Meest recent

    Open brief na "Pano": "Dag Jean, dag Mariette, dag Maria, dag Louisa, dag Ivonne, dag allemaal"

    Voor haar "Pano"-reportage over de leefomstandigheden in commerciële woonzorgcentra, bracht reporter Lina Nasser uren en dagen door met de bewoners van die centra. Vandaag schrijft ze hen een open brief.  

    De afgelopen maanden leerden jullie me kennen als vrijwilliger. Ik zocht jullie enkele weken na elkaar op in één van de woonzorgcentra waar jullie jullie laatste dagen doorbrengen. Dat die hulp meer dan geapprecieerd werd, heb ik meermaals mogen horen. "Ah, een goeie kracht zijt gij. Gij hebt ten minste tijd voor ons." Telkens weer vatte dat samen wat ik zag en wat ik aan jullie voelde en merkte. Er zijn te weinig handen om jullie van goede zorgen te voorzien.
     
    Elke dag opnieuw draait het om de kunst van de zorg. De manier waarop sommige zorgverleners zich elke dag opnieuw met de glimlach in het zweet werken, is inspirerend, maar tegelijk ook frustrerend. Want tijd om te klagen, is er letterlijk niet. Tegen wie moeten ze het nog zeggen? De overheid wéét dat er te weinig personeel is. De directie weet dat ook. De bewoners weten het. De familieleden ook. Iedereen weet het. Maar niemand doet er iets aan. Althans niet in de commerciële woonzorgcentra.  
     
    Veel kon ik niet doen. Helpen bij de maaltijden, een babbeltje op de kamer of nog beter, een wandeling tijdens die eerste lentedagen. Maar ik merkte meteen: het deed elk van jullie zo'n deugd. Wat voor mij zo'n evidentie is, namelijk elke dag een frisse neus halen, is voor jullie een zeldzaamheid geworden. Ik zou het me niet kunnen voorstellen om zo gevangen te zijn. En toch, Werner, liet je me zien dat het wel zo is. Werner, jaar en dag arts geweest, zit nu gevangen op z'n kamer in het woonzorgcentrum.  
     
    Nooit zal ik de woorden van Joanna vergeten, telkens ze me zag, zei ze dat er wel nog goeie mensen in de wereld zijn. Diezelfde Joanna die elke conversatie start met de zin; "Ik hoop dat ik snel mijn kopje mag neerleggen." Het is genoeg geweest voor haar in dit leven en dat kan ik maar al te goed begrijpen wanneer je slecht te been bent, doof, slechtziend en er een godganse dag niks te doen is buiten eten en slapen.  

    Of ons Louise. Ik was zo blij toen je zei; “Awel, ‘t is den eerste keer dat het mij eens een beetje smaakt.” Ik schrok me een ongeluk. Ik herinner me nog de eerste keer dat ik je een portie gemalen vlees en groenten mocht voorschotelen. Je begon te wenen, dronk eens van je rode wijn en je vroeg of ik ook met zoiets content zou zijn. Ik kon je geen ongelijk geven. Zelf vond ik ook dat het eten niet om aan te zien was, laat staan dat ik kon identificeren welk vlees en welke groenten ik je serveerde. Maar ik kon je ook niet helpen.  

    Het spijt me dat ik de afgelopen weken niet meer op bezoek ben gekomen. Dat ik jullie niet meer kon helpen bij de maaltijden. Dat ik jullie niet even mee uit wandelen nam. En dat ik jullie dag niet kwam opfleuren.  Het spijt me dat ik weinig kon verhelpen aan het feit dat de maaltijden soms koud geserveerd werden. Of dat het weer tomatensaus was (terwijl jullie al duizend keer hebben gezegd dat jullie dat niet lusten). Of dat het eigenlijk gewoon weer niet te vreten was.  
     
    Wat ik jullie wel nog wil vertellen: het is niet overal zo. Wat keek ik mijn ogen uit toen ik de eerste keer in De Toekomst kwam. Een woonzorgcentrum met zo'n naam, dat kan alleen maar hoopvol zijn, dacht ik. Ik zag voor 't eerst bewoners die mogen genieten van een waardige oude dag. Ik zag zorgverleners die de kunst van de zorg werkelijk hebben begrepen. Met rust, met respect, met geduld en met liefde. Hoe kostbaar is het gebaar van een arm rond de oude frêle schouders van één van de vrouwen op haar kamer. "Heb je genoeg gegeten? Ben je zeker? En heb je wat geslapen? Zullen we sebiet samen een wandeling doen?" Daar hebben ze wel begrepen hoe het moet. Er is nog hoop, en wel in De Toekomst.  
     
    En laat ons vooral dit niet vergeten: de generatie ouderen die vandaag in woonzorgcentra wonen, hebben ervoor gezorgd dat wij jongeren vandaag een heleboel kansen kregen. Het zijn stuk voor stuk mensen die in hun jonge jaren gewerkt hebben voor zichzelf, maar ook om hun kinderen meer kansen te geven. Heel onze maatschappij hebben we te danken aan hen. Moeten wij dan eigenlijk niet gewoon 'merci' zeggen en hen teruggeven wat ze verdienen, namelijk de béste zorgen om voluit te kunnen genieten van hun schone oude dag?  
     
    Merci dus, Jean, merci Mariette. Merci Maria, Louisa, Ivonne, Werner, Elisabeth, Amelia, Fons, Gerard en Nelly. Merci allemaal.