Meest recent

    Heimwee naar huis

    In zijn wekelijkse kroniek kijkt onze man in Amerika verwonderd naar het kleine en grote leven in de Verenigde Staten. Deze week was Björn Soenens eventjes terug in eigen land en schrijft over heimwee, wortels en over hier en elders.
    expert
    Björn Soenens
    Björn Soenens is de Amerikacorrespondent van VRT NWS. Hij woont in Brooklyn, New York City.

    “Heimwee naar huis. Ik heb zo’n heimwee naar huis…Naar het stukje grond waar ik zo veel liefde vond…”, zingt de liedjestekst van Nelly Byl in de klassieker van Will Tura.

    Wat is dat eigenlijk, ‘thuis’? Ik ben nu een klein half jaar weg van mijn huis in Vlaanderen, in België. Een nieuwe werkplek. Een nieuw huis. Een andere omgeving, 5800 kilometer ver weg. Een oceaan van verschil, letterlijk.

    Waar is mijn thuis? Thuis is nu Brooklyn, New York City. Thuis, dat is mijn vrouw Emma, en onze liefde. Thuis, dat zijn enkele van mijn lievelingsboeken, een paar ingekaderde herinneringen. Een paar zwevende herinneringen in mijn hoofd en mijn hart. De bagage die je met je meedraagt, waar je ook gaat of staat.

    Thuis, dat is mijn bovenbuurman die mij uitnodigt op zijn na-trouwfeestje op het dakterras. Thuis, dat is mijn buurtbar ‘Sisters’, waar ik al eens een glaasje Malbec (rode wijn) drink en een avocado toast achter de kiezen draai.

    Thuis, dat is de vertrouwde dakloze op straat, dat is de schuifelende chrystal methverslaafde in mijn buurt.

    Thuis, dat zijn mijn vertrouwde koffiezaakjes ‘Sit and Wonder’ op Washington Avenue en ‘Annex’ op Fulton Street. Thuis, dat is de farmer’s market op zaterdag aan Fort Greene (de grootste radijzen ooit!) Thuis, dat is het cafeetje ‘Baby Jane’, waar de ober mij elke keer breed lachend verwelkomt: "Mr. Bjorn, welcome back!"

    Thuis, sinds de Trumptijd begon, dat zijn de telefoontjes van de VRT, de WhatsAppberichtjes van de chef buitenland, de inbelsessies voor de radio, de heen-en-weerconversaties over een nieuwe kroniek, de afspraken voor weer eens een livegesprek voor Het Journaal of Terzake. Zo dichtbij, en ook weer zo ver weg. Dat is nu mijn thuis.

    Maar je laat wat achter. Je laat heel veel achter. Pijn doet het als je je kinderen alleen maar hoort en ziet op Skypegesprekken. Je mist zo hard die knuffels van je dochter, de “pappie, ik zie je graag” van je zoon. 20 en 22 zijn ze nu en ze runnen het huishouden helemaal zelf.

    Je ziet ze samen eten, de was doen, hun leven leiden. Je kunt het zien door de kleine lens van het cameraatje op hun pc in een Skypegesprek. Je gloeit en je blinkt van trots, en je mist ze ontzettend. Je hoort ze, je ziet ze wel, maar je kan ze niet door de telefoon dicht bij je trekken. Verdomde pijn doet het soms.

    Zo’n nieuw leven, zo makkelijk is dat dus niet écht. Emoties, ik heb ze, wat wellicht bewijst dat ik een mens ben. Mens zijn doet pijn. Zo’n nieuw leven opent ook veel nieuwe deuren en poorten. Veel nieuwe mensen, nieuwe netwerken, nieuwe bankkaarten (een beproeving is het, de Amerikaanse bureaucratie!), nieuwe winkels, ander voedsel. Spannend, een avontuur. Leuk.

    Een weekje terugkeren ontwricht en verwart

    Ik zeg tegen mijn dochter Hannah: “Vind je het raar dat je papa alweer terugverlangt naar… huis, in New York?”. Mijn dochter begrijpt me. Zij woonde een jaar bij een Portugees gastgezin, als uitwisselingsstudent van AFS. Madeira werd haar nieuwe thuis, en nog altijd zindert het bij haar na.

    Als je terugkeert naar waar je vandaan komt, dan begint je hart rond te zwerven. Alles trekt aan je. Je mist van alles. Voor even hoor je, zie je, ontmoet je weer: je broer, je familie, je beste vrienden. Alles is een lichtflits. Het duurt niet lang, en je moet alweer afscheid nemen. Dat doet zeer.

    Je kan je wortels nooit afbranden of verloochenen. Kosmopoliet zijn betekent niet dat je als een geharde man overal kunt wonen en werken en niemand of niets mag missen. Wereldburger zijn betekent dat je naar de overkant durft, dat je het gemis en het afscheid je leven niet laat beheersen, of verlammen en daardoor deuren op slot houdt.

    Maar makkelijk is dat niet. De glamour en de glitter van ver weg wonen is er heel vaak niét. In een stad wonen als New York is niet altijd als in een ansichtkaart.

    En als je landt, dan kom je toch ook weer even thuis, ook al voelt het bevreemdend, en raar. Je komt weer thuis en je denkt: bel ik eigenlijk mijn moeder en vader wel genoeg om te zeggen dat ik van ze hou? Geef ik mijn aandacht wel aan de juiste mensen en de juiste dingen: zulke zaken denk je heel vaak als je ver weg woont.

    Ver weg wonen doet je scherper denken, scherper voelen. Je sprieten staan op scherp, je zenuwuiteinden lijken sneller te prikken, je voelt dieper. Je leert sneller voor jezelf de kern van de dingen te zien. Je leert minder zeuren. De ruis overboord gooien, dat doe je.

    Weggaan is ook een beetje doodgaan. Je merkt dat veel mensen geen contact meer nemen, of je vergeten. Dat is een feit van het leven. Dat is hard, maar het is zo. Alle dingen gaan voorbij, en er is niet zoveel dat blijft. Ook dat is hard, maar het is het leven zelf. In het buitenland gaan wonen is een beetje sterven.

    En als je elders bent, vele duizenden kilometers ver weg, dan maak je vaak een denkfout: dat jij al die nieuwe dingen meemaakt, en alle anderen stilstaan. Neen, neen. Ook het leven van alle anderen evolueert. Het leven staat nooit stil, anders gaat het dood. Vrienden en vreemden schuifelen voort. En soms verbreedt de kloof. Laat me mijn gang maar gaan…

    Weggaan is ook meer ontroering ervaren: er zijn mensen die je nooit zullen loslaten, die ook niet willen loslaten. Als een Spoetnik blijven ze in je leven: van ver weg hoor je nu en dan de ‘biep biep biep’. Zoals die vriendin die aan je denkt tijdens het strijken, en een berichtje stuurt om te zeggen dat ze nog eens aan je moest denken. Zo schoon. Verhuizen over de oceaan heen is een beetje als rouwen, en dat doet pijn.

    Intussen rush je door in je nieuwe leven. Er is ook zo veel te beleven. Je zit op de eerste rij van de roetsjbaan genaamd Trumpland. Je mag naar Washington, je woont in New York, je mag reizen naar Kentucky, Illinois en West-Virginia. Je reist naar Pennsylvania, en naar Florida. Je volgt de karrensporen van een fascinerend presidentschap en een zeer woelige tijd.

    Zeurpietensamenleving

    Tussendoor denk je - op je stoep voor je huis in New York een sigaret rokend – heel vaak na over de dingen: over hoe je ‘oude’ samenleving, waar je 48 jaar een leven leidde, ook een beetje een zeurpietensamenleving is geworden, over hoe we op het oude continent soms een beetje verzwelgen in onze kleine ongelukkigheid.

    Je denkt na over de business waar je voor werkt. De nieuwsbusiness, waar we soms hollen van de ene tijdelijke obsessie naar de andere. Hoe we soms niet meer weten hoe de mensen echt leven en voelen en denken, en daardoor niet beseften hoe diep Donald Trump de gevoelige ader van Amerika raakte in zijn kiescampagne.

    Ik zie een beetje scherper nu, door aan de overkant van de oceaan te wonen. Veraf zie je soms beter, vreemd genoeg. Je ziet veel duidelijker wat show is en wat echt. Je leert sneller de bullshit zien. Je ziet sneller de essentie. Je neemt helderder waar. Door veel mee te gaan in obsessies, zijn we op een of andere manier ook ‘fake’ geworden.

    Hoe we dachten dat ‘grab them by the pussy’ hem zou nekken, omdat we – weldenkend als we waren – vergeten waren dat veel Amerikanen zich in het seksisme van hun toekomstige president herkenden. De kloof.

    Bij mijn terugkeer hoor ik de Gentenaars zeuren over een straat die doorgeknipt wordt. So what? Het is geëmmer in de marge als ik het vergelijk met het geworstel van veel Amerikanen. Maar dan écht geworstel, bijna een strijd om te overleven. En eigenlijk bijna nooit klagen of zeuren. In New York valt dat erg op.

    Mensen klagen niet snel. Ze ploeteren voort, aanvaarden hun lot, passen zich aan, hakken zich een moeilijk bestaan uit in een lastige omgeving. Desnoods gaan ze 7 dagen op 7 werken. Keep smiling! Die veerkracht vind ik merkwaardig, en bewonderenswaardig, en het helpt je zelf om minder te klagen en te zagen.

    Niet dat Amerikanen de moed nooit verliezen. We zijn op een punt aanbeland dat de wanhoop groot is. Nooit eerder zaten zo veel mensen in Amerika aan de verslavende opiumpillen. Nooit eerder waren er zo veel zelfmoorden. Het land heeft een make-over nodig. Amerika is een beetje ziek.

    Ik denk vaak, bij het berichten over Amerika: wat hou ik van dit land. Het heeft zo veel te bieden. En toch ben ik niet meer verliefd. Ik ben niet blind voor het keiharde falen, de hardheid van de samenleving. Amerika kan mensen opeten met huid en haar.

    Amerika heeft zichzelf verwaarloosd. Kijk rond, reis rond, je ziet het op het eerste gezicht. Ik zou bijna durven zeggen, als alien resident non-citizen: “America, we need to talk!” Een wereldmacht waar 1 op de vijf kinderen honger lijdt, daar klopt iets niet.

    Tegelijk – als ik op de hoek van mijn straat sta, aan Washington Avenue en Fulton Street – dan fascineert mij dat bruisende leven, het dag-en-nacht-doorgaan. De politie-en brandweerauto’s die met loeiende sirenes voorbijrijden, de wagens met hun ghettoblasters waar de hiphop je bij nacht en ontij nog kan opzwepen.

    Ik zie geel, wit, zwart, en koffie-met-melk door mijn straat slenteren. Ik zie hoeren staan roepen, ik zie armeluizen staan bedelen, ik zie hipsterjongens met hun lange baarden, ik zie hipstermeisjes met hun Dr. Martenschoenen, hun houthakkershemden en hun te korte broeken (they all look the same!)

    Ik zie de verboden rookwinkels, de alcoholflessen in de bruine zak op straat. Telkens denk ik: waw, en dat ik hier mag zijn om daarover te berichten. Dan knijp ik mezelf even in de wang.

    Ik ben een New Yorkertje. Een ‘Brooklynite’.

    En al die kleine New Yorkertjes, al die kinderen in deze kolkende miljoenenstad. Hoe nietig ook mijn aanwezigheid in dit stukje wereld, ik ben nu ook een New Yorkertje. Een ‘Brooklynite’. Een miezerig kleine mens op een schaakbord van ruim 8 miljoen mensen.

    Als ik dit schrijf, zit ik aan een pleintje in Gent. Het is een uur of zes ’s avonds, mijn kinderen zijn aan het studeren. Het duurt nog bijna 4 uur voor de zon ondergaat, maar het openbare leven valt nu al stil.

    De aders van de stad worden dichtgeknepen, de rolluikjes gaan naar beneden, de winkels zijn gesloten. Vlaanderen gaat vroeg slapen. Alles is proper, alles is rustig. Alles ziet er braaf uit. Alles is een beetje dood(s). Het voelt aan als ‘unheimlich’, als onecht. Ik mis nu al New York.

    New York is vuil, morsig en verwarrend; Plasticzakken zweven over straat, blikken worden achteloos in de greppel gegooid. Halve hamburgers liggen naast een boom te rotten. New York maakt je boos, New York slokt je op.

    En toch weet ik: dat is mijn nieuwe thuis. Mijn ankerplek. Ik voel het tot in het diepste van mijn vezels. Maar wat zou het leven zijn als het niet verwarde en verwonderde, en ons nu en dan van de sokken blaast.

    Zoals dat liedje ‘Homesick’ dat ik nu hoor op Spotify:

    “Everything around me seems so much different than where I’m from. And at this rate I think my fate’s been sealed. This Life’s so unpredictable, we’ll go continue to live a life that no one knows. Where’s this gonna go?”

    Niets in dit leven is zeker, en zelfs dat niet.