Meest recent

    Leven en dood op straat: PP, Een van de vele te jonge mensen op straat.

    Tweeënzeventig straatdoden. 72. Een droef, en ontstellend record werd woensdagochtend opgetekend in het Brusselse stadhuis bij de jaarlijkse, de 12 de al, herdenking van de straatdoden. 72 mensen die op, langs of door het straatleven aan hun einde kwamen in ‘top’jaar 2016. Ronny, ‘59,ne fellen’, Tanguy, 40, had net weer een huis gevonden. Jean, de Suisse, troubadoer van de miserie. 61. Charles, 42, African dream, Tomasz, 32, klein maar stoer,... teveel. Te jong. Te dood.

    Een sjerp van lapjes. Met te veel jonge lapjes.

    Het was een pakkende ceremonie. Niet alleen omdat een divers pluimage aan hulpverleners, sympathisanten, beleidsmakers, religieuze en andere beleidsmakers het roerend eens waren over het feit dat dit niet zou mogen kunnen. Dat op zich is al wat. Maar ook, en vooral, omdat elke overledene met de gepaste égards, gelijk werd behandeld. afgeroepen, stilte, een paar regels gedicht door het Brusselse collectief van stadsdichters. 

    Intussen deed de gecrocheteerde sjerp met al hun namen de ronde bij het publiek, van hand tot hand. Het duurde lang, eindeloos lang. Het was een mantra. Die ervaring op zich was indrukwekkend. Wat opviel: de vele jonge leeftijden. Elk jaar meer, opvallend. 30. 28. 25. Adam, 22. Onvoltooide levens die ophouden, dat is nooit juist. Jonge levens op straat: dat is ook niet juist. “En ze zijn er,” knikt sociaal assistent Filip Keymeulen. “Zelfs minderjarigen. Hier in Brussel. Ik ken ze.” Ik ga mee, op zoek naar het jonge leven op straat. Voor een cynische kers op de taart van de reeks. België, 2017.  

    Hoezo, zoveel jonge mensen?

    Het wordt een zoektocht: het groepje van een tiental jongeren zit op geen enkele vaste stek. “Dat komt omdat ze worden weggejaagd,” zegt Filip. “Het zijn grotendeels toxicomanen, die mannen gebruiken dus, en dat zorgt soms voor overlast ja. Dat valt niet te ontkennen. Maar ja, ze kunnen ook echt nergens terecht.” We dwalen rond: Beurs, Muntplein, galeriën, hoeken en kanten. Flip kent de portieken en de beschutte plekken. “Je vindt echt wel warme plekken in de stad. Die gasten zie je niet in de winteropvang hé, die komen daar niet.” - “En vriezen die dan niet dood?” Ik voel me een hulpeloos onnozel wicht van een andere, beschermde planeet. “Die weten echt waar ze kunnen kruipen. Vorige winter hadden ze hier langs de Kruidtuinlaan op een braakliggend stuk een kamp gemaakt: tenten, isolatie, karton. Maar na een tijd is dat ook opgekuist, natuurlijk. Dus je moet hen zoeken, elke keer opnieuw. Als ik er één vind, heb ik ze allemaal.” Filip lacht. Na 10 jaar straathoekwerk is hij een rot in het vak, alsof hij het gedragsparcours van zijn gasten ruikt.”Die groep ligt me na aan het hart. Dat doet me wat, die jonge mensen op straat, die nergens een plek hebben. De instanties weten dat die hier ronddolen hé, maar er is geen aanbod voor. Je moet weten: de systemen en de procedures van de officiële organisaties werken niet voor iedereen. De muren zijn vaak te hoog. Ze moeten aan zoveel voorwaarden voldoen om hun basisrechten te kunnen krijgen. Dat is teveel ineens, dat werkt niet altijd.” We steken over naar de tippelbuurt achter de KVS. Zijn gasten zijn nog steeds nergens te bekennen, maar Filips inpiratie is nog niet uitgeput.

    PP wil eruit

    We duiken in de metro, bekend terrein voor wie in Brussel het openbaar vervoer neemt. In een onopvallend hoekje zit een groepje jongeren. Twee gasten rennen achter elkaar aan, niet echt vriendelijk. “Niet mee bemoeien.” Even later komt Filip naar de uitgang met PP. Hij is 30, beleefd, welbespraakt, sympathiek. Zijn handen en littekens verraden iets van het leven dat hij heeft geleid: tien jaar op straat, tien jaar gebruiker. “Ik ben een danser”, vertelt hij. “Ik won een wedstrijd bij Tour en Taxis en mocht naar Londen. Ik kon dansen in gezelschappen en kluste bij om mijn appartement te betalen. Ik was thuis gevlucht, voelde me niet goed. Maar na een tijd wilde ik toch mijn kans wagen in eigen land, in Brussel. Mijn buurman in het centrum was een dealer. Ik begon te experimenteren… Een roetsjbaan naar beneden. Tien jaar op straat slapen, tien jaar bedelen voor voedsel, tien jaar gebruiken… weten dat je vuil bent, dat je een clochard bent…. Ik ben veel bang geweest ja, bvb toen ons kraakpand uitbrandde. Ik heb mijn vriend op mijn rug naar buiten gedragen, door het vuur. Normaal is het iedereen voor zich, op straat. Nu voel ik mij herleven. Er is iemand die naar mij kijkt, die zich met mij bezig houdt. Ik krijg waardering. Nu probeer ik in mezelf terug te vinden wat ik heb gedaan om hier te geraken.Beetje bij beetje begin ik te begrijpen dat ik dingen moet laten.” Hij toont zijn potje metadon, een wekelijks rantsoen. “Ik heb er nog over,” zegt hij trots.

    We zitten op een bankje op de grote boulevard. De stad raast voorbij. Aan de overkant van de straat woont een tante van PP: daar kan hij af en toe douchen en zijn kleren verschonen. Fillip kijkt voor zich uit: hoewel hij nu intens bezig is met PP, omdat die er echt uit wil, is dit maar één van de verhalen.

    Waarom mensen in schaarste oninteressante beslissingen nemen

    “Ik wil terug naar mijn moeder kunnen gaan als een man,” zegt PP. “ Ik ben nog altijd gelovig, ik heb nooit gestolen, geen geweld gebruikt.De anderen in de groep vinden me bizar, maar ik zeg: saluut, ik ga mijn leven leiden. Ik ben Filip en Antoine tegen gekomen, die hebben me weer vertrouwen in mezelf gegeven. Kijk, mijn hand is gewond omdat ik een vrouw probeerde te helpen die werd aangerand. Nu ben ik daarmee naar de spoedafdeling van het ziekenhuis gegaan. Dat zou ik vroeger nooit hebben gedaan.” Filip beaamt. “Ze vragen geen hulp, ze leven op zich. Zoals veel mensen in een benarde situatie kunnen ze niet goed naar hun eigen realiteit kijken. Soms zegt een straatbewoner bijvoorbeeld dat hij het koud heeft, dat het trekt op het Brouckèreplein. Dan vraag ik hen zich voor te stellen dat ze een deken om zich heen hebben, en naar de koers kunnen kijken. Dat vinden ze dan zalig. En dan vertel ik dat dat wel kan, ...of een gast die zei dat hij ‘zere voeten’ had. Met zijn nagels te knippen is het opgelost, maar dat moeten ze zièn hé, dus dat moet je zeggen.” 

    “Ons handelsmerk ( Filip werkt voor Diogenes, nvdr) is dat we volhouden, ook in die marginale toestanden. Dat zijn lange trajecten. Toxicomanen leven bovendien nog eens in een wolk. Hun tijdsbesef is anders, de jaren gaan zo voorbij. Wij dwingen niet, we gaan in stapjes. Soms duurt het lang. Ze moeten er klaar voor zijn, maar al dat voorbereidende werk is nodig.” 

    PP’s toekomst

    Op een terrasje drinken we iets. PP krijgt zijn wekelijkse zakgeld. Hij heeft nu een bewindvoerder die zijn zaken regelt. “Dat klinkt misschien hard, maar als het een goeie is, helpt dat hun zaak echt vooruit. De meesten hebben wel rechten, maar hun administratie is zo’n boeltje dat ze er niets van krijgen: geen ziekteverzekering, geen leefloon, niets. Ik weet wel dat er een verhaal is van rechten en plichten, terecht. Maar je moet èrgens beginnen. En als je zonder iets op straat zit wordt je plicht doen ook moeilijk. Dus proberen we dat in orde te krijgen. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar…. You got to walk that mile…. We proberen hen naar La Mass te krijgen, een opvang voor de meest marginale drugverslaafden die overal tussen de mazen van het vangnet vallen. Ik werk met een paar bewindvoerders die heel goed werk doen: dat klinkt heftig maar vereenvoudigt heel wat procedures met OCMW etc. We moeten dat altijd heel goed uitleggen, maar uiteindelijk zijn ze er wel blij mee, de gasten. PP filosfeert. “ Ik studeerde, aan de universiteit. Misschien wil ik dat weer doen, maar dan filosofie of zo.” Er is wel nog veel mogelijk met die gasten, zei Filip. Hij kijkt naar PP. “Het kan snel gaan, PP. Je zal zien, we moeten nog een paar dingen op orde krijgen, en dan zit je over enkele weken misschien al in een appartementje. En over enige tijd zit je bij je moeder, als een man.” 

    PP’s gezicht wordt zacht. “Merci. En jij, breng jij mijn verhaal? Dit zal altijd mijn verhaal blijven, mijn ervaring, mijn leven. Ik leer en ik kom eruit, maar het is wel mijn verhaal.”
     

    lees ook