Dieven! Inbrekers! Het zijn Roemenen of Bulgaren!

Louis van Dievel, schrijver en journalist, kijkt elke week met zijn eigenzinnige blik naar mens en maatschappij. Deze week was er opvallend veel blauw licht in zijn straat.

opinie
Louis van Dievel
Louis van Dievel is schrijver en journalist. Hij was journalist bij VRT NWS.

Ik weet ook wel dat ik in een dorp woon en dat het niet de wereldproblemen zijn die op straat, aan de haag, aan de glasbol of bij de kapper over de tong gaan. Dat is allemaal veel te ver van ons bed. Behalve als het over "de vreemdelingen" (ook wel de vreemden genoemd) gaat, want die zijn inmiddels in ieder Vlaams dorp zichtbaar.

Veel vaker wordt er gepraat over de almaar langere wachttijd aan de slagboom van de spoorweg. Of over de vrouw die dronken over de straat liep, met een nat gepiste broek. En die daarna op een bank in slaap was gevallen, aan de poort van de kleuterschool nota bene! Maar hét gespreksonderwerp vanmorgen was de jacht op inbrekers van de avond voordien. 

Ik had rond etenstijd een paar keer blauwe zwaailichten zien passeren maar er geen acht op geslagen. Toen ik tussen licht en donker nog gauw naar de brievenbus van De Post wilde lopen, zag ik nog net een politieauto de hoek omdraaien. En even later, wat verderop, nog eens. Wat zou er gebeurd zijn? begon ik mij af te vragen. Er stonden nog mensen op straat, wat zelden gebeurt, eenmaal de herfst haar opwachting heeft gemaakt.

"Inbrekers!" riep Willem mij al vanop twintig meter toe.

Dat er jacht werd gemaakt op dieven. Veel geluk met de dievenjacht, bedacht ik, want in de heide die achter de huizen begint kan elke dief met wat geduld zichzelf onzichtbaar en onvindbaar maken. "Waar gaan we naartoe?!" zei Maria die nooit veel zegt maar mij altijd vriendelijke toeknikt van achter haar kanten gordijntjes.

 "Waar gaan we naartoe?!" zei Maria 

Een huizenblok verder weerklonk een sirene. 'Luister!' zei Willem, wat we allemaal ingespannen deden. Er was nog een buurman bij komen staan, die ik iedere na-lente prijs om de kunstzinnige manier waarop hij zijn ligusterhaag scheert. "Zouden ze gepakt zijn?" vroeg Maria zich hoopvol af.

Er gebeurde niets meer. Het werd koud en we gingen na een avondgroet  elk ons weegs.

Ik moest terugdenken aan een zondagochtend, lang geleden, toen ik in een ander huis in hetzelfde dorp woonde. De politie kwam aankloppen (want de bel deed het niet). Wat er bij ons gestolen was, wilden de agenten weten. Wij keken elkaar verbaasd aan. En vervolgens eens in het rond. Iets gestolen? Niet dat wij wisten. Bleek dat er in de hele straat was ingebroken, behalve bij ons. De politie vond dat verdacht. Een week later stonden er mensen die ik maar vaag kende aan de deur met de vraag of ik mij  - gezien de inbrekersplaag - wilde aansluiten bij het BIN, het buurtinformatienetwerk. Dat was iets nieuws toen. Ik bedankte ervoor. Wat overigens niet in goede aarde viel. Maar ik had geen zin om hulpsheriff te spelen.

's Ochtends op de stoep voor de krantenwinkel vernam ik dat het Roemenen waren geweest. De dieven dus. Bulgaren, dacht iemand anders. Het was al eender. Dat er een was gepakt en dat er een was ontsnapt. Dat ze dààr hadden binnengebroken en dat ze het dààr hadden geprobeerd, maar toen kwam de eigenaar juist thuis en waren ze gaan lopen.

's Ochtends op de stoep voor de krantenwinkel vernam ik dat het Roemenen waren geweest. De dieven dus.

"Wat was dat allemaal, gisteravond?" sprak Angeline mij aan bij de overweg. Angeline is weduwe en woont wat verderop in de straat. Ze had de avond voordien niets gezien of gehoord en daar had ze nu duidelijk spijt van. Ik kon haar helaas geen details verschaffen. Wat ik wist had ik ook maar van horen zeggen. Ja, ik had zwaailichten gezien, en politiewagens.

Angeline knikte betekenisvol. "Een mens is niet meer gerust," zei ze. Nu komt er iets over de vreemdelingen, dacht ik. Of over de doodstraf. Maar Angeline stak in tegendeel een klaagzang af over haar zoon die anderhalf jaar eerder ongevraagd bij haar was ingetrokken na zijn scheiding en die nog altijd geen aanstalten maakte om een eigen woonst te zoeken. "Hij is verdorie al vijftig, Louis!" Maar ze kon hem toch niet zomaar buitenzetten, nee toch? Ik zei dat ik met haar inzat.

Op honderd meter van mijn huis stopte een auto. Het raampje ging naar beneden en het hoofd van Tilly werd zichtbaar. Ik ken Tilly en haar koters en haar ex al twintig jaar, à peu près. Ik had haar al  een poosje niet meer gezien, hoewel ze achter de hoek woont. Ik ben vaak uithuizig, daarmee. Hoe het ging enzo.

Maar Tilly had niet veel tijd. Ze moest dringend naar het ziekenhuis. Want de avond voordien waren ze haar oudste dochter met de ambulance komen halen. Het arme kind kon niet meer bewegen. Een acute hernia, zoiets. Pijn dat ze had. Er was niet alleen een ziekenwagen aan te pas gekomen, maar ook een brandweerwagen, want de ambulanciers waren niet zeker of ze de patiënte wel veilig en comfortabel langs de trap naar beneden konden brengen. 

 Een acute hernia, zoiets. Pijn dat ze had.

En ook de politie was erbij gekomen, met twee combi's, om te helpen of te escorteren. De hele straat vol zwaailichten, wel een half uur lang. Ik moest onwillekeurig lachen. "Het is wel niet om te lachen," sprak Tilly mij wat verwijtend toe. Daar had ze gelijk in. Maar ik kreeg niet de tijd om haar uit te leggen wat er dan wel op mijn lachspieren had gewerkt.

Ik zag Angeline aankomen op haar fiets, met een boodschappentas aan de stuurstang. Zou ik haar vertellen wat er echt was gebeurd? Ik besloot het maar zo te laten. "Gisteren was het beter weer!" zei ze in het passeren. Dat was dan weer helemaal waar.

--

VRT Nieuws wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.