Meest recent

    Hoogspanning op de Noordzee: Nemo verbindt Belgische met Britse stroomnet

    Hoogspanningsnetbeheerder Elia is deze week begonnen met de aanleg van een onderzeese hoogspanningsverbinding naar Groot-Brittannië, de zogenaamde Nemo-interconnectie. De verbinding loopt vanuit Zeebrugge door de Noordzee naar het kustplaatsje Richborough. Het totale traject is 140 kilometer lang. Nemo zal voor het eerst in de geschiedenis het Britse stroomnet met het Belgische verbinden. 

    140 kilometer zal hij meten, de Nemo interconnector naar Groot-Brittannië. 130 kilometer op de zeebodem, en 10 kilometer op land. Eigenlijk 280 kilometer, want de Nemo-verbinding bestaat uit twee hoogspanningskabels. Broederlijk naast mekaar lopen ze vanuit Zuid-Engeland naar Zeebrugge. Zware kabels: ze wegen tot 44 kilogram per meter. 

    Een superautosnelweg waarover de Britten hun stroom rechtstreeks naar ons land kunnen uitvoeren. En omgekeerd: we kunnen er onze stroom ook mee exporteren naar Groot-Brittannië. En dat voor het eerst in de geschiedenis: dit is de allereerste directe stroomverbinding ooit tussen de Britten en de Belgen.

    Nemo wordt één van de grote superverbindingen die elektriciteit over de landsgrenzen heen transporteren, de zogenaamde interconnecties. Vanuit België vertrekken er momenteel vijf: twee naar Nederland en drie naar Frankrijk. En nu komt er met Nemo een grote broer bij. Want Nemo is behoorlijk uit de kluiten gewassen. 280 kilometer kabel dus, met twee convertorstations aan elk uiteinde die de stroom in het Belgische en Britse elektriciteitsnet zullen injecteren.

    Precisiewerk in een mijnenveld

    Vanaf deze week trekken onze hoogspanningsbeheerder Elia en hun Britse tegenhanger National Grid de kabel de zee in. Het orgelpunt van ruim vijf jaar voorbereidende werkzaamheden die begonnen met de afbraak van een oude elektriciteitscentrale op het terrein waar Nemo nu zal worden gekoppeld aan het Britse stroomnet. Maar eerst moet Nemo dus nog de zee over.

    Het traject van 130 km loopt zorgvuldig langsheen ecologisch kwetsbare plaatsen, zeevaartroutes, honderden scheepswrakken, baggerzones en explosieven. Op de bodem van de Noordzee zijn namelijk heel wat bommen en mijnen achtergebleven uit de twee Wereldoorlogen. Springtuigen van bommenwerpers en oorlogsschepen die nooit tot ontploffing zijn gebracht. Tuigen die je dus beter niet tegenkomt als je de zeebodem gaat open woelen.

    Het traject van Nemo zorgvuldig scannen was dan ook de eerste opdracht. De afgelopen maanden haalde men maar liefst 23 onontplofte explosieven naar boven. Je kan dus zeggen dat Nemo eigenlijk door een echt mijnenveld loopt. Een mijnenveld dat intussen gelukkig is geruimd, zodat sinds begin deze week de echte werkzaamheden konden starten. 

    Onderwaterrobot graaft kabel in

    Vlak bij de kustlijn wordt de kabel gewoon de zeebodem ingedrukt. In diepere wateren rollen kabelschepen Nemo langzaam af tot hij op de zeebodem rust. Daarna sturen ze er een onderwaterrobot op af, een soort duikboot met rupsbanden en graafarmen. Die spoort de kabel op de zeebodem op, zweeft er dan over heen en zet zich er mooi overheen, zonder dat zijn rupsbanden de kabel verpletteren.

    De robot tilt dan Nemo op en zuigt onder de opgeheven kabel de bodem weg. Zo vormt hij een sleuf tot maximaal drie meter diep, waarna hij de kabel voorzichtig opnieuw in de net gemaakte sleuf laat zakken. De zee doet de rest: die spoelt de sleuf opnieuw dicht waarmee Nemo veilig afgedekt in de zeebodem ligt.

    Werkzaamheden in twee fasen, wegens het gevaar

    Nemo zal in twee fasen worden aangelegd: dit najaar wordt hij vanuit Richborough 59 kilometer ver de zee in getrokken, over het Britse en Franse gedeelte van de Noordzee, tot vlak aan de Belgische territoriale wateren. Daar blijft hij een hele winter rusten op de zeebodem. Tijdens de wintermaanden is op de Noordzee werken te gevaarlijk:  het weer is gewoon te ruw en één zware storm kan het hele project torpederen.

    Pas volgend voorjaar wordt de Nemo-kabel opnieuw opgepikt om hem ruim 70 kilometer verder op het Belgische strand te trekken, niet zover van de beach- en surfclub van Zeebrugge. Tegen mei 2018 moet Nemo voor onze Belgische kust uit het water opduiken. Waarna de kabel nog 8 kilometer verder ondergronds het binnenland wordt ingeleid. Nadien volgt nog de afwerking van de verbindingen met de stroomnetten van de twee landen en een testfase.

    Op 31 januari 2019 zal Nemo dan de eerste Britse stroom naar de Belgische bodem brengen. Of omgekeerd, want de stroomrichting kan in Nemo omkeren als dat nodig is. Nemo is een kabel van de nieuwste generatie, een gelijkstroomkabel, die in tegenstelling tot de wisselstroom-kabels heel lange afstanden kan overbruggen en daarbij amper stroom verliest. Bij Nemo zou nog geen 3% van de getransporteerde stroom verloren gaan.

    De kracht van een kerncentrale met een perfecte timing

    De twee kabels hebben “maar” een doorsnede van 13,5 centimeter. Maar over die 13,5 centimeter kunnen ze wel tot 1000 megawatt transporteren. Als Nemo op volle kracht stroom naar ons land trekt, krijgen we er in één klap een volledig nieuwe elektriciteitscentrale bij. Eentje die bijna zo groot is als de grootste stroomcentrale in ons land: kernreactor Doel 4. De angst voor een grote stroomuitval of black-out wordt met Nemo een heel stuk kleiner.

    Nemo kan niet alleen een pak extra stroom leveren, maar ook nog op het gepaste moment. En dat onderscheidt Nemo van alle andere interconnectoren met onze buurlanden. Want Nemo loopt dus naar Groot-Brittannië. En de Britten die zitten in een andere tijdszone dan continentaal Europa. Concreet: als het bij ons 4 uur is, is het bij de Britten nog maar 3 uur.

    Dat uurtje maakt een groot verschil wanneer we met z’n allen op donkere, koude winteravonden van het werk naar huis keren. Iedereen in West-Europa doet dat op hetzelfde moment. Nederlanders, Duitsers, Fransen, Belgen, Luxemburgers, Denen, Spanjaarden, Italianen: allemaal knippen we op hetzelfde moment het licht aan, draaien de (elektrische) verwarming wat hoger, beginnen elektrisch te koken, of zetten we onze tv aan. Typisch vanaf 5 uur ’s avonds. Op dat moment schiet het stroomverbruik in heel West-Europa de hoogte in, wat de prijzen de pan doet uit swingen en bij een heel erg harde winteraanval zelfs stroomtekorten zou kunnen veroorzaken.

    Maar bij de Britten is het dan nog maar 4 uur: die hebben nog geen piekverbruik en kunnen dan hun stroomoverschotten via Nemo nog leveren aan ons. En wanneer zij  thuiskomen is bij ons de grote vraag naar elektriciteit al voorbij. En kunnen wij op onze beurt de Britten wat stroom verkopen als ze die nodig mochten hebben.

    Prijzen en stroomnet stabieler maken

    Omdat we toegang krijgen tot Britse elektriciteit en bij grote nood onze stroom niet langer alleen moeten gaan kopen bij onze buurlanden, die hem op dat ogenblik al even hard nodig hebben als wij, zou Nemo de dure stroomprijzen van de koude, donkere winteravonden ook kunnen drukken. 

    Bovendien zorgt Nemo voor een nog betere aansluiting van het Britse stroomnet op het Europese vastenland (nog beter, want de Britten hebben al stroomverbindingen met Frankrijk en Nederland). Daardoor zal er dus meer Britse en Ierse elektriciteit makkelijk kunnen worden uitgewisseld met Europa. Nemo zal dus helpen om de elektriciteit evenwichtiger te verdelen over West-Europa: via de interconnector kunnen de hoogspanningsnetbeheerders tekorten op het net makkelijker aanvullen en overschotten makkelijker afvoeren.

    Dat maakt het hele Europese hoogspanningsnet stabieler en zal ook de stroomprijzen dichter naar elkaar brengen. Groot-Brittannië wordt letterlijk minder een eiland met aparte stroomprijzen: het zal de Europese prijzen beter gaan volgen en mogelijk de globale stroomprijs naar beneden halen.

    Groene stroom beter verdelen

    Ook voor de zonnepanelen en de windmolens op het land en op de zee is de komst van Nemo een gouden zaak. Anders dan bij klassieke elektriciteitscentrales kan je de stroomproductie van zonnepanelen en windmolens niet sturen: ze maken alleen elektriciteit als er wind en zon is. En dat is niet noodzakelijk wanneer je ze het meeste nodig hebt.

    Soms is er gewoon veel te veel groene stroom: wanneer de wind hard waait tijdens een zonnige zomervakantie bijvoorbeeld. Om die overschotten kwijt te raken, heb je een groter stroomnet nodig. Hoe meer landen en regio’s op dat net gekoppeld zitten, hoe groter de kans dat er eentje met tekorten zit en je je groene stroom toch nog kwijt raakt.

    Zonder Nemo kan de stroom van onze offshorewindmolenparken momenteel alleen maar het binnenland in. En vandaar eventueel verder naar continentaal Europa. Maar mét Nemo kan de windenergie vanop de zee heel snel naar de Britten en de Ieren gestuurd worden. En als zij een rotslechte, grijze, regenachtige en windstille zomervakantie hebben, kunnen ze wat extra zonne- en windenergie best gebruiken. Belgische groene energie die nu via Nemo recht hun net op kan.

    Geen nadelen?

    Zijn er dan echt geen nadelen aan Nemo? Op het eerste gezicht is er maar één: de prijs. Het hele project kost zowat 660 miljoen euro. Een investering die volgens Elia niet zal aangerekend worden op onze stroomfactuur, maar zichzelf zal terugbetalen.

    Het alternatief is twee of drie nieuwe gasgestookte centrales bouwen. Kostprijs: ruim 1 miljard euro. Of een kerncentrale: dan spreken we over meerdere miljarden euro’s. En beide technologieën zijn vervuilend. Gascentrales stoten het broeikasgas C02 uit, nucleaire centrales laten sowieso hoog radioactief afval achter.

    De 660 miljoen euro lijkt dan een koopje. En mogelijk zelfs een gezonder koopje. Op voorwaarde natuurlijk dat Nemo vooral groene stroom transporteert. Want er kan (en zal) evengoed stroom van vervuilende steenkool-, gas-, of zelfs nucleaire centrales over Nemo worden gevoerd.  Met Nemo alleen komen we er dus niet in onze ombouw naar groener energiesysteem.

    Maar nodig is hij wel. Naast de miljarden voor nog meer groenestroom-centrales, slimme netwerken en nog meer interconnecties (zoals bijvoorbeeld de Alegro-lijn tussen België en Duitsland, die ook al in de steigers staat). Maar dat is een prijs die we sowieso zullen moeten betalen om tot een 100 procent duurzaam energiesysteem te komen. Een systeem dat de planeet niet langer vervuilt en dat draait op energiebronnen die we niet meer in het buitenland zullen moeten gaan kopen maar die we gewoon helemaal gratis krijgen: wind, zon, en aardwarmte.