Meest recent

    Het creatieve lab van... Merho: "Ik zou een betere tekenaar willen zijn"

    Je bent creatief of je bent het niet, beweren sommigen. Maar klopt dat wel? Zijn er manieren om creatiever te worden? Om meer inspiratie te vinden? Om op betere ideeën te komen? Heb je daar voldoende nachtrust, sport, discipline of speciale voeding voor nodig? Zoals elke zaterdag vragen we het aan een multitalent in de rubriek "Het creatieve lab van…". Deze week: Merho (68), voluit Robert Merhottein, de bedenker en tekenaar van het meest succesvolle stripverhaal in Vlaanderen, de Kiekeboes.

    Merho, kan je een beeld geven van een doorsnee werkdag? Hoe laat sta je op?

    Meestal is het halfacht. Dan ga ik de kranten lezen, ontbijten, douchen, en daarna ga ik een halfuurtje op de hometrainer, want voor de rest van de dag heb ik niet zoveel beweging. 
     
    Werken doe je thuis. Files zijn aan jou niet besteed. Heb je een soort uurrooster dat je jezelf oplegt om aan het werk te gaan?
    Ik heb het nog van vroeger, ik werk nu iets rustiger. Toen ik nog fulltime bezig was en alle dagen in de krant stond maakte ik vier albums per jaar, en dan moest ik daar discipline inbouwen. Ik heb het teruggeschroefd naar twee albums per jaar, waardoor mijn schema iets minder strak is. Wat niet wil zeggen dat ik minder uren in mijn studio doorbreng. Ik werk gewoon wat trager. Documentatie opzoeken, een mooie compositie opbouwen, daar ben ik nu iets meer mee bezig dan vroeger. 

    Hoe kom je aan al die ideeën, 148 verhalen?
    Tja, dat wordt een manier van leven. In alles wat je ziet, wat je hoort, wat je leest, je moet daar voelhorens voor kweken, dat daar iets inzit waarvan je zegt: dat kan ik gebruiken. Vroeger liep ik altijd met papiertjes rond om alles op te schrijven. Tegenwoordig steek ik dat in mijn smartphone, en om de maand ga ik er eens door. Sommige dingen gaan eruit, andere houd ik bij. Als ik een thema voor een verhaal heb, dan leg ik daar een map van aan. En dan gaan alle ideeën daar in, krantenartikels, een situatie, een grap. Soms blijft dat een paar jaar liggen, tot ik denk, ik moet daar toch maar eens aan beginnen. Dan begint het gepuzzel. 
     
    Dat klinkt alsof het vanzelf gaat. Je hoeft je niet echt af te zonderen om na te denken over scenario’s?
    Ik ben altijd bezig met scenario’s. Als ik zit te schrijven, dan moet ik altijd in afzondering zitten. Ik kan ook niet verdragen dat er dan een radio opstaat of zo, nee, dan moet het stil zijn. Ik heb collega’s, die gaan in de drukte van een kroeg zitten schrijven. Nee, dat zou ik absoluut niet kunnen. Ideeën komen overal. Als ik aan tafel zit, op de fiets, op toilet, noem maar op.
    Ik vraag me af of dat niet een van de redenen is waarom ik dit ben beginnen doen. Dat ik niet afhang van een baas, dat ik aan niemand verantwoording moet afleggen. Ik bestuur mijn universum als een vrolijke dictator. 

     

    Zijn er momenten waarop je creatiever bent dan op andere momenten?

    Ik ben een diesel. Als ik ’s morgens begin, zeker met tekstschrijven heb ik dat, dan zit ik wat aan te morrelen. Mails, Facebook, ik stel het uit om eraan te beginnen. Tussen vier en zes produceer ik bijna evenveel als de uren daarvoor. Ik moet er echt in komen.  

    Zijn er momenten dat het niet gaat, dat je writer’s block hebt?
    Dat gebeurt wel eens maar niet zo vaak. Dan moet je alles laten vallen en van nul opnieuw beginnen. Het verhaal op zijn kop te zetten, vanuit een ander idee. Het is me niet vaak voorgevallen, ik ben al heel lang bezig, dus het loopt nog wel een keer anders, maar ik weet nog wel waar ik naartoe wil.
     
    Verandering van omgeving? Je bent graag aan zee. De beslotenheid van de Halse bossen achterlaten, en de weidsheid van de zee opzoeken, is dat een oplossing?
    Dat doe ik wel. De zee, dat is mijn schrijfplek. Dat werkt zeer kalmerend. En over verhalen lopen denken, daar kan mijn vrouw over meepraten. Tijdens strandwandelingen moet zij luisteren naar de vijftig versies van elk verhaal, en zij ondergaat dat. En af en toe geeft ze een opmerking. Soms is dat een manier van kijken waar ik niet aan gedacht had.
     

     

    Is film een inspiratiebron voor u?

    Zeker. Film is de ultieme manier van hoe je een strip maakt. Een strip is een storyboard voor een film die nooit gemaakt wordt. Bijvoorbeeld de Bond-films, ik ben altijd een fan geweest van Bond-films. Dat is een verfilmde strip. In Frankrijk zie je dat zelfs bekende striptekenaars voor de filmindustrie werken. Het werkt op elkaar in. Een man als Federico Fellini, die is begonnen met cartoons en strips in Italiaanse kranten.  
     
    En Fanny is ook gewoon een Bond-girl?
    Fanny zou een Bond-girl kunnen zijn, inderdaad.
     
    Is er ook muziek die u inspireert?
    Heel weinig. Ik heb niet zo een uitgesproken muzikale smaak. Ik laat alles wat op radio komt doorkomen. Wat ik wel regelmatig doe als ik aan het tekenen ben, dat is cabaret opzetten.
     
    Welk soort cabaret?
    Veel Nederlands cabaret. Youp van ’t Hek, Freek de Jonge, Brigitte Kaandorp.
     
    Begonnen bij Toon Hermans of niet?
    Ja, tuurlijk. Toon Hermans heb ik ontdekt toen ik twaalf jaar was, dat was een openbaring. Ik had hetzelfde gevoel als toen ik Monty Python zag jaren later. Dat absurdisme, dat was iets compleet anders. Het is door Toon Hermans dat ik het Nederlands cabaret ben gaan volgen. Zoals die met taal speelt.

     Ik zie een parallel met de manier waarop je je stripfiguren een naam geeft. Alain Provist of Magda Nuwelle. Dat is toch ook ver doorgedreven?

    Ja, ik vind het heel leuk om met taal te spelen, ik ben dol op woordspelingen. Die namen, dat is een spelletje, en dat mag ik niet meer laten. Want het gebeurt wel eens dat ik een naam gebruik waar geen verwijzing in zit, en dan krijg ik daarna reacties: we zitten daarop te zoeken, maar wat is het nu eigenlijk, we vinden de betekenis niet. 
     
    Als je iets aan jezelf zou mogen verbeteren, wat zou dat zijn?
    Ik zou eigenlijk een betere tekenaar willen zijn.
     
    Dit is een grap?
    Neenee. Ik ben een verhalenmaker die er ingetuind is, en die zijn eigen verhalen is gaan tekenen. Er zijn veel betere tekenaars. Als ik het werk zie van Charel Cambré of Jan Bosschaert, wat zijn dat tekenaars! Ik ben een goede verhalenverteller, dat weet ik. Maar ik zet maar de ruwe aanzet van mijn pagina’s. Het uitwerken van decors, van auto’s, dat soort dingen, laat ik nu over aan medewerkers. Dat is heel rustgevend.
     
    We gaan naar het einde van de werkdag. Wat is het laatste wat je doet voor je gaat slapen?
    Nog eens mijn mails checken, surfen op internet, nog eens kijken op Youtube. Ik werk ook niet meer ‘s avonds. Ik heb dat jaren gedaan, dat ik nog tot tien-elf uur ’s avonds zat te werken. Als dat gebeurde, dan ging ik in de zetel zitten, en dan ging ik nog een whiskey drinken, en dan zette ik nog een plaat op, Astor Piazzolla, met een boek erbij. Maar dan stond ik de dag erna halfsuf op. Dus wat dat betreft ben ik een beetje veranderd. Nu werk ik tot zes uur, halfzeven als het moet, en dan is het gedaan.

    En wanneer gaat het licht uit?
    Dat verschilt. Gewoonlijk in de week is dat rond een uur of elf.
     
    De laatste vraag is misschien de zwaarste. Heb je een levensmotto?
    Ja, dit vind ik een hele mooie: als je op gelijk welk gebied de hoogste sport van een ladder wil bereiken, dan kun je ’t makkelijkste die ladder platleggen. Ik probeer het altijd makkelijk te doen. En ik ga vrij optimistisch door het leven. Ik probeer zeker ook in deze sombere tijden de optimist te blijven. Ja het komt wel goed. 

    lees ook