Meest recent

    De dodelijk vermoeide Britse politiek - Ivan Ollevier

    Theresa May kreeg nu toch de meerderheid in het Lagerhuis van het Verenigd Koninkrijk. Dat kon alleen maar dankzij de steun van de (kleine) Noord-Ierse Democratic Unionist Party. Wat betekent dat nu voor de Britse politiek?
    analyse
    Analyse

    Ivan Ollevier is buitenlandjournalist bij VRT Nieuws en gespecialiseerd in het Verenigd Koninkrijk.

    Laat ik eens proberen om de recente ontwikkelingen in de Britse politiek uit te leggen. Tijdens het brexitreferendum op 23 juni kozen 17,4 miljoen Britten om uit de Europese Unie, ’s werelds rijkste en meest welvarende handelsblok, te stappen. De politici die de brexitcampagne steunden, lieten na om het publiek uit te leggen wat voor een helse opdracht zo’n uitstap zou worden.

    Waarschuwingen dat die uitstap banen zou kosten, de levensstandaard zou bedreigen en de Britse economie nagenoeg onherstelbare schade zou toebrengen, sloegen ze in de wind. Of verzwegen ze.

    Toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Theresa May was tegen een brexit. Maar toen ze het roer overnam van David Cameron was zij degene die er een punt van maakte om van de brexit een succes te maken. En niet zomaar “een” brexit, nee, een “harde brexit” zelfs. Alle banden met de Europese Unie (nogmaals: ’s werelds rijkste en meest welvarende handelsblok) moesten volgens haar finaal worden doorgeknipt.

    Glastonbury

    Na het referendum zouden er geen parlementsverkiezingen komen, zei May. Die zouden er pas zijn in 2020. Ze zei dat niet één keer, maar zeven keer. Waarna ze in april besliste dat de Britten wél naar de stembus zouden gaan, op 8 juni, bijna een jaar na het referendum.

    Veel kiezers die voorstander waren van een blijvend lidmaatschap van de Europese Unie liepen over van de Conservatieven naar Labour. Alsof ze nooit in de gaten hadden gehad dat Labourleider Jeremy Corbyn zelf niet bepaald warm liep voor de EU, om het licht uit te drukken. In aloude Labourtraditie ziet Corbyn in de Europese Unie een grote samenzwering van de banken en het internationale kapitaal tegen de Britse arbeidersklasse.

    En toch lijkt diezelfde Corbyn nu het icoon geworden van alle Britse (voor een groot deel jonge) Europeesgezinden. Ik verwijs maar naar Corbyns hallucinante toespraak op het pop- en rockfestival van Glastonbury vorig weekend. Je kunt alleen maar vermoeden dat al die kersverse Labourkiezers het Labourprogramma niet goed gelezen hadden: daarin stond dat Labour voorstander is van een uitstap uit de eenheidsmarkt.

    Zwak en labiel in plaats van sterk en stabiel

    Theresa Mays gok liep spectaculair fout. In plaats van een “sterke en stabiele meerderheid” leverden de verkiezingen haar een zwakke en labiele meerderheid op, waarna ze steun zocht bij de kleine Noord-Ierse Democratic Unionist Party. Die zal de Conservatieve minderheidsregering steunen vanuit de oppositie.

    De DUP heeft in het verleden een kwalijke rol gespeeld in het gewelddadige politieke conflict in Noord-Ierland. Haar politici hadden nauwe banden met radicaalprotestantse paramilitaire organisaties (de Ulster Volunteer Force, die verantwoordelijk was voor schietpartijen en bomaanslagen) en waren in 1998 zelfs gekant tegen het vredesproces en tegen een machtsdeling met de katholieke bevolkingsgroep.

    Pas toen hun leider dominee Ian Paisley, die decennialang doelbewust het politieke geweld had aangewakkerd, uitzicht had op het premierschap in Noord-Ierland veranderde de DUP het geweer (excusez le mot) van schouder.

    Cash for votes

    De steun van de DUP voor Theresa May mag wel iets kosten. In ruil moet de Conservatieve regering één miljard pond in de Noord-Ierse economie pompen. “Cash for votes”, roepen de tegenstanders van het akkoord, en helemaal ongelijk hebben ze niet.

    Theresa May heeft de steun gekocht. En bovendien zet ze het Noord-Ierse vredesproces onder druk. Hoe kan de Britse regering nog een objectieve en onbevooroordeelde scheidsrechter zijn in Noord-Ierland als ze voor haar overleven aangewezen is op één van de betrokken partijen?, vragen de tegenstanders van het akkoord zich af.

    En wat blijft er over van de hervormingen die de Conservatieve Partij in het Verenigd Koninkrijk wou doorvoeren? De toespraak van de koningin vorige week lichtte al een tip van de sluier: niets.

    Het Conservatieve verkiezingsprogramma beloofde een eind aan het verbod op de vossenjacht. Daar komt dus niets van in huis.

    De gratis maaltijden voor kinderen in het lager onderwijs worden niet afgeschaft, en de grootschalige hervorming van het onderwijs gaat niet door.

    Zelfs het bezuinigingsbeleid komt in gevaar. De regering lijkt ertoe veroordeeld om een politiek te voeren waar niemand zich een buil aan valt: het terugdringen van huiselijk geweld en het tegengaan van verzekeringsfraude. Op zich twee achtenswaardige doelstellingen, maar als regeerprogramma is het aan de magere kant. Het is niet waar de Conservatieve Partij voor staat.

    Ongemakkelijke waarheid

    De Conservatieve Partij zal nu een ongemakkelijke waarheid onder ogen moeten zien: dat ze sinds Thatchers reusachtige overwinning dertig jaar geleden nooit meer een overtuigende parlementaire meerderheid heeft binnengehaald.

    In 1992 was de overwinning op Labour schraal (onder John Major). De partij verloor zwaar in 1997 (onder John Major), 2001 (William Hague) en 2005 (Michael Howard). In 2010 (onder David Cameron) moest ze een coalitie vormen met de Liberaaldemocraten, in 2015 was haar meerderheid (alweer Cameron) flinterdun, en in 2017 (Theresa May) moest ze die weer helemaal inleveren.

    Haar enige troost is dat het er voor Labour al niet veel rooskleuriger uitziet: die partij haalde wel een meerderheid in 1997, 2001 en 2005, maar dat was onder Tony Blair, een man die veel traditionele sociaaldemocraten bepaald niet beschouwen als een medestander, maar integendeel als een vermomde conservatieve katholiek.

    En wat de laatste verkiezing betreft: die wordt in de pers vaak voorgesteld als een overwinning, maar dat is alleen maar omdat iedereen had verwacht dat Labour van de kaart zou worden geveegd.

    Dat is niet gebeurd, maar in werkelijkheid is Labour nog altijd liefst vierenzestig zetels van een meerderheid verwijderd. Als je Blair niet meetelt, dateert de laatste grote Labouroverwinning uit de tijd van Harold Wilson… in 1966.

    Rechtlijnig en coherent?

    Het Britse politieke systeem is doodvermoeid. Toen ik in de jaren tachtig aan de universiteit studeerde, las ik overal dat het typisch Britse kiessysteem (dat vrijwel altijd een éénpartijregering opleverde) garant stond voor een stabiel, rechtlijnig en coherent bestuur. Dat was het voordeel van het districtstelsel, waarbij één kiesdistrict maar één parlementslid naar Westminster stuurde.

    Omdat dat in de meeste gevallen ofwel een Labourkandidaat ofwel een Conservatieve kandidaat was, konden die twee partijen jarenlang de macht beurtelings onder elkaar verdelen. Het voorbije decennium heeft de zwakheden van het stelsel blootgelegd.

    Rare Europeanen

    Alleen is dat nog niet tot de Britse politiek doorgedrongen. In 2011 stemden de Britten in een referendum over een hervorming van het stelsel (overtuigend) weg, met maar liefst achtenzestig tegen tweeëndertig procent. Dat was toen een eis van de Liberaaldemocratische coalitiepartner, die meteen het deksel op de neus kreeg.

    Jarenlang keken de Britten neer op die “rare Europeanen” met hun merkwaardige kiessysteem, dat steevast zwakke en labiele regeringen opleverde. En kijk wat er nu in het Verenigd Koninkrijk gebeurt. Ondanks haar nederlaag beschikt de Britse premier nog altijd over een meerderheid waar politici op het continent alleen maar van kunnen dromen.

    Maar het verschil is dat die politici op het continent hebben leren leven met een “hung parliament”, parlementen zonder absolute meerderheid, ze hebben geleerd hoe ze coalitieregeringen moeten vormen, hoe ze compromissen moeten sluiten en op zoek moeten gaan naar een consensus. Dat hebben Britse politieke leiders nooit geleerd.