Meest recent

    Lange vakantierit voor de boeg? 10 spelletjes voor op de achterbank

    Vandaag vertrekken heel wat mensen met de auto naar hun vakantiebestemming. Kinderen zijn vaak gewapend met iPad, dvd-speler, strips en spelletjesboeken om de tocht door te komen. Maar als de verveling toch toeslaat op de achterbank, kunnen volgende spelletjes snel afleiding bieden.
    SAMUEL ASHFIELD/SCIENCE PHOTO LIBRARY

    1. Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet...

    Je kiest een object uit dat je rondom je ziet en je zegt: "Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet... en de kleur is..." Wanneer jij die zin hebt uitgesproken moeten de anderen raden wat je ziet. Dat kan iets zijn in de auto, maar ook buiten de auto. Je kunt ook aangeven met "warm" of "koud" of iemand dicht bij het object zit en er ver vanaf. Wanneer het object geraden is, is er iemand anders aan de beurt. 

    2. Wie is het?

    Je denkt aan een bekend persoon. De anderen moeten raden wie het is. Ze mogen enkel vragen stellen waar je met ja of neen kunt op antwoorden. vb. "Is het een man?" "Is het een BV?" Wie de bekende persoon raadt, mag zelf iemand bedenken. 

    3. Ik ga op reis en ik neem mee...

    Dit spelletje begint met de zin "Ik ga op reis en ik neem mee..." Je vult een eerste voorwerp aan. vb. "Ik ga op reis en ik neem mee: een zonnebril". De volgende herhaalt de volledige zin en voegt een voorwerp toe. vb. "Ik ga op reis en ik neem mee: een zonnebril en een luchtmatras". Zo komen er steeds een voorwerp bij. Wie een voorwerp vergeet te zeggen valt af.

    4. Woordslang

    Je kiest een thema, bijvoorbeeld "dieren". Dan start je met een dier te noemen, vb. "konijn". De volgende moet dan een dier zeggen dat met de laatste letter begint, in dit geval een "n", vb. "nijlpaard". Je moet altijd een dier zeggen dat nog niet genoemd is. Zo ga je door tot je geen dieren meer weet. Je kunt dit spel met heel veel thema's spelen, zoals automerken, fruit en groenten en (plaats)namen.

    5. Verhalenketting

    Je begint een verhaal te vertellen. vb. "Er was eens een prinsesje dat graag frietjes at..." De volgende mag telkens een zin aanvullen. Zo krijg je na een aantal rondjes het gekste verhaal.

    6. Vreemde nummerplaten tellen

    In het vakantieverkeer kom je allerlei nummerplaten tegen. Je leert je kinderen de nummerplaten van verschillende landen te herkennen. Dan spreek je af van welk land ze de nummerplaten moeten tellen. Wie het eerste 10 nummerplaten gezien heeft van dat land is gewonnen. Je kunt hetzelfde doen met merken van auto's of kleuren van auto's.

    7. Geen ja of neen zeggen

    Je stelt een vraag en de anderen mogen niet antwoorden met "ja" of "neen". vb. "Eet je graag spinazie? antwoord: "Ik eet heel graag spinazie." Wie een fout maakt, valt af. Je kunt doorgaan tot er één iemand overblijft. Die wordt dan de vragensteller. Maar je kunt ook afwisselen. Iedereen stelt om de beurt een vraag aan iemand anders. Diegene die geantwoord heeft, mag dan de volgende vraag stellen. Wie fout antwoordt, valt af.

    8. Maak zoveel mogelijk woorden uit 1 woord

    Je kiest een lang woord, vb. "bloemkolen". Dan zoeken de anderen zoveel mogelijk woorden met letters uit dit woord. vb. bloem, kolen, molen, bomen, melk, bom, kom, lok, enz...

    9. Zinnen vormen met letters van kentekens

    Kijk naar de nummerplaten van de auto's die voor, achter of naast je rijden en laat je kinderen zinnen vormen met de letters die op de kentekens staan. vb. "JTA 486" wordt dan "Jonas telt ananassen".

    10. Hoofdsteden raden

    Je noemt een land en de volgende noemt de hoofdstad van dat land. Als die het juist heeft, mag hij of zij een land noemen voor de volgende, die dan de hoofdstad moet raden. Wie een fout maakt, valt af.