Meest recent

    Een georkestreerd requiem voor de Vlaamse bossen? - Hendrik Schoukens

    Het uittekenen van een ambitieus natuurbeleid is in Vlaanderen blijkbaar niet gemakkelijk. Volgens milieuexpert Hendrik Schoukens ontbreekt hiervoor in de huidige politiek de nodige moed. Zo werd de Vlaamse boskaart een maat voor niks en dat belooft niet veel goeds voor de Vlaamse betonstop.
    opinie
    Opinie

    Hendrik Schoukens is assistent aan de universiteit van Gent en gespecialiseerd in milieurecht.

    De Vlaamse boskaart is niet meer. Het voortijdig overlijdensbericht werd in zeven haasten opgesteld door de Vlaamse minister-president himself. Met een minister bevoegd voor natuur die daar niet eens zo rouwig om leek. Noch bloemen, noch kransen. Zelfs géén krokodillentranen. Want zorgvuldigheid bij het uittekenen van de boskaart was blijkbaar niet mogelijk wanneer er in het Vlaams Parlement met een hakbijl wordt gezwaaid.

    Het drukt ons opnieuw met de neus op de harde feiten. In een ruimtelijk verrommelde regio als Vlaanderen is het uittekenen van een ambitieus natuurbeleid géén sine cure. Het vergt politieke moed en zorgvuldig maatwerk. Beiden blijken een zeldzaamheid binnen de huidige politiek. Een veeg teken voor die Vlaamse betonstop?

    Bomen met een identiteitscrisis

    Het is vreemd dat zo weinig wordt stilgestaan bij de – pun not intended – ‘roots’ van de huidige problematiek. Want hoe komt het dat we überhaupt opgescheept zitten met een planologische gedrocht als ‘zonevreemde bossen’? Vanuit ecologisch oogpunt is er alvast niets zo zone-eigen als bossen in Vlaanderen. Wanneer je een terrein onbeheerd laat, zal de aanwezige vegetatie zich automatisch ontwikkelen naar een bos.

    En het is paradoxaal genoeg net hun zone-eigen karakter dat deze bossen zo kwetsbaar maakt. Want bossen mogen niet buiten de lijntjes kleuren binnen een door de mens gedomineerd landschap. De natuur heeft weinig rechten. De natuur heeft vooral plichten. Alsof bomen net als mensen eerst een vergunning moeten vragen om zich ergens te gaan vestigen.

    Dat ook bomen zich continu aan onze zelf uitgedachte planologische regels dienen te conformeren lijkt de wereld op zijn kop zetten. Maar het probleem zit dieper. Want diezelfde ruimtelijke plannen vormen immers vaak géén een waarheidsgetrouwe afspiegeling van de realiteit op het terrein. De vele hand- en spandiensten waarmee de opmaak van de gewestplannen gepaard gingen, maakten dat een substantieel aantal bossen in woon- of industriezones kwamen te liggen. Ze werden ‘zonevreemd’, een woord dat net zo uniek Vlaams is als ‘goesting’. Zonevreemde bossen zijn een uitwas van een falend ruimtelijk beleid.

    Basisrechten, maar niet voor bossen

    Ondanks de basisbescherming uit het Bosdecreet, werden de zonevreemde bossen behandeld als ordinaire ‘bouwovertreders’. En men ging de ‘overtreder’ nu toch niet gaan belonen? Met een beetje meeval werden elders enkele nieuwe ‘soortgenoten’ aangeplant. Maar vaak was er slechts sprake van papieren compensaties.

    Deze compromisloosheid staat in schril contrast met de fluwelen handschoen waarmee Vlaanderen haar eigen zonevreemde eigenaars aanpakte. Er zijn binnen de wetgeving talrijke uitzonderingen voorzien voor woningen die zich in een verkeerde bestemming bevinden. De opvulregel voorzag dat gaten tussen twee woningen in niet-woongebied konden worden ingevuld. Zogenaamde minidecreten waarborgden dat van het gewestplan afwijkende gebouwen en bedrijven toch nog konden worden uitgebreid, verbouwd of herbouwd.

    Trojaans paard voor de natuurbeweging

    Dat de ‘redelijkheid’ in dit dossier ver zoek is, hangt dus af de invalshoek die je neemt. Vanuit, nou ja, het perspectief van een bos, lijkt sprake van een discriminatoire behandeling. Wél basisrechten voor de man of vrouw met een zonevreemd huis, géén basisrechten voor de in onze regio al bedreigde natuur. Het is dit inherente onevenwicht dat die vermaledijde boskaart wou rechttrekken door een striktere bescherming voor die ruimtelijk kwetsbare en bedreigde bossen te voorzien. Maar net als bij het uittekenen van de gewestplannen bleek die kaart een vergiftigd geschenk voor het resterende Vlaamse groen. Vele echt waardevolle en zéér bedreigde bossen waren geschrapt en vervangen door duizenden piepkleine snippertjes, die soms niet eens kwalificeerden als bos.

    ‘Tienduizenden Vlamingen’ zouden hun bouwgrond niet langer zouden kunnen bebouwen, zo kon men in de media lezen. Of die cijfers klopten, was niet duidelijk. Het deed er ook niet toe. Ze werden immers niet weerlegd door de bevoegde minister. Wèl bleek sprake van onzorgvuldigheid bij het uittekenen van de boskaart. Zelfs golfterreinen en de Zoo van Antwerpen kwamen in het vizier. En de planschadevergoedingsregeling die was voorzien, werd afgedaan als een peulschil. Dit terwijl het toch ging om 80% van de waarde van het terrein, een standaardbedrag. Bossen waarvoor reeds definitieve vergunningen waren verleend tot ontbossing voor de inwerkingtreding van de wijziging van het Bosdecreet eind 2015 werden overigens ook ontzien in de Boskaart. Althans, dat had moeten gebeuren ingevolge het Bosdecreet.

    Nederlandse inspiratie?

    Het mocht allemaal niet baten. De rommelige boskaart leidde tot een perceptieoorlog die de zonevreemde bossen niet konden winnen. Uit het fiasco kan men leren dat een werkzaam natuurbeleid staat of valt met een gedegen beleidsvoorbereiding en proactieve communicatie door de bevoegde politici. Vaandelvlucht bij de eerste kritiek lijkt een recipe for disaster.

    Maar het verhaal stopt daar niet. Het debat moet ruimer gevoerd worden en ook de diepere systeemfouten moeten worden aangepakt. Want de complexiteit van het bosdebat hangt ontegensprekelijk samen met het teveel (!) aan bouwgronden dat ingekleurd staat op onze huidige Vlaamse bestemmingsplannen. In het licht van de toekomstige bevolkingsprognoses zitten we met een surplus van maar liefst 25.000 hectaren bouwgronden. Op een aantal van die gronden staan ook kwetsbare bossen. Op vandaag heffen slecht 51 gemeenten een belasting op onbebouwde percelen die geschikt zijn voor bebouwing. Is de verdere handhaving van dit overaanbod maatschappelijk gezien belangrijker dan betere bosbescherming?

    Zou men naar Nederlands voorbeeld niet beter denken aan de invoering van een actualiseringsverplichting voor ruimtelijke bestemmingsplannen? En daaraan gekoppeld een andere benadering van het instrument van de planschade? Binnen de Nederlandse Wet Ruimtelijke Ordening spreekt men over ‘passieve risicoaanvaarding’ wanneer je niet gebruik maakt van je bouwmogelijkheden, terwijl uit aanpassing van regelgeving of beleid het waarschijnlijk is dat die mogelijkheden niet meer bestemd zullen worden. Door niets te doen, verspeel je je rechten.

    Het lijkt common sense om de boskaart niet te hanteren als een ‘deus ex machina’ om individuele eigenaars alsnog een recent verleende, rechtmatige bouwvergunning te ontnemen. Maar is het zo ‘onredelijk’ om bosbescherming te laten primeren op gevallen van grondspeculatie? De golf van opluchting die door een deel van Vlaanderen gaat sinds het intrekken van de boskaart is misplaatst. Tweets als deze van VOKA Limburg waarin, wars van enige zin voor nuance, werd geopperd dat de huidige boskaart ‘voorrang gaf aan de grillen van moeder natuur boven een ambitieus ondernemerschap’, tonen aan dat er nog een hele weg af te leggen valt. Of gaan we echt nog snel die bossen kappen voor een nieuwe kaart van kracht wordt?

    Recht op eigendom vs. algemeen belang

    En waar blijft de eerste politicus die zich roemt op onze ‘superieure’ verlichtingsfilosofie in dit dossier? Misschien past het de woorden van de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau even in herinnering te brengen. Die stelde dat heel wat van de maatschappelijke problemen voortspruiten uit het aanvaarden dat iemand een stuk grond omheinde ‘en durfde te zeggen ‘dit is van mij’, en mensen aantrof die onnozel genoeg waren hem te geloven’. Privé-eigendom is belangrijk, het vormt cement van onze samenleving. Onze politici moeten de ‘man die zijn eigendom omheint’ echter ook diets durven maken dat er bepaalde grenzen bestaan in functie van het algemeen belang. Het toont treffend aan waar de achillespees zich in dit dossier juist situeert. De moeizame tango tussen ‘verworven rechten’ en ‘ambitieuze natuurdoelen’. Zelfs de liberale filosoof John Locke stelde dat er grenzen zijn aan onze vrijheid om van de natuur privébezit te maken. Dit is enkel mogelijk voor zover er voldoende 'genoeg en van dezelfde kwaliteit' is voor iedereen.

    Die prikkelende verlichtingsgedachte kan de Vlaamse Regering inspireren bij het uittekenen van een nieuwe boskaart. Of hoe het vrijwaren van het recht van eenieder op natuur bij uitstek een liberale besogne zou moeten zijn. Arme, zonevreemde bossen. Ze verdienen beter dan een zoveelste rondje zwartepieten. En onze kinderen ook. Want we gaan onze kinderen toch het recht niet ontzeggen te ravotten in de weinige onbedoelde stukjes ‘grillige natuur’ die ons land nog rijk is?