Westerse strijders tegen IS: "Wij doen hier aan agressief humanitair werk"   

Al bijna 90% van Raqqa hebben ze bevrijd, de milities die er tegen IS strijden. Koerdische en Arabische mannen en vrouwen nemen er al maanden lang de wapens op tegen de terreurbeweging. Maar aan de frontlinie loopt het ook vol met buitenlandse jongens, gewapend met hoop en een stevige Kalasjnikov. Elk vertrokken ze met een ander verhaal en een ander verlangen. 

Geïntrigeerd door zijn witblonde kopje spreken we aan het front een Amerikaanse soldaat aan. Hij kwam een jaar geleden aan in het strijdgewoel en vecht nu bij een christelijke militie van de SDF. “We voerden al grote operaties uit in Syrië – maar de slag om Raqqa is de grootste die ik tot nu toe heb gezien.” Kane vocht jarenlang mee in het Franse en het Amerikaanse leger, zegt hij. “Ik ben een behoorlijke soldaat, maar hier hadden ze snipers nodig. Echt goed ben ik daar nog niet in: ik ontdek de dingen gaandeweg. En ik heb al een behoorlijke dosis geluk gehad.”

Video player inladen ...

Je persoonlijke overtuiging als startpunt voor een militaire missie: voor Kane werkt het. “Dit is de eerste keer in mijn leven dat ik kan kiezen waarvoor ik vecht. Het geeft een ander gevoel. Een beter gevoel. Je bent geen bezetter: je komt oprecht helpen.” Kane noemt het een soort van agressief humanitair werk. “Hier vecht ik voor wie onderdrukt wordt, ongeacht religie of nationaliteit. IS neemt ons terug naar de donkere dagen van onze geschiedenis. Die moeten we niet herbeleven.” Wat het vechten met zo’n vrije soldaat doet? “Dat vraag je me best binnen zes maanden, wanneer ik de terugslag pas echt krijg. Een jaar later komt de hardste klap. Maar ik voel de vermoeidheid nu al over mijn schouders meegluren. Ik ben doodop. Dan word je inschikkelijk en lui. Een gevaarlijk combinatie, want het leven is hier spotgoedkoop. Je verliest het in een fractie van een seconde.”

Aan de rand van de stad spreken we af met een Nederlandse jongen, zijn hoofd stevig omwikkeld met een geruite sjaal om zijn anonimiteit te beschermen. “Het was maar vier uur vliegen,” lacht Jaap*, “dus zo ver van huis ben ik nog niet.” De jongen maakt deel uit van een internationale brigade bij de Koerdische YPG. Al snel praat hij over politiek en sociologie. Zijn drijfveer is niet de oorlog zelf, maar de Koerdische strijd voor onafhankelijkheid. “De gelijkheid van man en vrouw, het respect voor etnische groepen, het democratische confederalisme: de Koerdische revolutie is in mijn ogen de hoop voor het Midden-Oosten. Het zou wel eens het einde kunnen betekenen voor de oorlogen in de regio."

Jaap legt de vergelijking met de Spaanse burgeroorlog. "Je kan ons vergelijken met de linkse antifascisten, die voor gelijkheid strijden." En IS dan? "Zij zijn de religieuze fascisten. De rechtsen. De radicalen."

Ondertussen vecht hij al vier maanden in Raqqa. Hij vertrok zonder militaire ervaring en had nog nooit een wapen aangeraakt. “Ik kwam oorspronkelijk naar hier om civiele hulp te leveren, maar van wie zich voor de Koerdische zaak inzet, wordt enkele maanden militaire dienst verwacht. Twee weken lang kreeg ik training in Rojava.” Tegenover geharde IS-strijders voelt hij zich ondanks die training nog steeds klein. “De IS’ers die hier nog zitten zijn stuk voor stuk goede vechters met ervaring en zonder vrees. Zij weten dat ze verslagen zijn, maar nemen graag zoveel mogelijk van onze jongens mee in hun graf. Dat contrast is wel groot.” 

Video player inladen ...

Voorlopig is Jaap nog verantwoordelijk voor de infrastructuur, de logistiek en het zwaar machinegeweer van het bataljon. Lopen ze in een hinderlaag, dan moet hij zo snel mogelijk terugvuren met een BKC-machinegeweer. “We vallen vooral ’s nachts aan,” legt hij uit. “Soms nemen we IS-posten in, soms stelen we hun spullen en sluipen we weer weg.” 

Het leven is hier spotgoedkoop. Je verliest het in een fractie van een seconde.

Een beetje verder, in de verscheurde straten van Raqqa, stuiten we op een patrouille van gewapende jezidimeisjes. De jongste is nog een tiener, de oudste amper 33 jaar. Ook voor hen kent de gruwel geen geheimen. De Duitse Ezda wijst nonchalant naar wat mensenresten op de straat. “Dat was een IS-terrorist,” verklaart ze nuchter. “Hij heeft zichzelf opgeblazen. Nu zie je enkel nog een stuk bot.” Het frêle ogende meisje is hier naar eigen zeggen voor slechts één doel: gevangengenomen jezidivrouwen bevrijden.  

De groep neemt ons mee naar hun hoofdkwartier in een van de rustigere wijken achter de linies. Kalasjnikovs kuisen is er een dagelijkse routine, maar voor de rest simuleren ze er hun oude leven in Sinjar – deze keer in camouflagekledij. Maar 'thuis' ligt voor Ezda duizenden kilometers verder weg. Ze is jezidi van afkomst, maar leefde haar hele leven lang in Duitsland. Zonder dat iemand het wist, vertrok ze abrupt op amper 19-jarige leeftijd. “Al twee jaar lang heb ik niets van mijn familie gehoord,” vertelt Ezda.  Zelf nam ze al die tijd geen contact met hen op. “Ik wist dat als ik vandaag iets van mij laat horen, ik dat morgen opnieuw moet doen - en overmorgen weer. Want dan zijn ze voortdurend bezorgd. Dus zei ik tegen mezelf: laat ze eerst eens met rust. Dat leek me beter.”  

 

Video player inladen ...

Waar Kane vooral naar rust snakt en een lange vakantie plant, hoopt Jaap zich verder in te zetten voor de Koerdische onafhankelijkheid. Na de bevrijding van Raqqa gaat Jaap terug naar Rojava om er in de bouw of in de media te werken. “Ik wil hier voor de mensenrechten vechten, voor het feminisme, de democratie en voor de gelijkheid.”  Voor Ezda betekent het einde van de slag om Raqqa dan weer iets helemaal anders: een hereniging met haar ouders - en misschien ook een terugkomst naar Europa.

 

(*) Om privacyredenen is Jaap een gefingeerde naam. Zijn
echte naam en afkomst is bekend bij de redactie.