Meest recent

    Steeds meer jonge daklozen in Brussel: vier portretten

    Een jaar geleden haalde Jordy de krantenkoppen.  De jonge kerel stierf eenzaam in een tentje in de buurt van Gent.  Zijn overlijden veroorzaakte veel verontwaardiging. Er moest iets veranderen. Toch leven nog steeds veel jongeren op straat en hebben ze meer dan ooit nood aan begeleiding.  Filip Keymeulen stelt vier jongeren aan u voor.  

    opinie
    Filip Keymeulen
    Filip Keymeulen is straathoekwerker bij de Brusselse vzw Diogenes. Dit verhaal is zodanig aangepast dat de jongens en meisjes niet herkenbaar zijn. De toestanden omschreven in deze tekst zijn echter dagelijkse kost in de straten van Brussel en alle andere grootsteden in Europa (en daarbuiten).

    We stellen vast als straathoekwerkers van Diogenes dat we de laatste jaren meer geconfronteerd worden met jonge mensen die als dakloze leven in Brussel.  Tot enkele jaren terug, kwamen we hen maar zelden tegen.  Maakten we met min-achttienjarigen contact, dan vonden we al snel een uitweg via de sector jeugdzorg.   We ontmoeten nu niet alleen meer jongeren op straat, we vinden ook minder snel een uitweg, weg van de straat.

    Naast tieners die de volwassen leeftijd hebben gehaald, zijn er ook veertien- tot achttienjarigen die hun plan trekken als dakloze in Brussel.  Straatkinderen dus.  Vroeger een verschijnsel in Sao Paulo en andere derde-wereld-steden, nu ook realiteit in Brussel.  We trachten hen te linken aan de jeugdzorg en met hen iets op te bouwen, op weg te gaan naar een volwassen zelfstandig leven.  Ik stel je graag aan enkelen onder hen voor.

    Martha

    Martha slaapt.  Ze ligt op een stuk karton tussen een rijtje vuilnisbakken en een muur.  Naast haar ligt haar vriend voor zich uit te staren.  Hij laat herhaaldelijk zijn handen door haar haren gaan.  Liefkozend zou je dit gebaar kunnen noemen.  Hij kan dat, lief zijn voor haar.  Wanneer hij net gebruikt heeft en  voldaan is, is hij dat ook.  Martha gelooft dat dat zijn echte ik is.  Een lieve man, die met zijn vingers door haar haren gaat en haar lijkt te beschermen.  Hij ziet me en knikt vriendelijk.

    Zijn niet echte ik gedraagt zich anders.  Die is in ontwenning.  Te weinig opiaten in het bloed.  Doffe blik, zweterig, geagiteerd.   Hij schiet dan vaak in een bui van jaloezie en  zou dan telkens opnieuw overtuigd geraken dat Martha hem bedriegt. Hij vindt dan dat zij naar seks ruikt, naar andere mannen.  Psychotisch paranoïde. Hij wordt dan heel gewelddadig. Trekt haar aan de haren, deelt meppen uit en scheldt haar uit voor alles wat vuil is.  Martha mist al een tand door één van zijn woedeaanvallen.  Een diepe kies, gelukkig niet zichtbaar tenzij ze heel hard lacht, zegt ze. Martha is nog niet zo heel lang geleden 16 geworden.  Het rijtje vuilnisbakken staat in het historisch centrum, de muur maakt onderdeel uit van wat we noemen historisch erfgoed.

    Mel

    Mel is vinnig. Ik lijk haar af te stoten.  Als ze me ziet, schiet ze weg.  Maximaal een vlugge hey en gone.  Telkens opnieuw, schichtig-achter-zich-kijkend.  Einde winter, begin lente.  Natte ellende. Donderdagavond in de Alhambrawijk.   Over en weer wandelenden dames, mannen alleen aan een tafeltje van het terras van The Black Beard, starend, naar over en weer wandelende dames. 

    Niemand specifiek die onze aandacht trekt, we duiken vroeger dan normaal de metro in.  De laatste tijd zitten er heel wat mensen te gebruiken voor de liften.  We gaan kijken of we bekende gezichten tegenkomen.  Ook hier valt het aantal tegen.  Enkel Mel is aanwezig.  Ze zit op de grond, bekijkt ons en trekt een betrapt gezicht. “On ne te dérange pas”, vraag ik haar.  Ze antwoordt niet, kijkt weg en doet voort met wat ze bezig was.  Voor haar ligt een uit elkaar gehaald pijpje.  Ze probeert een buisje te ontstoppen, maar slaagt daar niet in.  Ik geef haar zonder een woord te zeggen mijn balpen.  Ze haalt die vakkundig uit elkaar, trekt de veer helemaal uit tot een stevige ijzerdraad en peutert die helemaal door het buisje.  Merci,  prevelt ze.

    “Tu me connais déjà longtemps, hein?”  “Je kent me al lang”, vraagt ze me.  Ik bevestig, al enkele winters.  Als indianen zomers tellen, tellen we in Brussel winters.  “Ik word dit jaar na de zomer achttien.”  “Ik zou je dan al kennen van voor je zestien?”  Ze beaamt.  “Help je me na mijn verjaardag mijn OCMW in orde te brengen?”, vraagt ze.  “Met plezier, maar waarom zo lang wachten om iets te doen?”  “Rien à faire avant.”  “Drinken we volgende keer iets?”   “Peut-être”.

    Haar pijpje zit weer in elkaar, ze staat op en weg is ze.  Ik weet dat Mel een jeugdrechter heeft.  Wandelgangen.  Ik weet dat ze geseind staat.  Ik weet ook dat er niet echt actief gezocht wordt.  Ik weet niet wie er ongerust is over haar.  Of ze gemist wordt.  Vanuit Diogenes zien we het als onze taak dit op ons te nemen. Ongerust worden, die ongerustheid delen en samen met wie we op ons parcours met de mensen tegenkomen trachten iets aan die ongerustheid te doen. Vanaf dan zeggen we elkaar gedag en wisselen we enkele zinnen wanneer we elkaar tegenkomen. Ik heb zin om samen met haar op stap te gaan naar iets anders, dingen aan te pakken.  Maar, ik weet, uiteindelijk, gaat zij bepalen wat en wanneer.  (lees verder onder de foto)

    Matheo

    Matheo, is net twintig geworden, maar we kennen elkaar al jaren. Hij hangt ook vaak rond in de krochten van de Alhambrawijk. Hij is daarnaast een gekend overlastbezorger aan de Beurs, De Brouckère en omliggende straten.  Indrukwekkend mager, stinken.  Met een brede grijns geeft hij aan dat hij ons ziet afkomen.  Zijn gebit is onvolledig, fysiek tot het uiterste gedreven door “La Came”.  Al enige jaren toxicomaan, kapot gespoten aders, plakkerige huid.

    We zijn samen goed op weg.  “We”, dat is een serie mensen.  Hij en wij van Diogenes, maar ook mensen van drughulpverlening en het OCMW.   Matheo is sinds een maand begonnen met een behandeling van methadon, we hebben een bewindvoering opgestart, een identiteitskaart is aangevraagd.  

    Ik ben al anderhalf jaar in contact met zijn papa.  Die man was moegetergd door de verslaving en bijhorende problemen van zijn zoon.  Graag zien, maar er niet meer kunnen zijn voor iemand, kunnen samenvallen.  Dat is diep-tragisch.  Ik was de communicatielijn tussen hen beiden.  Ik zag Matheo op sommige momenten quasi dagelijks, bezocht hem telkens ook in de gevangenis, zette hem onder druk om zich medisch te laten verzorgen.  Onlangs is hij terug ingetrokken bij zijn vader.  Beiden zijn ervan overtuigd dat het dit keer  gaat lukken.  Ik zie het iets somberder in, nog niet deze keer.  Ik contacteer hen regelmatig om het over van alles en nog wat te hebben, maar zeker ook om attentief te zijn voor de spanningen tussen hen. Conflicten lopen hoog op.  (lees verder onder de foto)  

    Omar

    Mag ik enkele lijnen over hebben voor Omar?  Ik ken hem niet beter dan gelijk wie de actualiteit een klein beetje volgt.  Een jongeman, was hij nu 17 of 18, gestorven op het beton rond het Noordstation.  Omar is overleden tijdens een zoektocht naar een beter leven.  Hij heeft naast zijn leeftijd nog meer gemeen met de jongens en de meisjes die ik hierboven heb beschreven.  Alle vier bevinden ze zich in de schaduw van wat we trots de verzorgingsstaat noemen. 

    Het voorstellingsvermogen dat hem een beter leven voorspiegelde, ontbreekt vaak bij de mensen met wie we in Diogenes werken.  Ze lijken zich geen andere realiteit te kunnen inbeelden, dan die ze nu beleven.  Elk initiatief van hen uit naar iets anders, lijkt dit ook te bevestigen.  Komen ze in contact met jeugdrecht, krijgen ze te horen dat er geen plek is, of, als er dan toch plek is, is het meestal op een plaats waar hun vrijheid beknot wordt.  Kloppen ze aan bij het OCMW, zijn ze ofwel te jong ofwel moeten ze komen aandraven met heel wat bewijslast en zich onderwerpen aan een contract waar de eisen veelal te hoog gegrepen zijn.  

    Het welbevinden van deze jongeren behoort ons allemaal toe

    Hulpverlening naar jongeren is vaak te sterk georiënteerd naar werken.  Begrijp me niet verkeerd.  Een job zou een mooie kers op de taart kunnen zijn voor wat deze jongeren, samen met een aanklampende begeleiding kunnen bereiken.  Maar een job zien als remedie, oplossing voor onze jongens en meisjes op de dool, dat is hun problematiek minimaliseren en het helend effect van een job zwaar overschatten. 

    Het wordt dringend tijd dat wij als maatschappij, maatschappelijke structuren, hulpverleners, samen ons luidop afvragen wat we deze mensen kunnen bieden, zodat ze de doorstart van hun prille leven kunnen maken. 

    Van alle vier de mensen die hierboven beschreven werden, en al de jonge mensen die ze in deze tekst vertegenwoordigen, behoort hun welbevinden ons allemaal toe.  Te kostbaar enkel over te laten aan hulpverlening, te fragiel om enkel te rekenen op eigen veerkracht.  

     

    VRT NWS wil een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen, publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.