©Patrick ALLARD/REA

Jongeren in nood: vroeger ingrijpen om erger te voorkomen

Vorig jaar zijn bijna 10.000 kinderen en jongeren aangemeld bij een crisismeldpunt in Vlaanderen. Dat blijkt uit cijfers van het Agentschap Jongerenwelzijn. Het gaat om hoofdzakelijk minderjarigen die worstelen met een crisissituatie, waarin ze dringend hulp nodig hebben. En die hulp is niet altijd meteen voorhanden, want in meer dan 700 gevallen was binnen de crisishulp geen begeleiding of opvang beschikbaar.

Het aantal kinderen en jongeren, ook met psychische problemen, dat wordt aangemeld bij een crisismeldpunt, stijgt. Vorig jaar waren het er 9.868, of 28 procent méér dan in 2015. Voor een stuk komt dat omdat de meldpunten bekender zijn geworden, zowel bij professionele hulpverleners als bij de gezinnen zelf. Maar de stijging is ook een signaal dat meer en meer kinderen leven in ontwrichte en complexe gezinssituaties; én dat ze te lang moeten wachten op begeleiding en opvang in de gewone jeugdhulp.

In 767 gevallen was er vorig jaar geen begeleiding of opvang in de crisishulp voorhanden: kwetsbare jongeren dus in crisissituaties voor wie er niet meteen een oplossing is. Maar ook dat cijfer moet genuanceerd, zegt het Agentschap Jongerenwelzijn. Het crisismeldpunt gaat in dat geval wel een uitgebreid gesprek aan met het gezin in kwestie, en zoekt intussen naar tijdelijke oplossingen. En een gezin dat zich enkele dagen later opnieuw aanmeldt en geen oplossing krijgt, wordt in de cijfers ook twee keer geteld.

Mobiele crisisteams

Het komt geregeld in de media, zoals ook vandaag: jongeren, vooral meisjes, die in een psychiatrische instelling voor volwassenen terechtkomen, omdat ze een gevaar vormen voor zichzelf of hun omgeving, en omdat er voor  hen geen bed vrij is in de kinderpsychiatrie.

De oppositiepartijen SP.A en Groen verwijten federaal minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open VLD) dat ze nu net flink gaat besparen op de kinderpsychiatrie.  Al wil De Block het zelf geen besparing noemen: ze heeft het over 'een interne verschuiving binnen het algemene ziekenhuisbudget' om de beschikbare centen beter te besteden.

Hoe dan ook heeft De Block sinds haar aantreden vooral ingezet op mobiele crisisteams. Die moeten ingrijpen als een kind of jongere met psychische problemen in een crisis zit en dringend hulp nodig heeft.  De mobiele crisisteams proberen het kind of de jongere in de eerste plaats verder te helpen in de thuisomgeving, in de hoop dat op die manier ook minder opnames nodig zijn in de kinderpsychiatrie.

Laagdrempelige eerstelijnshulp

Extra investeren in relatief dure bedden in de kinderpsychiatrie, zeggen enkele experts, is sowieso geen duurzame oplossing. Integendeel, we moeten in Vlaanderen vooral inzetten op de uitbouw van snelle, laagdrempelige hulp, waar jongeren met problemen in de eerste lijn terechtkunnen.

De hoop is dat gespecialiseerde zorg minder nodig zal zijn, als jongeren sneller worden geholpen vóór de problemen escaleren. Ervaringen met volwassenen suggereren dat 40 procent van de cliënten niet hoeft door te stromen naar de gespecialiseerde zorg, als ze vroegtijdig worden geholpen.

In dat plaatje past het voornemen van Vlaams minister van Welzijn Vandeurzen om psychische problemen bij jongeren vroegtijdig op te sporen en te behandelen, met ook korte trajecten bij toegankelijke eerstelijnspsychologen. Die aanpak moet hand in hand gaan met preventieve campagnes om jongeren meer veerkracht te geven, zoals de NokNok-campagne voor jongeren tussen 12 en 16 jaar. Allemaal initiatieven om later erger te voorkomen.

Versnipperde bevoegdheden

Wat niet altijd helpt in een gestroomlijnde aanpak voor jongeren met psychische problemen, zijn de versnipperde bevoegdheden.  Zo is Vlaanderen bijvoorbeeld bevoegd voor de uitbouw van de eerstelijnshulp, maar is de terugbetaling bij de psycholoog, waar minister De Block nu een begin mee wil maken, een federale materie.

De bevoegde ministers hebben wel afgesproken om meer samen te werken.  Bedoeling is dat hulpverleners uit diverse diensten en disciplines zich inpassen in netwerken om gepaste zorg te kunnen bieden. Maar ze blijven niettemin overbevraagd, want de noden zijn groot, en in verhouding blijven de budgetten beperkt.