Meest recent

    Heeft de diplomaat een fout gemaakt? - Frank Gerits

    Heeft de diplomaat bij de Verenigde Naties een fout gemaakt door het lidmaatschap van Saudi-Arabië goed te keuren zonder een minister te vragen of dat mag? Je kan erover twijfelen. Als onze politiek geen antwoorden geeft op prangende diplomatieke vragen, wat is er dan fout als een diplomaat onze lange traditie voortzet?
    opinie
    Opinie
    AP2014

    Frank Gerits is een docent in conflictstudies aan de Universiteit van Amsterdam en een research fellow aan de University of the Free State, Bloemfontein, Zuid-Afrika.

    De onduidelijkheid over de houding van België bij de stemming over de toetreding van Saudi-Arabië tot de vrouwenrechtencommissie is het meest recente voorbeeld van een onderliggend probleem: er is geen goed uitgewerkte doctrine die het buitenlandse beleid schraagt, waardoor de ‘Belgische diplomaat’ in de eerste plaats een koopman blijft die bij momenten een ongemakkelijk spagaat uitvoert tussen waarden en economische belangen.

    Hoe we de Belgische inzet op het gebied van mensenrechten kunnen verzoenen met de Belgische nood om internationale contracten binnen te halen is een vraag waarover – althans niet publiekelijk – gereflecteerd wordt, afgezien van momenten dat het misgaat.

    Het federale kluwen

    Een belangrijke oorzaak van dat gebrek aan communicatie is structureel: opeenvolgende staatshervormingen hebben bevoegdheden rond buitenlands beleid verdeeld over de deelstaten. De ministers van Buitenlandse Zaken beperken zich door die onduidelijkheden vaak tot ad-hocreacties op internationale gebeurtenissen wars van iedere doctrine of strategie.

    Medewerkers van Didier Reynders hebben in het verleden zonder blikken of blozen verklaard dat de man de ministerpost vooral ziet als een draaideur naar een internationale topfunctie.

    Hoewel meer Belgische parlementen dan ooit tevoren zich vandaag uitspreken over de internationale politiek, is het maatschappelijke debat paradoxaal genoeg weggedeemsterd omdat de burgers – en zelfs politici – het kluwen van de Belgische diplomatie niet meer kunnen ontwarren.

    Enkele voorbeelden van gebrek aan antwoorden ...

    Daardoor wordt het politieke debat over de Belgische internationale betrekkingen zelden ten gronde gevoerd.

    1 Terwijl de Amerikaanse president iedere vier jaar zijn buitenlands beleid moet toelichten in een debat met zijn tegenstrever, zitten de Belgische minister van Buitenlandse Zaken, de staatssecretaris van Ontwikkelingssamenwerking en de staatssecretaris van Buitenlandse Handel de verkiezingsdebatten meestal uit achter de schermen.

    2 Hoewel de impact van de globalisering op ons dagelijks leven voortdurend toeneemt, wordt het voor de hardwerkende diplomaten van het federale België steeds moeilijker om een gepast antwoord te formuleren op de mondiale uitdagingen.

    3 De terreurdreiging, migranten op de Middellandse Zee, de wereldwijde financiële crisis, het vrijhandelsverdrag met de Verenigde Staten en Canada alsook de digitale privacy zijn maar een paar vraagstukken die niet door een koopman beantwoord kunnen worden.

    4 Bovendien biedt de jonge Europese diplomatieke actie, pas sinds 2009 met een Hoge vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, een unieke kans om de invloed van kleine landen, zoals België, in de wereld te vergroten.

    Naar meer ambitie

    Dat is een te ambitieuze politiek voor een klein land als België, hoor ik u zeggen. Deze politiek ligt echter in de lijn van de rol die België sinds de Tweede Wereldoorlog gespeeld heeft. Paul-Henri Spaak, premier van 1947 tot 1949, benadrukte namelijk dat noch binnenlandse economische belangen, noch de moraliserende Nederlandse positie van ‘gidsland’ goede leidraden boden.

    Belgische buitenlandministers en diplomaten hebben in het verleden altijd meer succes geboekt als agenda-setters dan als boekhouders of moraalridders.

    Door internationale problemen op een bepaalde manier te kaderen, kan de besluitvorming op internationaal niveau vaak efficiënt gestuurd worden. Spaak gaf, bijvoorbeeld, mee vorm aan de NAVO en steunde de oprichting van het Belgian Information Office in New York, een informatiedienst met de bedoeling om de buitenlandse opinie te beïnvloeden.

    In 1967 zorgde Pierre Harmel er met zijn ‘Harmeloefening’ voor dat de NAVO toenadering zocht tot de Sovjet-Unie en nauwer ging samenwerken in politieke dossiers. Met zijn witboek gaf Leo Tindemans in 1974 een impuls aan een verder doorgedreven integratie van de Europese Unie.

    België gidsland?

    Kortom, België is nooit een ‘gidsland’ geweest, maar wist zich steeds als 'loodgietersland' te profileren. Door het streven naar een multilaterale consensus binnen Europa werden de eigen belangen veilig gesteld en Belgische ideeën subtiel de internationale arena binnengebracht.

    De discussie rond mensenrechten voorstellen als een keuze tussen onze economische belangen of onze waarden is daarom een zwaktebod. Het inzetten van F-16’s louter presenteren als steun aan een internationale coalitie, onproductief.

    Waarvoor willen we het Belgische buitenlandse beleid inzetten? Hoe kunnen we onze economische belangen alsook onze ideologische gehechtheid aan de mensenrechten met elkaar verzoenen? Binnen een democratie zouden we het daar eens ten gronde over moeten hebben.