2 jaar kunnen ze zich al goed redden in het Nederlands, maar is het ook voldoende om mee te kunnen in de gewone school? Zullen de leerkrachten daar niet botsen op hun beperkte kennis van het Nederlands en daardoor hun andere talenten niet zien?

    Het viel me op dat de meeste leerlingen met wie ik sprak over hun toekomst hun verwachtingen niet te hoog legden. Eén meisje wou graag laborant worden, maar vreesde dat ze het aan de hogeschool niet zou halen, want academisch Nederlands is natuurlijk nog iets heel anders dan je in het dagelijkse leven in het Nederlands kunnen behelpen.

    Een ander meisje had haar droom om politie-agente te worden al opgeborgen. De studie zou toch te moeilijk zijn, dacht ze. De jongens met wie ik sprak waren meer zelfzeker: ze gingen auto-mechanica of auto-electronica studeren of voor loodgieter leren. Ik kan alleen maar hopen dat zij een leerkracht ontmoeten die voor hen het verschil kan maken, die hen net dat duwtje geeft dat ze nodig hebben om te slagen.

    Meer filmpjes