Meest recent

    Opperbevelhebber Douglas Haig, een slager of held?

    Douglas Haig, de Britse opperbevelhebber tijdens de Slag bij Passendale, was een van de meest omstreden figuren van de Eerste Wereldoorlog. Voor de enen een held, voor anderen een 'slager'. Al tijdens de Slag waren er veel vragen en twijfels over de zin van zijn hardnekkig doorgaan met de strijd.

    De Derde Slag bij Ieper was de zoveelste poging van de Geallieerden om op het westelijk front door te breken. Bij eerdere doorbraakpogingen was er nooit meer dan enkele kilometers vooruitgang geboekt, telkens ten koste van enorme inspanningen en verschrikkelijke verliezen. En elke keer weer bleken ze strategisch volkomen nutteloos.

    Maar na elke poging meenden de generaals hun aanvalsmethodes te kunnen verbeteren, om de volgende keer wèl succes te boeken.

    Dat meende ook veldmaarschalk Sir Douglas Haig. Hij stond sinds eind 1915 aan het hoofd van de British Expeditionary Force (BEF), de Britse strijdmacht in West-Europa, die behalve uit eigenlijke Britten ook uit Ieren, Canadezen, Australiërs, Zuid-Afrikanen en Newfoundlanders bestond.

    Douglas Haig schouwt de erewacht van het London Scottish Regiment (Collectie Haig, NLS)

    Al in 1916 had Haig een plan om vanuit het front rond Ieper een uitval te doen. De Britten hadden zich daar tot nu toe enkel defensief opgesteld, wat op zich al een heksentoer was geweest. Een zware Geallieerde aanval vanuit de Ieperboog kon volgens Haig en zijn staf leiden tot een definitieve doorbraak en de eindoverwinning.

    Het plan hield in dat de Britten de spoorweg Kortrijk-Roeselare-Torhout zouden veroveren, een belangrijke Duitse aanvoerroute. Meteen daarop zouden er bij Westende Britse landingen op de kust plaatsvinden. Dat zou leiden tot een snelle verovering van het kustgebied

    Haig kon zijn plan niet meteen ten uitvoer brengen. Hij moest zich schikken naar de wensen van het Franse opperbevel. De BEF was nu eenmaal de gast in Frankrijk en minder talrijk dan de Franse legers. Daarom namen de Britten in 1916 deel aan het enorme Somme-offensief en voerden ze in maart 1917 een relatief succesvolle aanval bij Arras uit. Die sterkte Haig in zijn overtuiging dat de BEF klaar was voor een doorbraak.

    Haig ontvangt de Franse veldmaarschalk Joffre op zijn hoofdkwartier in het Franse stadje Montreuil-sur-mer Collectie Haig, NLS)

    Toen kort nadien de grote Franse aanval aan de Aisne meteen in een bloedbad uitliep, was de stemming onder de Franse troepen zo slecht dat hun nieuwe opperbevelhebber Pétain voorlopig geen grote offensieven wilde. Haig zag toen zijn kans voor zijn geplande offensief in Vlaanderen.

    Haig had goede argumenten om zijn offensief niet langer uit te stellen. Het hield een verovering in van de havens van Oostende en Zeebrugge, belangrijke bases van de Duitse U-boten. Midden 1917 brachten die duikboten enorme schade toe aan de Britse handelsvloot.

    Bovendien zou het offensief de verdere Franse aanvallen aan het Aisne-front verlichten. Er was ook de vrees dat het door revolutie getroffen Rusland de strijd zouden opgeven, waardoor de Duitsers veel meer troepen naar het westelijk front zouden overbrengen.

    Duitse krijgsgevangenen trekken door het verwoeste Ieper, ze dragen een gewonde maker op een berrie (Collectie IFFM)

    Om door te breken, moesten de Duitsers worden verjaagd van de heuvels rond Ieper.

    Eerst werden de Duitse stellingen ten zuiden van Ieper veroverd. Dat gebeurde met de Mijnenslag van Mesen van 7 juni 1 917.

    De hoofdaanval begon pas anderhalve maand later, op 31 juli. Dat kwam door tekortkomingen van de Britten, maar er moest ook gewacht werden op de gevraagde Franse troepen.

    Eens te meer dachten de Britten dat de aanval een succes zou worden als de vijandelijke stellingen voorafgaand zwaar gebombardeerd werden door artillerievuur, hoewel Haig wist dat zulke zware bombardementen aan de Somme geen succes waren geweest.

    Ook hier slaagde men er niet in de Duitse verdedigers uit te schakelen. De meesten zaten min of meer veilig in bunkers, of in verder afgelegen stellingen. De bombardementen waren over een veel te ruim gebied verspreid.

    Britse militairen proberen een kanon uit de modder te trekken (Collectie IFFM)

    Koppig doorzetten

    De massale bombardementen woelden wel bodem om. Beekjes veranderden van loop en er werden bressen in de afwateringskanalen geslagen. Daardoor werd een groot deel van het terrein modderig en het zou nog erger zou worden door de regenbuien.

    Haig maakte de fout geen rekening te houden met de weersverwachtingen. De eerste aanval werd vanwege de regen na drie dagen stopgezet.

    De Duitsers boden meteen hevige tegenstand. Toch vond het Brits opperbevel dat de verliezen van de eerste dagen meevielen : minder dan de eerste dag aan de Somme, toen de Britten 20.000 doden telden.

    Voor Haig een reden om het offensief voort te zetten.
    Na 2½ maand strijd waren de verliezen schrikwekkend toegenomen. Veel bevelhebbers drongen aan om de strijd te stoppen. Haig weigerde.

    Behalve een beperkt aantal wegen, was het strijdterrein alleen te betreden over paden die met houten loopplanken waren aangelegd, en die waren vaak gevaarlijk glad (Collectie IFFM)

    Het was al lang duidelijk dat de verhoopte doorbraak en de verovering van de kust er niet zouden komen. Alles concentreerde zich nu op de verovering van het dorpje Passendale. Die laatste weken zouden de bloedigste zijn.

    “Passchendaele” werd een strijdsymbool, zoals Verdun dat het jaar ervoor was geweest en Stalingrad dat in een volgende oorlog zou worden. Alleen ging het hier om een onopvallend dorpje zonder strategische betekenis.

    Haig en zijn verdedigers zouden opmerken dat de Britse verliezen een stuk lager waren dan aan de Somme. Ook zouden de Duitse verliezen – aan mensen maar nog meer aan materiaal – zo groot zijn geweest dat ze bij de gevechten van het jaar daarop gevoelig verzwakt werden. “Passchendaele” zou dus hebben bijgedragen hebben aan de Geallieerde eindzege in 1918, zo luidt het pleidooi pro-Haig.

    Duite militairen in het nog niet helemaal verwoeste Passendale (Collectie IFFM)

    Een omstreden bevelhebber

    Weinig bevelhebbers uit de Eerste Wereldoorlog zijn zo omstreden als Sir Douglas Haig. Omwille van de Somme en Passendale kreeg hij de bijnaam ‘butcher” (slager).

    Haigs verdedigers wijzen er op dat hij op het einde van de oorlog een zeer succesvolle campagne voerde. Zijn Amerikaanse collega Pershing zei zelfs dat het Haig was die de oorlog won! En na de oorlog zou hij zich ijverig inzetten voor de belangen van de oud-strijders. Zijn begrafenis in 1928 zou door zowat een miljoen mensen zijn bijgewoond.

    Toch blijft de kritiek over Haigs aanpak van de derde slag bij Ieper. Zijn verwachtingen waren onrealistisch. Maar het grootste verwijt is dat Haig kost wat kost de heuvel van Passendale wilde veroveren om dat als een overwinning voor te stellen. Een overwinning die hij nodig had om zijn eigen positie veilig te stellen, ten koste van grote verliezen.

    Douglas Haig met naast hem de twee generaals die tijdens de Slag afwisselend op het terrein het bevel voerden, links Plumer, rechts Gough

    Daarachter spelen de vele ruzies, vetes en intriges mee die Haig had met hooggeplaatste Britse politici. Hij lag overhoop met eerste minister David Lloyd George.

    Lloyd George had een afkeer voor Haig. Hij was razend toen de koning hem tot veldmaarschalk had bevorderd. Hij dacht er voortdurend aan Haig te vervangen, maar slaagde daar niet in. Voor hem was Passendale “het failliet van het militaire denken”.

    Maar Haig had veel invloed. Hij kreeg lof in de pers door de steun van de persmagnaat Lord Northcliffe. Dat ging zo ver dat Lloyd George geloofde dat Haig hem via de pers aanviel. Daar kwam een einde aan toen Northcliffe eind 1917 Haig in zijn hoofdkwartier opzocht en zich beledigd voelde toen bleek dat de opperbevelhebber geen tijd voor hem had.

    © IWM (Q 5733)

    Duitse doden op 31 juli 1917, het begin van de Slag, in de omgeving van Pilkem (IWM, Q 5733)

    Maar zelfs toen Haig in nauwe schoentjes geraakte, was er geen generaal bereid hem te vervangen. Hij bleef dus aan tot het einde van de oorlog en mocht mee van de overwinning proeven.

    Over Haigs bekwaamheid is veel gediscussieerd. Hij leek ouderwets, met te weinig belangstelling voor de moderne oorlogvoering. Hij was in hart en nieren een cavalerist.

    Sinds zijn jeugd was hij een bekwaam ruiter en zijn hele leven bleef hij een enthousiast beoefenaar van polo, de lievelingssport van de Britse elite. In de jaren voor de oorlog had hij nog regels opgesteld over het gebruik van lansen en sabels bij cavaleriecharges.

    Ook tijdens de oorlog bleef hij het nut van de cavalerie verdedigen. Hij verzette zich tegen het voornemen van de regering om het aantal cavaleriedivisies te verminderen. Tijdens de slag aan de Somme zette Haig de cavaleriedivisies klaar om te gebruiken in geval van een doorbraak. Zelfs tijdens de Derde Slag bij Ieper waren er aanwijzingen dat Haig daaraan dacht.

    Wat overbleef van Passendale nadat het door de Geallieerden was ingenomen (Collectie IFFM)

    Kortom, een generaal uit de 19de eeuw. Sommige militaire historici spreken dat beeld tegen en wijzen er op dat Haig de modernisering van het Britse leger bevorderd heeft. De artillerie nam spectaculair toe, en vooral: de Britten beschikten als eersten beschikten over tanks, waar Haig een enthousiast voorstander van was.

    Hoe dan ook was Haig geen aangenaam personage. Hij wordt beschreven als een koppige, zelfingenomen en bekrompen Schot, zonder de Engelse soepelheid en zin voor humor. Hij deed er alles aan om zijn imago hoog te houden en zou daarvoor zelfs zijn dagboeken uit de oorlog hebben aangepast.

    Collectie IFFM

    Een ander pijnpunt is dat Haig onbekwame medewerkers had. De meest beruchte was generaal John Charteris, die als chef inlichtingen op zijn hoofdkwartier hem moest informeren hoe de vijand het stelde.

    Charteris had weinig ervaring in zijn job en had de neiging veel te optimistische rapporten af te leveren, ook in het heetst van de strijd om Passendale. Wat zware gevolgen had voor de beslissingen die Haig nam. Ook al waren anderen het op zijn staf het niet met hem eens, Haig luisterde steeds naar Charteris, omdat die zei wat hij wilde horen.

    Pas nadat “The Times” – een krant van Lord Nothcliffe - eind 1917 kritiek uitte op Charteris, die zijn onbekwaamheid opnieuw gedemonstreerd had in de tankslag bij Cambrai, werd Haig onder druk van de regering verplicht zijn chef inlichtingen te vervangen, tot zijn spijt. Hij zag er een complot van Lloyd George tegen hem in…

    Douglas Haig in zijn kantoor op een trein, waarschijnlijk in de zomer van 1918 (Collectie Haig, NLS)

    lees ook