Meest recent

    De comeback van de leurder uit Bevergem

    Louis van Dievel, schrijver en journalist, kijkt elke woensdag met zijn eigenzinnige blik naar mens en maatschappij. Deze week belt een onbekende aan zijn deur.

    opinie
    Louis Van Dievel
    Louis Van Dievel is schrijver en journalist. Hij schrijft elke week voor VRT NWS een stukje "uit het leven gegrepen".

    Alles komt terug. Ook de beroepen waarvan we dachten dat ze bij wijze van spreken in de vorige eeuw waren uitgestorven. Meer dan vijftig jaar geleden geleden kwam er elke maand een leurder langs op het nummer 58 van de Kerselaarstraat in Bonheiden, mijn geboortedorp. Hij droeg een merkwaardig soort valies dat hij in 1-2-3 kon omtoveren tot een aantrekkelijke mini-uitstalraam.

    Mijn moeder – die niet nee kon zeggen – kocht iedere maand garen, vingerhoeden, ritsen en knopen. Nuttige dingen die later wel van pas zouden komen. Mijn vader – die nochtans de schrik was van alle passerende godsdienstwaanzinnigen omdat hij altijd in discussie ging over de datum van het laatste oordeel– liet zich toch de Winkler Prins Encyclopedie in vierentwintig delen aansmeren. Het boekwerk zou de opvoeding van zijn negen dochters en zonen zeker ten goede komen. 

    Het duurde tot de jaren negentig voor ik opnieuw in contact kwam met het met het merkwaardige beroep van leurder. Een vriend – hij is intussen overleden – had dringend tamelijk veel geld nodig en liet zich verleiden tot een opleiding tot verkoper van Amerikaanse stofzuigers. Ja, helemaal zoals Theofiel Boemerang, die grappige nevenfiguur in de Suske en Wiske –strips, aan wie we de gevleugelde uitspraak “Kleine percentjes, rijke ventjes” danken.

    Kleine percentjes, rijke ventjes

    De stofzuigers die wijlen mijn vriend moest verkopen waren ontiegelijk duur en niet uitzonderlijk goed in wat ze moesten doen: stof zuigen. Ze produceerden een hels lawaai. En toch verkochten die stofzuigers goed. Niet als zoete broodjes, maar evengoed. Dat kwam, zo zei mijn vriend, door de doorgedreven opleiding die de verkopers kregen.

    Ze werden gedrild alsof ze in een sekte terecht waren gekomen. Op ieder mogelijk bezwaar, op elke tegenwerping werd geanticipeerd. De verkoper was een geluksbrenger. De stofzuiger zou van de klant een beter mens maken. Desnoods moest de verkoper het huis van onder tot boven poetsen. Alles voor de verkoop! De leurders (want dat waren ze per slot van rekening) hadden zelfs een soort strijdkreet, die ze met de hand op het hart aan het begin van iedere werkdag uitschreeuwden. 

    Maar wie kochten die stofzuigers dan? Dat waren – helaas – vaak kansarmen zoals arme drommels tegenwoordig worden genoemd. Mensen die zich via de telefoon een afspraak met de verkoper hadden laten aansmeren. Mensen die geen veel te dure stofzuiger nodig hadden maar wel graag eens bezoek kregen. Of die wel eens een proper huis wilden. Mensen die de stofzuiger amper konden betalen (ook al kon het in termijnen) en zich toch lieten overhalen.

    Mijn vriend heeft er hilarische maar ook intrieste verhalen over verteld, over de demonstraties die hij ten huize van ging geven. En wat hij daarbij meemaakte. La Flandre profonde. Bevergem.De nieuwe leurder komt maar zelden aan huis. Er staan wel eens Jehova’s getuigen aan mijn deur, die ik met een vriendelijk maar duidelijk “nee, bedankt” wandelen stuur. Er komt wel eens een man langs die appels per zak van twintig kilo wil verkopen. Of aardappelen. 

    De nieuwe leurder valt de mensen per telefoon lastig.

    Er belt ieder jaar een Nederlander aan die mijn dak wil ontmossen en mijn dakgoten wil reinigen. Maar daar blijft het bij. De nieuwe leurder valt de mensen per telefoon lastig. Mijn eigen telefoonleverancier (“telecomprovider”, in het jargon) placht mij twee keer per dag op te bellen want er vielen zaken te doen. “Hallo, met Bart van XXXX!”. Ik bedankte Bart steeds minder hartelijk voor zijn telefoontje en verzocht hem mij niet meer lastig te vallen. Maar ’s anderendaags ging de telefoon weer. “Hallo, met Jasmien van XXXX!”, klonk het deze keer.

    Ook een voetbaltijdschrift was zeer hardnekkig in het plegen van ongewenste telefoontjes. Een krant idem dito. Een verzekeringsmaatschappij. Een verkoper van zonnepanelen. En ze bleven maar bellen, ondanks herhaalde en uitdrukkelijke mondelinge verzoeken om dat niet meer te doen. En als je ze vroeg hoe ze aan het privénummer kwamen, werd het stil.

    Overigens heb ik te doen met de meisjes en jongens van die callcenters, die de hele dag mensen moeten lastigvallen en die niet altijd even vriendelijk zullen begroet worden. Het is een job die je niet uit roeping uitoefent, vermoed ik. Bleek dat er een eenvoudige manier bestond en bestaat om van die telefoons verlost te geraken: inschrijven op de website “Bel-me-niet-meer”. Wat ik dan ook gedaan heb, zij het tegen mijn zin.

    Want het is toch de omgekeerde wereld. Je wordt gestoord in je privacy en om daar een eind aan te maken moet je zelf officiële stappen zetten. Terwijl een simpele sticker op je brievenbus volstaat om van kilo’s ongewenste reclamefolders gespaard te blijven.