Meest recent

    Opgegroeid bij alleenstaande moeder? Meer kans op minder loon, minder vrienden en vaker single

    Wie zijn hele jeugd opgroeit in een éénoudergezin, ondervindt daar tijdens zijn volwassen leven nog de invloed van op zijn sociaal leven, relatie en loopbaan. Dat blijkt uit grootschalig Brits en Duits onderzoek, bij 24.000 volwassenen tussen 18-66 jaar, waarover Het Nieuwsblad bericht. Wie bovendien door één ouder wordt opgevoed, is als volwassene globaal gezien iets minder gelukkig over zijn leven.

    Onderzoek naar de effecten van het opgroeien in een éénoudergezin is bijzonder relevant, benadrukt socioloog Piet Bracke (UGent). In Duitsland groeit ongeveer één kind op vijf op bij een van zijn ouders, in het Verenigd Koninkrijk bijna één op vier en in de VS zelfs 27,5%. Ook in ons land neemt de groep alleenstaande ouders toe. Wie opgroeit in een éénoudergezin, doet dat in bijna 80% van de gevallen bij zijn moeder.

    "Daar zijn twee verklaringen voor: bij een scheiding gaan moeders de zorg voor hun kinderen veel actiever opeisen dan vaders, vanuit het argument dat een kind zijn moeder nodig heeft", zegt Bracke daarover. "Anderzijds zien we dat vaders vandaag de dag nog steeds een gebrek aan betrokkenheid tonen in de opvoeding van hun kinderen."

    Het onderzoek zelf

    De universiteit van Warwick voerde het onderzoek uit bij Duitse en Britse volwassenen tussen de 18 en de 66 jaar. Alle deelnemers werd gevraagd naar hun gezinssituatie tijdens de eerste 15 jaar van hun leven. Ze werden op basis daarvan opgedeeld in drie groepen: 641 volwassenen die hun hele leven door één ouder werden opgevoed, 1.539 volwassenen die deels in een éénoudergezin hebben geleefd en 21.943 volwassenen die bij beide ouders zijn opgegroeid.

    Vervolgens werd de proefpersonen gevraagd hoe tevreden ze waren met hun leven op dit moment. Die tevredenheid konden ze aangeven met een score van 0 (volledig ontevreden) tot 10 (volledig tevreden). De resultaten zijn erg rechtlijnig: wie is opgegroeid in een éénoudergezin geeft zijn welzijn en tevredenheid gemiddeld een lagere score. Het verschil is klein, maar significant: wie is opgegroeid in een éénoudergezin scoort 0,2 punten lager dan wie bij zijn beide ouders opgroeide. Het verschil voor wie gedeeltelijk in een éénoudergezin opgroeide, is 0,1 punten.

    De onderzoekers bekeken alle tevredenheidsscores tegenover enkele parameters van de proefpersonen: hun inkomen, het aantal doktersbezoeken per jaar, hun vriendenkring en hun relatieparcours. En ook daar merkten ze enkele verschillen op: de éénoudergroep verdient gemiddeld 30% minder. Deze groep had 9% minder kans op een relatie, en iets minder vrienden, ongeacht zijn leeftijd of geslacht.

    Verklaringen voor "sneeuwbaleffect"

    Dat iemands opvoedingssituatie op zeer uiteenlopende vlakken én op lange termijn zo'n invloed heeft, verbaast Bracke niet. "Het is wat wij cumulative disadvantage noemen, of opgestapeld nadeel. Kinderen bij alleenstaande ouders lopen op jonge leeftijd een achterstand op, die zich opstapelt en in de loop van hun leven nog vergroot", legt hij uit. "We zien ook in Belgisch onderzoek dat mensen ook 20 jaar na de scheiding van hun ouders daar nog steeds mentaal hinder van ondervinden."

    "Wie opgroeit, bij één ouder, heeft het in dat gezin vaak financieel niet makkelijk. Daar kan de schoolloopbaan van de kinderen onder lijden, waardoor ze niet verder studeren en hun eerste job bijgevolg vaak een lager loon heeft én ze op termijn minder carrièremogelijkheden hebben, waardoor ze zelf minder gaan verdienen", zegt hij. "Anderzijds is er tussen ouders en hun kinderen altijd een zekere kapitaaloverdracht: een deel van je startkapitaal, voor een eerste woning bijvoorbeeld, krijg je mee van thuis. In éénoudergezinnen is dat een pak minder evident."

    Ook de langetermijninvloed op relaties verbaast Bracke niet. "In Belgische studies zien we dit verband ook. Het is bewezen dat wie als kind een echtscheiding meemaakt, zelf later minder snel in een stabiele relatie stapt én sneller een punt zet achter relaties", aldus Bracke. "Dat hoeft niet per se negatief te zijn: je zou kunnen zeggen dat deze volwassenen een meer realistische kijk hebben op relaties. Ze zijn zich meer bewust van de mogelijkheid om zelf uit een relatie te stappen. Hun ouders zijn daarin voor hen een rolmodel geweest, en dat verlaagt de drempel."

    Wat vriendschap betreft, is er minder onderzoek voorhanden. "Een mogelijke verklaring is dat kinderen voor hun sociaal netwerk in eerste instantie vertrekken vanuit dat van hun ouders. Alleenstaande ouders hebben naast hun job en gezin vaak geen tijd meer om een sociaal netwerk op te bouwen, en klagen soms over isolement. Misschien stelt zich dan ook een effect op lange termijn."

    "Meer steun nodig vanuit beleid"

    Bracke roept op basis van deze studie beleidsmakers op om voldoende aandacht te hebben voor éénoudergezinnen. "Verplicht ouderschap voor mannen, gekoppeld aan het verlof van de vrouw: dat zou er echt moeten komen. Daarnaast moet de norm, dat mensen voor de kinderen best samen blijven, eruit. We moeten alleenstaande ouders niet veroordelen, maar ondersteunen", zegt hij.

    Bracke benadrukt ook dat de specifieke context van dit onderzoek. "De Duitse proefpersonen werden opgevoed in de jaren 60/70/80: een behoorlijk conservatieve tijd. Eénoudergezinnen waren toen een unicum. Ook vanuit de overheid werd deze groep nauwelijks ondersteund. Daarom zou het boeiend zijn om dit onderzoek over pakweg 20 of 30 jaar over te doen, bij proefpersonen die vandaag opgroeien bij een van beide ouders."

    Meer weten?

    Een korte samenvatting van het onderzoek vind je op de website van de universiteit van Warwick. Het onderzoeksrapport, met de exacte resultaten, kan je hier lezen.