Meest recent

    Ierse verzoening in Vlaamse modder

    Tijdens de Mijnenslag vochten katholieke en protestantse Ieren zij aan zij om de heuvelrug van Mesen en Wijtschate in te nemen. De Mijnenslag heeft zo een bijzondere betekenis gekregen in het verzoeningsproces tussen de Ieren uit Noord en Zuid.
    This content is subject to copyright.

    Honderd jaar geleden maakte Ierland integraal deel uit van het Verenigd Koninkrijk. Ierland zelf had eigenlijk nooit een echt centraal gezag en de Engelsen oefenden er al van in de middeleeuwen verschillende rechten uit, met een lange reeks conflicten tot gevolg.

    Om het eiland onder controle te krijgen, werden vanaf de tweede helft van de 16de eeuw gronden van opstandelingen geconfisqueerd en onder de vorm van plantages gegeven aan kolonisten, vooral uit Noord-Engeland en de Schotse Lowlands.

    Deze plantages lagen verspreid over het hele eiland, maar toch vooral in het noordoosten. Veel kolonisten waren oud-militairen of begunstigden van de kroon. Later kwam daar nog klassieke migratie bij, waardoor de bovenlaag van de maatschappij er veranderde van traditioneel Keltisch-Iers-katholiek naar Brits-protestants.

     

    This content is subject to copyright.

    Emigranten nemen afscheid van hun familie en vrienden voor het vertrek naar Amerika (GettyImages)

    Begin-illustratie: muurschildering in een protestantse wijk van Belfast ter ere van de 36e Ulster Division (GettyImages)

    Na een zoveelste opstand werd Ierland begin 1801 met Groot-Brittannië samengevoegd tot ‘United Kingdom of Great Britain and Ireland’.

    De kwestie van de landeigendom en een grote hongersnood zorgden vanaf het midden van de 19de eeuw voor een zeer volatiele situatie. Die bracht ook een grote emigratiebeweging op gang, waardoor het bevolkingscijfer terugliep van 8,2 miljoen in 1841 naar 4,4 miljoen in 1911.

    Wie achterbleef, raakte steeds meer betrokken in een steekspel tussen nationalisten, die vooral agrarisch-katholiek waren en de meerderheid vormden, en unionisten, die vooral protestants waren en zich concentreerden in het meer geïndustrialiseerde noordoosten van het land.

    Om hun belangen te verdedigen richtten beide gemeenschappen paramilitaire organisaties op: de ‘Ulster Volunteers’ en de ‘Irish Volunteers’. Uiteindelijk raakte in 1914, o.m. door toedoen van de gematigde nationalistische leider John Redmond en zijn broer William, toch een vorm van zelfbestuur gestemd (‘Home rule’). Maar de uitvoering ervan werd door het uitbreken van de oorlog opgeschort.

    This content is subject to copyright.

    Deze muurschildering in een Republikeinse wijk van Belfast klaagt de grote hongersnood in het midden van de 19e eeuw aan als een Britse misdaad (GettyImages)

    Het front en het thuisfront

    In tegenstelling tot de andere grote mogendheden brachten de Britten in 1914 geen massaleger op de been, maar een klein expeditieleger van 100.000 beroepssoldaten, waaronder ook verschillende Ierse bataljons. In een oorlog tussen massalegers bleek dit al snel onvoldoende waardoor een grote rekruteringscampagne opgezet werd.

    In Ulster, waar de meeste loyalisten of unionisten woonden, werd met de ‘Ulster Volunteers’ als kern vlug een divisie gevormd, de 36ste Ulster Divisie.

    In het zuiden kwam het tot een tweespalt tussen gematigde nationalisten - die door deelname aan het conflict hoopten op het beloofde zelfbestuur - en anderen die niet de Duitsers, maar de Britten zelf als grootste vijand zagen. De gematigde nationalisten haalden voorlopig de bovenhand en vormden – vooral met elementen van de Irish Volunteers - zelf twee vrijwilligersdivisies: de 10de die naar Salonika ging en de 16de voor het Westelijk front.

    Drie op de Ieren gerichte recruteringsposters. Links een oproep van de gematigde nationalist William Redmond aan zijn katholieke landgenoten om zijn voorbeeld te volgen. De twee andere posters verwijzen naar het droeve lot van het katholieke België (Library of Congress)

    Door het vertrek van veel gematigde nationalistische voormannen, zoals William Redmond, kregen de radicale nationalisten meer armslag. Rond Pasen 1916 ontketenden ze een opstand in Dublin, die door Britse troepen hardhandig neergeslagen werd.

    Met steeds langere verlieslijsten en een oorlog die duidelijk niet snel voorbij zou zijn, nam het aantal vrijwilligers in heel het Verenigd Koninkrijk snel af zodat de Britse regering in 1916 verplicht was tot de invoering van de algemene dienstplicht. Gezien de gespannen situatie in Ierland werd deze beperkt tot Engeland, Schotland en Wales.

    Door de totale oorlog volgde in 1918 toch een uitbreiding naar Ierland, maar die werd nooit in de praktijk gebracht. Het werd één van de vele discussiepunten die de twee bevolkingsgroepen op het eiland grondig verdeelde. Aan katholieke zijde kregen de radicale nationalisten steeds meer aanhang, o.m. door de harde repressie na de Paasopstand.

    The Print Collector

    Barricade in de straten van Belfast tijdens de Paasopstand in 1916 (GettyImages)

    Terwijl het conflict op het Ierse eiland zich verder ontwikkelde, werden de 16de en de 36ste divisie op 7 juni 1917 samen aangeduid voor deelname aan de Mijnenslag.

    Hoewel de twee tradities zich duidelijk van elkaar onderscheidden, was de sfeer achter het front gemoedelijk en in een geest van kameraadschap onder soldaten werd zelfs gevoetbald.

    Na de mijnontploffingen namen de twee Ierse divisies samen Wijtschate in. De katholiek William Redmond van de 16de divisie werd daarbij zwaar gewond en afgevoerd door een protestantse soldaat van de 36ste divisie. Majoor Redmond stierf nog dezelfde dag.

    Enkele weken later werden de Ieren op 16 augustus 1917, tijdens de slag van Passendale, nog een tweede keer gezamenlijk ingezet bij Frezenberg, maar deze operatie eindigde in een bloedbad. De daaropvolgende aanvulling met Britse bataljons betekende de facto het einde van het specifieke karakter van beide divisies.

    William Redmond, en links, een plechtigheid bij zijn graf in Loker (Heuvelland) in het najaar van 1917

    Bloedige broederstrijd na de oorlog

    Terug thuis was het hek helemaal van de dam. Eenmaal de oorlog gewonnen, kwamen de Britten een aantal beloftes niet na. Ook de protestantse bevolkingsgroep verzette zich tegen een zelfstandig statuut voor Ierland, uit schrik om zijn machtspositie aan de katholieke meerderheid kwijt te raken.

    Uit de ‘Irish Volunteers’ groeide het ‘Irish Republican Army’ (IRA), dat zich tussen 1919 en 1921 een weg naar onafhankelijkheid vocht (‘Irish War of Independance’).

    Uiteindelijk kwam het tot een vergelijk waarbij 26 van de 32 counties een ‘Ierse Vrijstaat’ vormden als een nieuw dominion binnen het Brits imperium, met een gelijkaardig statuut als Australië, Nieuw-Zeeland en Canada. De 6 meest noordoostelijke counties kregen in Ulster een zelfstandig bestuur als deel van het Verenig Koninkrijk.

    De radicalere nationalisten, nu republikeinen genoemd, konden zich niet neerleggen bij de bepalingen van het zogenaamde ‘Anglo-Irish Treaty’, namelijk een blijvende link met Groot-Brittannië en het verlies van een deel van Ulster. Een deel van het IRA ging op in het nieuw opgerichte ‘National Army’ en een deel ging alleen door.

    Het kwam tot een burgeroorlog waarin de Britten de voorstanders van het verdrag steunden en de republikeinen uiteindelijk het onderspit moesten delven (1921-1923).

    This content is subject to copyright.

    De Republikeinse leider Eamon de Valera schouwt een parade van de IRA in 1922 (GettyImages)

    Voor- en tegenstanders van het verdrag bleven nog jarenlang de politiek in de Ierse Vrijstaat beheersen. Het zuiden bleef tijdens de Tweede Wereldoorlog neutraal en werd in 1949 uiteindelijk toch een volwaardige republiek, die alle banden met het vroegere Britse imperium doorknipte.

    Rond 1968 begonnen opnieuw problemen in Noord-Ierland, waar zowat de helft van de bevolking een katholiek-Ierse achtergrond heeft en de andere helft een protestants-unionistische.

    Een nieuw ‘provisional’ IRA poogde er bijna 30 jaar lang met terreur het noorden bij de republiek te krijgen. Ook een harde kern van protestantse unionisten pleegde aanslagen tegen de andere bevolkingsgroep.

    De toestand liep snel uit de hand en Noord-Ierland werd onder direct Brits gezag geplaatst met Britse troepen als scheidsrechter. Deze werden aanvankelijk door de twee partijen verwelkomd, maar beschuldigingen van partijdigheid lieten niet lang op zich wachten.

    Het IRA richtte zich vervolgens ook tegen de Britse aanwezigheid. Het gevolg was een ingewikkeld conflict dat in de jaren ’70, ‘80 en ‘90 geen week uit het nieuws was. Tientallen vredespogingen mislukten.

    Een auto-bomaanslag van het IRA in het Londense Whitehall, maart 1973 (GettyImages)

    In 1998 kwam het uiteindelijk toch tot een politieke oplossing met de ondertekening van de Goede Vrijdag-akkoorden. Daarbij kreeg Noord-Ierland opnieuw een zelfstandig statuut binnen het Verenigd Koninkrijk, maar met een integrale benadering voor heel het eiland en garanties voor beide bevolkingsgroepen om samen hun toekomst te bepalen.

    Na het vredesakkoord werd ook een verzoeningsproces op gang gebracht. Men zocht naar bindende elementen uit het verleden. Daarbij kwam men al snel bij de gezamenlijke strijd in Wijtschate van 7 juni 1917.

    Op basis van dit gemeenschappelijk verleden werd besloten tot de bouw van een herdenkingsmonument in Mesen, op het meest zuidelijke punt van de Wijtschateboog. Het is een voor Ierland heel typische ronde toren van 34 m hoog, die niet gebonden is aan één van de twee tradities. Jongeren uit beide bevolkingsgroepen bouwden er aan mee.

    Op 11 november 1998 werd de toren ingehuld door de Ierse presidente Mary McAleese, de Britse koningin Elizabeth II en de Belgische koning Albert II. De staatshoofden van Ierland en het Verenigd Koninkrijk schudden elkaar hier voor het eerst sinds de onafhankelijkheid van het zuiden in 1922 de hand, voorwaar een memorabel moment.
     

    De Vredestoren in Ierse Vredespark in Mesen (Belgaimage)

    Sinds 1998 is de toestand in Noord-Ierland stelselmatig verbeterd, maar de spanningen zijn nog zeker niet verdwenen en dus blijft de herinnering aan de gebeurtenissen van 7 juni 1917 actueel én noodzakelijk.

    Op 7 juni 2017 stuurt de Ierse republiek Taoiseach (premier) Enda Kenny naar Mesen en Wijtschate en voor het zonder regering zittende Noord-Ierland komt Prins William. Ook Prinses Astrid en Vlaams Minister-President Geert Bourgeois zullen erbij zijn.

    Veel meer nog dan op het herinneren van de slag of op het herdenken van de ca. 49.000 Ieren die tijdens de Eerste Wereldoorlog het leven lieten, zal tijdens de plechtigheid gefocust worden op verzoening tussen beide tradities.

    Het unieke aan de slag van 7 juni 1917 is in ieder geval dat deze uiting van een totale oorlog die zoveel verdeeldheid bracht, honderd jaar later de kracht heeft om mensen weer samen te brengen.

    Franky Bostyn is militair historicus en adjunct-directeur-generaal a.i. van het War Heritage Institute (de recent opgerichte nationale instelling voor militair erfgoed en herinnering).

    Hij is tevens curator van de tentoonstelling '7 juni 1917: Iers bloed en Vlaamse modder' in de Sint-Laurentiuskerk van Kemmel, een van de zes tentoonstellingen in de Westhoek rond het thema '1917. Totale oorlog in Vlaanderen'

    Dit monument in het Ierse Vredespark van Mesen eert de doden, gewonden en vermisten van de drie Ierse divisies tijdens de Eerste Wereldoorlog.

    Hoewel een ruime meerderheid van Ierse soldaten toen katholiek was, was de herinnering aan hen in de Ierse Republiek bijna volledig verdwenen, tot het verzoeningproces op gang kwam. Bij de Protestanten in Ulster bestond een zeer sterke, nationalistische herdenkingscultus.