Meest recent

    40 jaar geleden: Jotie T'Hooft overleden

    In 1976 verscheen “Junkieverdriet” van de 20-jarige Jotie T’Hooft. Op de achterflap van het sobere bij Manteau Antwerpen uitgegeven boekje stond: “dit is de tweede bundel van een jong en merkwaardig dichter, die er plotseling was, eigenzinning, onmodisch, verrassend, aangrijpend, gedreven; - afgetekend”. Voor een keer kwam een flaptekst van een boek perfect overeen met de inhoud. Jotie T’Hooft won er de Reina Prinsen Geerligsprijs mee. 40 jaar later ligt de bundel opnieuw in de boekhandel. Is die nog leesbaar?  

    Jotie T’Hooft was verbijsterend jong toen in 1975  “Schreeuwlandschap” verscheen bij Manteau. Maar zijn naam en faam deden al een tijdje de ronde. De allereerste gedichten van Jotie stonden in het Gentse tijdschrift Restant. De intussen officieel gepensioneerde VRT-journalist Lukas De Vos, die wel sporadisch nog het nachtnieuws en het persoverzicht op Klara verzorgt, was medehoofdredacteur van Restant, een bescheiden ogend maar ambitieus blad dat de allernieuwste poëzie uit die tijd wilde opstuwen in de vaart der volkeren. Lukas De Vos was de eerste hoofdredacteur die T’Hooft een kans gaf. Als dusdanig was hij van het grootste belang in de doorbraak van de piepjonge dichter.

    Een meisje

    Jotie T’Hooft, geboren in 1956, was net iets jonger dan Lukas De Vos en ikzelf. Hij was de eerste dichter van betekenis die krek tot onze generatie behoorde, in de nadagen van het hippiewezen. Ik leerde hem kennen dankzij Stan Milbou, de slechtziende voordrachtkunstenaar die midden jaren 70 op BRT1 na het middagradionieuws en Actueel, ingeleid door een schitterende sax-riff, een gedicht voorlas. De combinatie van de plechtige voordracht door Milbou en de aangriijpende gedichten van Jotie T'Hooft werkte. 

    De persoon achter die opzienbarende gedichten was nog onbekend. Net als Lukas De Vos dacht ik dat het om een meisje ging. Een ietwat brutaal en vroegwijs meisje. Dat kwam door die naam, “Jotie”. Maar ook omdat de gedichten vrouwelijk, androgyn klonken, en de erotiek van het vrij zachtaardige type was.  Onder meer de eerste strofe uit “Darwin zegt”: “Dieren zijn de mens het meest nabij, ze besluipen ons slechts zelden en als ze het doen beëindigt hun gekromde sprong ons tijdig”. Uit “Lenny Bruce stelt vast”: “Alweer: wie weet werkelijk hoe glad de penisnaald glijdt in de vagina van de aderen die hij volspuit met peper-dure zaadcellen…” En ten slotte uit “Een oud verhaal”: “Luister liever liefje met mijn stem haal ik je onderlichaam leeg verleg ieder aksent verlies elk woord mijn lijf en leden.”

    Eerste en laatste gedichten

    Het ging razend vlug. “Schreeuwlandschap “ in 1975, “Junkieverdriet” met de doodsfoto van zijn opgebaarde grootvader op de cover een jaar later, en enkele dagen na zijn dood in 1977 “De laatste gedichten”, een week nadat Jotie ze had geschreven. In 1978 volgde nog “Poezebeest”. Met zijn angelieke breekbare schoonheid en zijn ontijdige dood werd Jotie T’Hooft een cultfiguur, een romantisch idool, de profeet van de drugcultuur, een gevaarlijke leidsman voor hypergevoelige jonge zielen.

    In de veertig jaar na zijn dood verschenen ook prozateksten die nooit het niveau of de betekenis van de poëzie bereikten, brieven, dagboekfragmenten, verzamelbundels en biografieën.  Alsof de uitgeverij de eeuwig veelbelovende dichter nooit wilde verliezen. De term “uitmelken” viel wel eens. Een paar keer raakte Jotie bijna in de vergetelheid, zeker in de vroege jaren 80, toen punk en new wave nog regeerden. Niet elke nieuwe generatie vond poëzie zwanger van doodsverlangen, religieuze bevlogenheid en narcotische hallucinaties interessant.  

    Bruges la Mort

    Op woensdag 5 oktober vertrok Jotie T’Hooft uit zijn woning in Sint-Agatha-Berchem. Dat huis was binnenin helemaal zwart geschilderd. “Dag kleine meid! Veel geluk!” stond er op de muur gekrast. 's Avonds laat in Brugge, in een groezelige eenzame kamer, nam hij een te zware cocktail van cocaïne en andere preparaten. Tegen de ochtend van 6 oktober werd hij in allerijl naar het Sint-Lucasziekenhuis gebracht, te laat.

    Het nieuws van zijn overlijden veroorzaakte grote deining in literaire en jeugdige kringen. Onze meest veelbelovende dichter ooit was niet meer. Allerlei figuren beweerden opeens dat ze heel goed bevriend waren met Jotie. Wel vreemd dat die zelfverklaarde vrienden het drama niet hadden zien aankomen. Ook de politie van Brugge was gealarmeerd. Er volgden forse razzia’s in het drugsmilieu. Het pand waarin de kroeg “De Goezeput’’ was gevestigd mocht tot het einde der tijden nooit meer een café zijn. 

    Oudenaarde en daarna

    Johan Geeraard Adriaan T’Hooft zag het levenslicht in Oudenaarde in een keurig middenklasse gezin. Zijn vader was bibliothecaris. Jotie bleef enig kind. 

    Ik, afkomstig van uw zaad, werd de verminker van uw leven

    Tijdens zijn puberteit was hij al een lokale bekendheid en berucht hartenbreker in de plaatselijke jeugdclub en jongerencafés. Op 1 december 1974 won Johan T’Hooft een elpee bij Humo, omdat hij het weekblad “Het boek der liefde” had opgestuurd, een huwelijkscatechismus uit de jaren 50, wellicht van zijn katholieke ouders. Een citaat: “Vrouwen die zich met politiek bemoeien, zijn zoo belachelijk als mannen die kousen breien.”

    Jotie wilde zo ver mogelijk weg van dit milieu. Rock, literatuur en drugs waren de alternatieven. Hij vloog buiten in verschillende scholen. Op zijn veertiende was hij verslaafd. Als 17-jarige ging hij in Gent wonen om te studeren aan de academie. In 1973 was er een eerste zelfmoordpoging. Na een kort verblijf in de opvoedingsinstellingen in Ruiselede en Beernem trouwde hij in 1975 met Ingrid Weverbergh. Haar vader, Julien, gaf hem een baantje bij Manteau en publiceerde “Schreeuwlandschap”. 

    Een droeve eenhoorn

    De poëzie van T’Hooft gaat over een zelfvernietigend verlangen naar zuiverheid, het verloren paradijs, zwarte romantiek, naar God en de lijdende Christus, en naar zijn onschuldige kindertijd. 

    Jotie beschreef in niet mis te verstane woorden zijn zelfmoordpogingen, en zijn destructieve verslaving.  Dat had zijn brave moeder al door. 

    “Hij zag in alles de dood”. 

    "Junkieverdriet, bass-toon van deze tijd"

    De tweede bundel van Jotie, deze week door De Bezige Bij opnieuw uitgebracht in een fraaie editie met een nieuwe cover, geen foto van grootvader Gerard T’Hooft op zijn doodsbed dus, is zijn beste.  De bundel is nog perfect leesbaar, ook door de gevarieerde poëtische stijlmiddelen en stijlfiguren, op zowat tien onverklaarbaar zwakke gedichten met geforceerd rijm na, en met zelfs ergens een lelijke taalfout. 

    “Of er een vrucht is van dat alles vraag ik mij niet langer af, maar ik probeer u te benaderen, nog even, voor het graf.”

    Meer dan zijn debuut gaat deze bundel over zijn geboorte, ouders, opa, het tomeloze verdriet dat hij die mensen aandeed, zijn spijt daarom, de dood die hij erg snel verwacht. Daar tussenin is er niets. Universele en nog altijd ontroerende thema’s.

    “Zal, doorheen dodenmist en as, in de lege kamers iets nog mij herinneren aan wat was?”

    Hommage

    In De Kroon in Sint-Agatha-Berchem, niet ver van de woning waar Jotie 40 jaar geleden leefde, organiseert Behoud de Begeerte een hommage-avond op 20 oktober.  Met onder meer Charlotte Van den Broeck, Yannick Dangre, Maarten Inghels, Delphine Lecompte, Roderik Six, Wim Willaert, Mauro Pawlowski, Vitalski en anderen. Op 27 oktober brengen Derek en Renaud in de Minard in Gent een programma over T’Hooft en Rimbaud.  

    Lok hem langs de stapsteen sterven, niet als anderen domweg gedoofd, maar rein, vrij van bederven langs de kruisweg waar hij in gelooft.