Meest recent

    De VRT is "quantité négligeable" (voor Theresa May) - Ivan Ollevier

    Dat de Britse eerste minister Theresa May geen tijd wil vrijmaken voor een interview met de VRT, kan collega Ivan Ollevier nog begrijpen. Maar er is meer aan de hand met de persvrijheid in Groot-Brittannië en dat heeft te maken met centen.
    analyse
    Analyse
    Supplied by WENN

    Ivan Ollevier is UK-specialist van de VRT-nieuwsdienst.

    Buitenlandjournalist Steven De Foer klaagde er onlangs al over in de Standaard, en het overkomt alsmaar meer collega’s: in het Verenigd Koninkrijk weigert de regering buitenlandse (lees: Europese) reporters te woord te staan. Theresa May duldt geen pottenkijkers, luidt de titel van De Foers opiniestuk.

    Toch is het Britse misprijzen voor de Europese pers geen recent verschijnsel. Het is dus niet te wijten aan de brexit. Het blijft zelfs niet beperkt tot regeringskringen.

    Een gesprek van een tiental jaar geleden, dat zich voltrok in Whitehall, de regeringswijk in Westminster. Ik richtte me tot de woordvoerder van een toen vooraanstaand Labourminister:

    “Hebt u één minuut tijd voor de Belgische televisie?”
    “Wat???” De woordvoerder, een boomlange man, keek enkele seconden lang misprijzend op me neer: “En wie mag u dan wel zijn?”
    “Ivan Ollevier, van de Belgische televisie. Kan ik de minister enkele vragen stellen?”
    “Wie? De Belgische televisie???” Even dacht ik dat hij in een schaterlach zou uitbarsten. Hij kon zich nog net bedwingen: “Vergeet het.”
    Nog voor ik iets kon zeggen, draaide hij zich om en beende de trap op. Boven aangekomen leek hij even te aarzelen, en riep toen naar beneden:
    “En weet u waarom? You’re no vote television.”

    Vrij vertaald: een interview met een obscure buitenlandse zender als de uwe brengt de minister geen stemmen op. Zijn kiezers zullen het nooit te zien krijgen. Collega en correspondent in Groot-Brittannië Lia van Bekhoven vertelde me ooit dat haar iets heel gelijkaardigs was overkomen.

    Wie vanuit Londen voor de Europese media bericht over de Britse politiek, stuit al jaren op een muur van stilzwijgen. Mails blijven onbeantwoord, op vriendelijke vragen aan de telefoon (als je er al in slaagt het nummer van een woordvoerder te pakken te krijgen) volgt alleen een diepe zucht en “no”.

    Hetzelfde geldt voor bedrijven, al speelt daar misschien het argument dat die een diep wantrouwen koesteren tegenover de pers, wat, toegegeven, gezien de reputatie van sommige Britse kranten niet geheel onterecht is.

    Quantité négligeable

    Het Verenigd Koninkrijk lijkt alsmaar meer op zichzelf terug te plooien. Het handvol politici met wie ik vroeger redelijk behoorlijke relaties onderhield, geven nu niet thuis. Of ze stemmen toe in een interview, en bellen daarna weer af. Het liefst enkele minuten voor de afspraak: “De BBC wil me spreken”, is nog het (meest begrijpelijke) excuus. Of ze dagen gewoon niet op. Zonder waarschuwing. Ook dat gebeurt.

    De VRT is voor Britse politici quantité négligeable. Onbeduidend. Dat begrijp ik. De VRT is een kleine zender in een klein land. Ze hebben in het Verenigd Koninkrijk nog nooit van ons gehoord.

    Waarom dan niet in Frankrijk?

    Maar dat gaat per slot van rekening ook op voor Franse politici, en in die paar jaar dat ik Frankrijk heb gevolgd, is het me nooit iets gelijkaardigs overkomen. Wel integendeel. Soms was daar ook wel sprake van misprijzen (woordelijk: “les petits Belges”), maar ze reageerden tenminste.

    En ze gaven uiteindelijk wel een interview. Met plezier zelfs. Niet zo in het Verenigd Koninkrijk. Als buitenlandse zender loop er je in de weg. Alleen grote (vooral Amerikaanse mediaorganisaties) die ook in de UK bekeken worden, zijn nog welkom. Lees: CNN.

    Enkele jaren geleden informeerde ik in Groot-Brittannië of we het congres van een bepaalde politieke partij konden bijwonen. Natuurlijk kon dat. Op voorwaarde dat we vooraf de rekening vereffenden. 1500 Britse pond alstublieft. “Want u bent een buitenlandse zender.” Het gaat nog net niet zo ver dat individuele politici zich voor een interview laten betalen.

    In de academische wereld is dat wel schering en inslag. Een hoogleraar interviewen over zijn vakgebied? Boter bij de vis.

    Nog niet zo heel lang geleden kreeg ik een e-mail van de communicatiedienst van het Imperial War Museum (een overheidsinstelling!) met het tarief voor een interview met een van hun Eerste-Wereldoorlogspecialisten. Weliswaar geen exorbitant bedrag, maar daar gaat het niet om. Waar het wel om gaat: dat er gegronde deontologische bezwaren zijn tegen interviews “op bestelling”.

    Slachtoffer met een agent

    Al was het maar om te vermijden dat de geïnterviewde zijn verhaal aanpast aan de wensen van een met bankbiljetten zwaaiende interviewer. Daar doet de VRT niet aan mee. (Al moet ik toegeven dat het Imperial War Museum, nadat ik omstandig bezwaar had gemaakt, de factuur achteraf nooit verstuurd heeft).

    Zelfs een van de slachtoffers van de bomaanslagen in 2005 op de Londense metro werkt met een agent die haar afspraken regelt en de boekhouding verzorgt. In het Verenigd Koninkrijk is dat gebruikelijk, en niemand die zich daar vragen bij stelt. Goed voor haar natuurlijk, dat ze aan de kost kan komen met haar verhaal, en op die manier ook nog iets kan betekenen voor terreurslachtoffers waar ook ter wereld. Maar ergens klopt het niet helemaal.

    Dat heeft dus niets met de brexit te maken, al heeft die de relaties er niet eenvoudiger op gemaakt. Waar het wel mee te maken heeft, is een dolgedraaid marktliberalisme waarin ook informatie niets meer is dan een economisch product. Informatie is een verhandelbaar goed geworden.

    Toen een BBC-talkshow enkele weken geleden Theresa May en haar man in de studio mocht ontvangen, waren er eerst verregaande afspraken gemaakt. Een daarvan was dat er geen vragen over politiek gesteld zouden worden. Wel over haar schoenen en wie van de twee de vuilnisbakken buitenzet.

    Ik wil er terloops even op wijzen dat het gaat om de premier van een land dat volop in een campagne zit voor verkiezingen die Theresa May zelf “de belangrijkste in een generatie” noemt.

    Het kritische actualiteitenprogramma Newsnight heeft zelfs nog maar één enkele keer de premier in de studio gehad. Eén keer. Dat is een kwalijke en gevaarlijke evolutie die de waakhondfunctie van de pers ernstig bedreigt.

    Maar in een land waar krantenredacties onbeschaamd partijpolitieke standpunten innemen, afhankelijk van de voorkeur van de toevallige eigenaar van de krant, is er geen haan die daarnaar kraait.