Het creatieve lab van... Reinhilde Decleir: "Theater kan  therapeutisch werken"

Het creatieve lab verhuist vandeweek naar de Lange Gasthuisstraat in Antwerpen. In een statig herenhuis daar zit Tutti Fratelli, het theatergezelschap van Reinhilde Decleir. Onsterfelijk geworden moemoe Vangenechten in "Van vlees en Bloed", of recenter oma van Kato in "Beau Séjour". Achter die TV-beroemdheid zit een rijke  theatercarrière die begon met de Internationale Nieuwe Scène, het dieprode strijdtheater uit de jaren zeventig van vorige eeuw, waarin toen ook haar broer Jan meevocht. Het is dezelfde geest die nog altijd door Tutti Fratelli waait, waar Reinhilde Decleir al tien jaar kansarmen kansen geeft, op de planken. Ik neem je mee op een creatieve dag van Reinhilde Decleir.

Doorsnee sta ik om negen uur op. En afhankelijk waar ik moet zijn, rap een taske thee drinken, en gaan waar ik moet zijn. Anders een beetje ontbijten, naar het nieuws luisteren. Ja, zo begint de dag. Fratelli ligt me wel heel na aan het hart. Soms sta ik op en zit ik in de badkamer halfnaakt al telefoons te doen, als er iets dringends aan de hand is. Er komen in de ochtend veel dingen op die moeten gebeuren, in het regisseren van de mensen, of met de muziek. Dus heb ik met de muzikale leiders te doen, met de stemcoach, de costumière, dat soort dingen allemaal. Dat komt ineens binnen. Je bent aan iets aan het werken, gelijk een schrijver. Die kleine dingen die ik schrijf, dat sluimert dan een hele tijd. En ineens denk je: dit moet ik nu echt opschrijven.

Komen die dingen op als je alleen bent, of als je met mensen bezig bent?

Dat gebeurt ook, als ik repeteer. Ik ben een doener, ik moet het repeteren, ik moet het zien. Dan gebeurt er van alles ook in mijn verbeelding. Maar dikwijls is het als ik alleen ben, als het rustig is, als alles efkes voorbij is, als ge kunt ontspannen. Ik kan dat in de vakantie ook hebben, ik moet weg zijn om echt te rusten. Want anders kom ik altijd naar hier of zo. Als ik compleet iets anders aan het doen ben, aan het wandelen, of naar een museum, ineens komt er iets op. Dan schrijf ik dat meestal op. 

Is er een moment in de dag dat je je creatiever voelt dan andere?

Ik hou veel van de vooravond. Een vooravond, dat is een rustpunt. Dat geeft ook creativiteit of zoiets. Ik kan dat niet uitleggen. 

Het licht dat verandert?

Ja, ’t is dat hé. Dat is mooi he, als je op vakantie bent, buiten. Ik denk dat je rust nodig hebt om creatief te zijn. Ik denk dat het daarmee is dat het ook ’s nachts gebeurt. Ik ben dikwijls jaloers op schilders: zich kunnen terugtrekken, alleen zijn, en creëren, en het niet goed vinden, en het wegsmijten, en terug beginnen. Ik ga hier soms zitten overdag, alleen (we zitten in de repetitieruimte van Tutti Fratelli, JH). Als ik moet nadenken, als ik geen praktisch werk moet doen, dan kom ik hier zitten. Wij hebben hier een bar. Na een repetitie kan ik niet direct naar huis. Soms gaan we nog wel iets drinken. Maar hier kan ik op mijnen alleen zitten, echt een uurke zitten, dat doet me deugd. Dan evalueer ik waarschijnlijk, die repetitie, en dan die voorbereiding, zou ik daar nog iets moeten doen? 

Sommigen gaan verder, en gaan mediteren, gaan zich helemaal afsluiten van de wereld.

Ik kan mij wel eens afsluiten, ik ga niet mediteren, ik ga niet yoga-model zitten. Maar het is ook een vorm van mediteren. Ge kunt in een klooster gaan ook hé.

Nooit gedaan?

Nee, maar dat is ook om je te disciplineren. Als ik hard moet werken, en ik ga beter niet iets drinken ’s avonds na de repetitie, dat kan ik allemaal laten. Er zijn misschien mensen die dat niet kunnen laten. Nee het klooster heb ik nooit gedaan, ik weet niet of ik dat zou kunnen. Ik wil dat ook niet. 

Je sprak van discipline. Je werkt met mensen die wonden hebben in hun leven. Van hen eis je ware discipline. 

Absoluut, dat is het eerste woord dat ze hier horen na de omhelzing. Ik heb gisteren weer met een boel mensen gesproken die willen meedoen, en dat probeer ik uit te leggen. Het eerste woord is discipline: op tijd zijn, en tussen zeven en negen, of zeven en tien, dan wordt er gewerkt. Dat dient alleen daarvoor. Het is niet dat we geen grappen maken, maar dat moet gedisciplineerd. En ik denk dat dat goed is voor mensen met wonden. Maar wie heeft er nu eigenlijk geen wonden? Daar zou ik een hele dag kunnen over praten, dat daar ook iets aan te doen is, dat ge soms uit dingen kunt uit geraken. Dat vind ik één van de belangrijke dingen, en daarom blijf ik dit doen. Het is niet zo gestart. Ik ben een theatermens, en door een toeval is dat met deze mensen. Ge kunt tegenslag hebben, en zus en zo, en gedronken, en ik weet niet wat. Maar ge kunt daar uit geraken, maar ge hebt daar discipline voor nodig. Ik geloof daarin, dat die mensen, ook in hun armoedesituatie, een tikkeltje meer kansen hebben dan ze grijpen. Ik zal ze wel kansarmen blijven noemen, toch zij die dat willen. 

Heb je er moeite mee dat je soms moeder Teresa genoemd wordt?

Absoluut, maar ze doen dat al niet veel meer. Ik wil niet dat er over missie gepraat wordt, ik vind dat vervelende woorden. Dit is mijn leven, ik leef met deze mensen. Als ik gewoon sociaal werkster zou zijn, dat zou ik niet kunnen, ik zou dat niet volhouden, ik moet dat theater erbij hebben. Dat kan therapeutisch werken. Ik doe het niet daarom, maar ge zijt met iets bezig, met inhoud, met een vertelling, en met verhoudingen tussen mensen, en dan nog eens met verhoudingen tussen mensen die dat spelen. Ge zijt heel de tijd bezig over het leven, en hoe dat in mekaar zit, en met bepaalde situaties. Binnen dat gegeven denk ik wel dat ik al eens mensen help. Maar ik ben geen moeder Teresa of pater Damiaan of zo. (lacht)

Hoe neem je moeilijke beslissingen?

Da’s een moeilijke vraag hé. Ik weet niet goed wat ik daarop moet antwoorden.

Stel, je moet een nieuwe richting uit met Tutti Fratelli, of je moet beslissen over samenwerking of een groot TV-project al of niet aannemen…

Lang nadenken. Bij Fratelli heb ik soms wel iemand, Ilse, waar ik voor praktische dingen mee kan spreken. Artistiek doe ik dat ook wel, maar met andere mensen. Als ik er echt niet uitkom, dan probeer ik wel mijn broer eens te bereiken. Al is ’t maar om eens te kunnen uitlullen, want een beslissing moet je toch altijd zelf nemen.

Het hoeft niet over toneel te gaan om bij je broer te rade te gaan?

Nee, voor andere dingen ook. Dat is raar, maar dat ga ik sneller doen dan bij mijn zussen. Maar ja, wij zitten van leeftijd ook dicht bij elkaar, wij doen ook hetzelfde werk. Ik denk dat dat daarmee te maken heeft ook. 

Stel dat je iets aan jezelf kan veranderen, wat zou dat zijn?

Ik had eigenlijk veel vroeger kunnen ontdekken bij mezelf dat ik wel talenten heb, als ik dat woord kan gebruiken, zo een beetje een dubbel woord.

In de jaren tachtig sneller naar TV gestapt?

Dat is nog iets anders. Ik hou niet zo van het woord carrière, ik ben niet iemand die gaat zoeken, dat heb ik op mij laten afkomen, en dat gebeurde. Dat zou prettiger geweest zijn, ik wist dat ik daar talent voor had. Maar ook talent om te regisseren. Om zelf dingen in handen te nemen. Daar had ik vroeger kunnen aan beginnen.

Heb je daar veel spijt van?

Nee, want ik heb goed gewerkt. Doordat andere mensen dat beginnen te zeggen begint ge dat te denken. Wat is dat nu? Ge zijt bekend omdat ge op de televisie geweest bent. En ik heb zoveel werk gedaan vroeger. En mooie dingen, wat een boel collega’s niet weten. Ik heb een tijd bij een gast gespeeld, Jochem, hij is ondertussen ook al overleden. Hij had een fabriekske in de buurt van Eindhoven, en hij begon daar theater te maken. We speelden Tsjechov. Hij wou niet dat Amsterdam daar naartoe kwam, en die pers en zo. Dat was heel regionaal, maar dat was zo mooi wat wij daar deden. Ik vond dat zo aangenaam, die Tsjechov ontdekken, dat is een voorbeeldje. 

Ik heb ook tegenslagen gehad, ik heb zwarte sneeuw gezien na de Internationale Nieuwe Scène. Zonder werk zitten en er niet door geraken, met een klein kind, wat toch wel wat verandert in uw leven, in het soort werk dat wij doen. Dat zijn behoorlijk onregelmatige uren. Dat heb ik ook meegemaakt, maar ik heb geen spijt, nee. Er zijn ook veel ongelukkige dingen gebeurd. Een van mijn broers, Dirk, is veel te jong gestorven. Door wat er met Stefaan gebeurt (collega-acteur Stefaan Degand, die zijn vrouw en zijn ongeboren kind verloor, JH) denk ik daar allemaal aan terug. Dat is zo triestig, zo ingrijpend in uw leven. “Ge leert daar mee leven, al die verhalen, ge leert daar veel van”, ik vind dat een beetje flauwe kul. Dat is gewoon niet aangenaam. Ik zou nu de telefoon willen pakken en naar Dirk bellen. Wat ik trouwens soms doe.

Je belt naar je overleden broer?

Allez, bellen niet. Ik babbel er soms wel ineens mee. We hebben wat problemen gehad met de Driestuiversopera. Niet artistiek, we waren goed bezig. Maar dan babbel ik wel zo, met de doden heb ik dat altijd gehad. In onze jeugdjaren, rond Dirk, was dat het ene sterfgeval na het andere, allemaal jonge mensen. Dat is behoorlijk heavy.  Ge voelt dat fysiek, terwijl ik het zeg ook. 

En heb je uit dat rijke leven tot nu toe een levensmotto gepuurd?

Men kent het al denk ik, omdat ik het wel meer gebruik als ze zo iets vragen. Dat komt altijd terug. Ik ken het door Dirk, mijn overleden broer, omdat hij het gebruikte in een programma dat hij regisseerde. Ik vergeet het nooit: Als ik niet aan mezelf denk, wie zal er dan aan mij denken? Als ik alleen maar aan mezelf denk, waarom besta ik dan? Ik vind dat een onwaarschijnlijk heldere gedachte, die u kan helpen.