Meest recent

    'Passchendaele' of de futiliteit van de totale oorlog

    "Passchendaele" is niet alleen een passage uit de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog, het is een begrip geworden, een internationaal symbool voor zinloos oorlogsgeweld. In 1917 worden hier in 102 dagen bijna een half miljoen militairen buiten gevecht gesteld voor een terreinwinst van slechts enkele kilometers.

    De Derde Slag bij Ieper, ook wel de Slag bij Passendale genoemd, is aanvankelijk slechts een onderdeel van het Britse ‘Flanders Offensive’.

    De Mijnenslag bij Mesen op 7 juni 1917 luidt de eerste fase in, waarbij de zuidelijke frontlinie van de Ieperboog rechtgetrokken wordt. Na herhaaldelijk uitstel start op 31 juli de tweede fase. Honderd en twee dagen later, op 10 november, stopt de infanterieaanval op de heuvelrug bij Passendale.

    Het veroverde terrein is verwoest en herschapen in een modderlandschap. De derde fase voorziet in een landing op het strand bij Lombardsijde om zo de havens van Oostende en Zeebrugge in te nemen. Zo ver is het nooit gekomen.

    De Duitsers halen in het begin van de oorlog vaak de bovenhand door de hoogtes te bezetten. Zeker na de Tweede Slag bij Ieper in 1915 domineren de Duitsers de heuvels rond Ieper. In 1916 heeft het aanvalsgerichte denken plaats gemaakt voor een defensieve houding.

    Daarom beginnen ze op de heuvelrug ten oosten van Ieper met de uitbouw van een heus verdedigingsnetwerk in de diepte. Speciale genietroepen worden belast met het uitbouwen van opeenvolgende verdedigingslinies.
     

    Britse soldaten bij een op de Duitsers veroverde bunker

    Onder de titel 'Totale oorlog in Vlaanderen 1917' brengen zes musea in de Westhoek, van Ieper tot Zonnebeke, tentoonstellingen die verschillende aspecten van de Slag bij Passendale belichten. Het is een unieke samenwerking, gecoördineerd door Westtoer.

    Tussen het front en Passendale liggen vier actieve stellingen. De ‘Albrecht-‘ en de ‘Wilhelm-stellung’ bestaan uit een netwerk van loopgraven en schuilplaatsen. Daarachter liggen twee bunkerlinies, ‘Flandern-stellungen’ genoemd.

    ‘Riegels’ of kleinere verbindingsstellingen vormen versterkte bruggen tussen de stellingen. Er staan duizenden bunkers, verscholen in ruïnes van boerderijen, of overdekt met aarde. De bunkers staan zo dat ze elkaar kunnen zien en ondersteunen. Metersbrede prikkeldraadversperringen zijn zo geplaatst dat ze de aanvaller in valstrikken lokken.

    De eerste frontlijn is maar dun bemand. Bij een aanval is het de bedoeling om de vijand te verlokken diep door te stoten, hem vanuit de bunkers te bestoken, en, als hij te ver is doorgedrongen en bijna geen steun in de rug meer heeft , de reservetroepen in te zetten om hem terug te drijven.

    Nachtelijk bombardement

    Om de Ieperboog te kunnen doorbreken, moet eerst de heuvelrug van Mesen en Wijtschate ten zuiden van Ieper veroverd worden. Dat is de befaamde ‘Mijnenslag’ van 7 juni 1917, onder leiding van generaal Sir Herbert Plumer. Die aanval, die nodig om de flank van de hoofdaanval te beschermen, wordt een succes.

    Generaal Plumer wil van de chaos die na de Mijnenslag bij de Duitsers heerst, gebruik maken om de hoogte van Geluveld in te nemen. Opperbevelhebber Haig volgt echter generaal Gough die meer tijd vraagt om andere mogelijkheden te onderzoeken. De aanval wordt telkens uitgesteld.

    De Derde Slag bij Ieper wordt ingezet met een voorbereidende artilleriebeschieting van twee weken, waarbij ongeveer 4,2 miljoen projectielen worden afgeschoten, meer dan het dubbele als bij de Slag bij de Somme in 1916.

    Haig vertrouwt op de zware artillerie om de Duitse versterkte linies uit te schakelen. Maar die mist precisie en kracht. Door de beschietingen verdwijnen wel de belangrijkste schuilplaatsen op het terrein. Maar de meeste betonbunkers, het doel van de beschieting, blijven overeind. Ook de afwatering wordt vernield, zodat elke regenbui het terrein verandert in een modderzee.

    De Britse aanval onder leiding van generaal Gough, start op 31 juli, zes weken na de Mijnenslag. Hierdoor krijgen de Duitsers een lange adempauze, waar ze graag van profiteren om hun verdediging verder te versterken en extra-troepen naar het front te brengen.

    11 soldaten zijn bezig met het laden van een houwitser, een officier kijkt toe. Het kanon rust op een houten vloer om te verhinderen dat het de grond inzakt.

    De eerste fase

    Op 31 juli 1917 trekken de Britten ten aanval. De zware beschietingen en de regen hebben grote delen van het slagveld in een moeras veranderd. De modder eist niet alleen slachtoffers onder de militairen maar ook de tanks worden er slachtoffer van.

    Deze eerste aanval, bekend als de Slag bij Pilkem, zorgt voor een terreinwinst van drie kilometer, maar de aanval loopt vast voor de Wilhelm-stellung. Op hun linkerflank krijgen de Britten steun van het Franse leger dat Boezinge veroverd.

    Op 10 augustus vindt een gerichte aanval plaats op de hoogtes bij Zonnebeke en Geluveld. Vooral bij het gehucht Westhoek wordt vooruitgang geboekt. Het overgrote deel van de Britten wordt echter weer naar hun uitgangsposities geduwd.

    Een aanval over een breed front op 16 augustus zorgt voor terreinwinst op de noordelijke flank, waarbij Langemark en Sint-Juliaan worden ingenomen. Maar deze Slag bij Langemark haalt niet het gewenste resultaat. De sleutel van het offensief, de hoogte van Geluveld, wordt opnieuw niet ingenomen. De beoogde doorbraak lijkt steeds verder weg.
     

    De kaarten geven de Geallieerde vooruitgang weer tijdens elk van de drie fases van de slag, de lichtblauwe lijn is telkens de beginpositie     (kaarten: Memorial Museum Passchendaele 1917, Zonnebeke)

    Tweede fase

    Haig realiseert zich dat het offensief is vastgelopen en vervangt generaal Gough door Plumer, die een stuk behoedzamer is dan Gough. Hij vraagt drie weken voorbereidingstijd en opteert voor een nieuwe aanpak.

    Met een stap-voor-stap-tactiek wil hij beperkte en gerichte aanvallen uitvoeren. Vele Duitse bunkers zijn immers door de beschietingen niet verwoest en moeten één voor één worden ingenomen.

    De verovering verloopt niet langer als een massale aanval over een breed front maar zal stapsgewijs gebeuren. Er worden ook nieuwe troepen ingezet: Australiërs en Nieuw-Zeelanders.

    Britse soldaten komen uit de loopgraaf. De meeste van deze foto's werden in scene gezet, deze oogt erg realistisch, met de explosies in de achtergrond.

    Op 20 september wordt er met succes gestreden rond de Meenseweg. In de aanval maakt de Britse artillerie gebruik van een rollend spervuur, een golf van beschietingen die de infanterieaanval voorafgaat. Infanterie-eenheden dienen daarbij nauwgezet het voorziene tijdschema van het beschermende spervuur te volgen, en tijdig de doelen in te nemen.

    Over een front van 10 kilometer wordt 1,5 kilometer opgeschoven. De gestelde doelen worden, ondanks grote verliezen, gehaald. Bij de volgende aanval, de Slag bij het Polygoonbos op 26 september, worden met de inname van Zonnebeke en het Polygoonbos opnieuw alle doelen bereikt.

    De Duitsers voeren op 4 oktober een grootse tegenaanval uit. De geallieerden hebben op nagenoeg hetzelfde moment echter een nieuwe aanval gepland. Het wordt een zwarte dag voor het Duitse leger met vele doden en verliezen. Broodseinde wordt ingenomen door de Australiërs en de Nieuw-Zeelanders kunnen ’s Graventafel veroveren, maar de aanval stopt opnieuw bij de hoogte van Geluveld.

    Troepen rukken op onder de bescherming van een rollend spervuur, tekening uit Parrott, Children's Story of the War, vol. 7

    De veranderende weersomstandigheden in oktober, in combinatie met het stukgeschoten terrein, gooien roet in het eten. De aanvallende soldaten kunnen de beschermende barrage niet snel genoeg volgen.

    Dat geeft de Duitse verdedigers de tijd om hun weerstandsnesten te verlaten en de aanvallers onder vuur te nemen. De Duitsers hebben immers op heel wat plaatsen de voordelen van het landschap optimaal gebruikt bij de bouw van hun stellingen en weerstandsnesten.

    Ook de modder wordt een geduchte tegenstander. Voor de aanval van 9 oktober bij Poelkapelle hebben de aanvalstroepen maar liefst elf uur nodig om vanuit Ieper over smalle loopplanken naar hun vertrekposities te gaan.

    Britse militairen dragen houten loopplanken waarmee paden werden gemaakt.

    Alle foto's bij dit artikel zijn gemaakt door de officiële Britse oorlogsfotografen Ernest Brooks en John Warwick Brooke. Zij waren in dienst van het Britse leger en hun foto's dienden in de eerste plaats propagandadoeleinden, al kunnen ze nooit helemaal de verschrikkingen van de oorlog en het terrein verbergen (Collectie Haig, National Library of Scotland).

    Ook wordt artillerieondersteuning moeilijk omdat de kanonnen vaak bij het eerste schot wegzakken in de modder. Enkel aan het noordelijk front wordt op die dag vooruitgang geboekt.

    Op 12 oktober probeert men de doelen die op 9 oktober niet bereikt worden, te halen. Deze Eerste Slag bij Passendale draait uit op een mislukking.

    Die dag staat bij de Nieuw-Zeelanders geboekstaafd als de zwartste dag uit hun geschiedenis. De troepen lopen zich vast in de modder en prikkeldraad in de Ravebeekvallei bij Passendale. In vier uur tijd verliezen de Nieuw-Zeelanders 2.700 man, waaronder 845 gesneuvelden.

    Soldaten proberen een kanon uit de modder te trekken.

    De derde fase

    Eind oktober hebben de geallieerden zich in een fuik gevochten. Het doel dat eerst maar een tussenstap was, is nu het einddoel geworden: de verovering van de puinen van Passendale.

    Haig laat de Australiërs en Nieuw-Zeelanders vervangen door frisse Canadese troepen. Hun bevelhebber; luitenant-generaal Currie steunt net als Plumer op een degelijke voorbereiding, met nadruk op voldoende artillerie.

    In drie stappen, elk met een vooruitgang van ongeveer 500 meter, over een front van nog geen drie kilometer, moeten de puinen ingenomen worden. Op 26 oktober beginnen ze aan hun ‘Road to Passchendaele’. Op 6 november kunnen de Canadezen eindelijk het dorp innemen.

    De naam heeft intussen mythische proporties aangenomen: ‘Passion-dale’, dal van het lijden. Op 10 november valt hun offensief stil op de top van de heuvelrug. De Canadezen betalen een hoge tol voor hun inzet. Currie had voor de aanval met weerzin voorspeld dat die hem 16.000 slachtoffers zou kosten. Het zouden er 350 minder worden…
     

    Militairen bij een medische hulppost net achter het front

    De eindbalans

    Het resultaat van de hele campagne is bedroevend voor de Britten. Na 100 dagen loopt het offensief vast op de heuvelrug van Passendale, een terreinwinst van slechts acht kilometer. De menselijk tol is enorm.

    De invloed van het modderige maanlandschap was doorslaggevend. De aanvallen konden geen doorbraak forceren. Noodgedwongen moeten de geallieerden overwinteren op de top van de begeerde heuvelrug.

    Over het nut van de Derde Slag bij Ieper is al veel inkt gevloeid.. Wel staat vast dat de slag in zijn opzet faalde. Het oorspronkelijke doel werd niet gehaald. Het veroverde gebied bleek nauwelijks te verdedigen. De beperkte terreinwinst werd bij het Duits Lenteoffensief in het voorjaar van 1918 in een week tijd te niet gedaan.

    In de verte, oprukkende soldaten, tussen inslaande bommen.

    Passendale in cijfers

    De Derde Slag om Ieper is ongetwijfeld de zwaarste strijd die ooit op Belgisch grondgebied werd gevoerd.

    In totaal deden zo’n 1,5 miljoen manschappen (50 divisies) van het Britse Rijk aan de gevechten mee, plus 180.000 Fransen (6 divisies), tegen circa 2,4 miljoen Duitsers (95 divisies, veel divisies kwamen in de loop van de slag naar België van het Oostfront, waar de Russen de strijd zo goed als gestopt hadden). Al die troepen werden wel niet tegelijk ingezet !

    De Britten zetten in totaal meer dan 200 tanks in, die vanwege de modder weinig presteerden.

    Het aantal afgevuurde artilleriegranaten tijdens de slag wordt geschat op zo’n 70 miljoen voor beide zijden. Meer dan een tiende daarvan is niet ontploft.

    Duitse krijgsgevangenen worden gefouilleerd

    De schattingen van verliezen (doden, gewonden, krijgsgevangenen en vermisten) voor alle legers samen lopen uiteen van 550.000 tot 860.000. Er vielen zeker 300.000 gewonden en 150.000 doden. Daaronder zeker 80.000 Britten en minstens 50.000 Duitsers.

    Bijna de helft van alle verliezen in België tijdens de Eerste Wereldoorlog en meer dan 60 % van alle verliezen rond Ieper vielen in de Derde Slag bij Ieper.

    Daarmee is “Passchendaele” de op twee na bloedigste veldslag van de Grote Oorlog, meteen na de Somme en Verdun, slagen die beide een stuk langer duurden. Op de lijst van de bloedigste slagen van de 20ste eeuw komt hij op de 21ste plaats.
     

    Een eenzaam graf bij een loopgraaf

    De auteurs: Steven Vandenbussche is conservator, Karen Derycke en Lee Ingelbrecht zijn  wetenschappelijk medewerker bij het Memorial Museum Passchendaele 1917 in Zonnebeke