Meest recent

    © McPHOTO/M. Weber - creative.belgaimage.be

    Wat is het ideale vetpercentage voor een sportman?

    De nieuwe trainer van Anderlecht Hein Vanhazebrouck zou zich al meteen hebben laten opmerken: na een week training zou hij gezien hebben dat verschillende spelers een te hoog vetpercentage hadden. Eén speler zat op 19 procent, een andere zelfs boven 20 procent. En dat was volgens de kranten te veel  voor Vanhazebrouck, en dus moest het naar beneden. Maar wat is het ideaal? Tekst en uitleg van Eva D'Hondt, professor in de Bewegings- en Sportwetenschappen.

    Eva D'Hondt is professor in de antropometrie - het opmeten en in kaart brengen van de mens - en geeft aan de VUB les aan studenten lichamelijke opvoeding, kinesitherapie en revalidatiewetenschappen. De vetpercentages zijn belangrijk voor sporters, zo zei ze in "De wereld vandaag", omdat je als atleet moet streven naar een optimale lichaamssamenstelling, en omdat het zo is dat lagere vetpercentages hoe dan ook leiden tot betere sportieve prestaties.

    De verklaring daarvoor is dat wie een hoger vetpercentage heeft, ook een hogere lichaamsmassa zal hebben, meer zal wegen met andere woorden. En in veel sporttakken is het nu eenmaal minder efficiënt om meer lichaamsmassa, waarvan een deel te wiijten is aan vetmassa, mee te sleuren. En naast de loutere kwestie van het gewicht is er ook nog een fysiologische reden, aldus D'Hondt.

    Boven- en ondergrens

    De bovengrens van het vetgehalte is duidelijk verschillend voor een populatie van sporters en de algemene bevolking, zei professor D'Hondt. Bij mannelijke atleten varieert de bovengrens doorgaans tussen 5 en 14 procent, in een normale populatie jongvolwassenen schommelt de bovengrens bij mannen tussen 10 tot 15 procent en 20 tot 25 procent. Wie daarboven zit, heeft te veel vet en zou daar beter iets aan doen. 

    Er is echter ook een ondergrens, en D'Hondt benadrukt dat het heel belangrijk is dat ook te vermelden. Naast overtollig vet, dat ook stapelvet genoemd wordt omdat ons lichaam het gaat opstapelen, beschikt ons lichaam ook over een aantal essentiële vetten. We hebben immers effectief vet nodig voor een aantal essentiële functies van de organen en voor onze hormonenhuishouding, zeker bij vrouwen. Te lage, gevaarlijk vetpercentages zijn bij mannen minder dan 4 procent, terwijl vrouwen toch al problemen ondervinden bij percentage onder 10 tot 12 procent.  

    Sumoworstelaars versus langeafstandsloper

    Het optimale vetpercentage is niet hetzelfde voor alle sporttakken, zei professor D'Hondt. Bij voetballers ligt het ideaal rond het gemiddelde van de sportpopulatie, bij andere sporttakken ligt het lager, bijvoorbeeld bij gymnastiek. Dat heeft te maken met het feit dat lichte gymnasten een aantal bewegingen sneller kunnen uitvoeren dan zware, en ook met het feit dat ze niet alleen beoordeeld worden op hun sportieve prestatie, maar dat ook de esthetiek meespeelt. Ook langeafstandslopers hebben traditioneel lage vetpercentages.

    Sporten aan het andere eind van het spectrum zijn dan bijvoorbeeld sumo-worstelen, maar ook de werpnummers bij atletiek. Daarbij kan het extra vetpercentage, de extra massa, mee ingezet worden om de discus of hamer weg te slingeren.

    Hoe geraakt men van extra vet af?

    Om van een te hoog vetpercentage af te raken, is een combinatie van beweging en letten op de voeding nodig, zo zei D'Hondt.

    De fysieke fitheid zal moeten aangespitst worden, en ook het dieet van de sporters moet herbekeken worden. Dat vraagt bovenal dan weer discipline. De Anderlecht-spelers weten dus wat hen te doen staat...