Is het geen schande dat dromen van een minister verre wensdromen blijven?

"Minister van Justitie Geens  (CD&V) droomt van een laagdrempelige, snelle en toegankelijke justitie. Daar kan geen enkel redelijk mens tegen zijn. Mooi, maar het is een schande dat deze dromen slechts verre wensdromen zijn." Hugo Lamon, woordvoerder Orde van Vlaamse Balies.

opinie
Opinie

Het was woensdag een wat merkwaardige bedoening in Bozar in Brussel. De minister van justitie had al wie er binnen justitie toe doet uitgenodigd voor een voorstelling. Dat het geen theatervoorstelling zou worden was vooraf wel duidelijk, maar waaraan de genodigden zich precies mochten verwachten bleef een goed bewaar geheim.

De minister van justitie zou zijn “Court of the future” voorstellen. Ondanks de gehanteerde taal ging het toch over de werking van het gerecht in ons land. De minister van justitie heeft de afgelopen jaren al een stortvloed van nieuwe wetgeving afgevuurd op rechters en advocaten. Met vijf “potpourri-wetten” (de naam zegt het zelf: wetten die van alles en nog wat regelen) heeft hij het verloop van rechtszaken al grondig veranderd.

Is het zo onredelijk om in een burgerlijke zaak  te streven naar een uitspraak binnen het jaar?

Intussen wil hij ook grote delen van het recht aanpassen  (met onder meer grondige hervormingen van het vennootschapsrecht en het strafrecht, maar ook in het burgerlijk recht). De aanwezigen hielden hun hart vast wat de minister nu weer van plan is. Alsof het nog niet genoeg is. Alsof iedereen nu nog kan volgen. Alsof nu écht alles op de schop moet.

De minister kwam, zag en sprak. Hij had geen nieuw wetsontwerp in petto, ook niet een masterplan en zelfs geen nieuw noodplan. Neen, hij heeft een droom en wil die met de rest van de wereld delen.

Hij laat zien hoe volgens hem justitie er over tien, of zelfs dertig, jaar zou moeten uitzien. Hij vroeg ook de hoge magistraten, advocaten, notarissen, professoren en andere actoren om met hem mee te dromen. Een minister die verder denkt dan de waan van de dag of dan het laatste twitterincident dat het tot parlementaire vraag schopt: het is een verademing. Een minister wiens blik verder gaat dan de volgende verkiezingen en een na te streven ver ideaal vooropstelt is tegendraads en daarom alleen al aantrekkelijk.

Zou het niet evident moeten zijn dat de infrastructuur van justitie wordt afgestemd op de actuele noden? 

De plannen van de minister lijken soms utopisch. Hij wil, per analogie met de alombekende “tax on web”-applicatie, iets soortgelijks bij justitie. Een website “just on web” waar alles over justitie is terug te vinden en waar de rechtzoekende met behulp van zijn elektronische identiteitskaart gewoon kan inloggen en meteen zijn eigen dossier kan raadplegen, waarbij precies kan achterhalen wat de laatste stand van zaken is.

De minister preciseerde meteen dat het niet voor onmiddellijk is, zelfs niet voor de volgende jaren, maar dat het toch een mooi perspectief is. Dat is natuurlijk zo, maar wie nu het webadres justonweb intikt komt voorlopig enkel  uit bij de persoonlijke website van een vijfjarige Lotte die met sloebergroetjes over haar jonge avonturen wil vertellen, tenminste als pepe Jeppie tijd heeft.

De droom van de minister vertrekt van een nochtans realistisch verwachtingspatroon van de burger: een laagdrempelige, efficiënte (lees: snelle) en toegankelijke justitie.

Daar kan geen enkel redelijk mens tegen zijn. Het is overigens een schande dat dit in een beschaafd land slechts een verre wensdroom zou moeten zijn.

Zou het ook niet voor de hand moeten liggen dat justitie wil profiteren van de efficiëntievoordelen van digitalisering en informatisering? 

Is het zo onredelijk om in een burgerlijke zaak  te streven naar een uitspraak binnen het jaar? Zou het niet evident moeten zijn dat de infrastructuur van justitie wordt afgestemd op de actuele noden?  En zou het ook niet voor de hand moeten liggen dat justitie wil profiteren van de efficiëntievoordelen van digitalisering en informatisering?

Alleen al het feit dat de minister het maar over vrijblijvende dromen wil hebben is al veelzeggend.

Toch was de actie van de minister minder vrijblijvend dan op het eerste gezicht zou lijken. Binnenkort zullen de magistraten zelf hun budgetten moeten beheren en voor de bazen van de  rechtbanken en hoven had de minister een duidelijke boodschap. Zij mogen ook dromen, maar misschien toch ook meer dan dat.

Magistraten schermen vaak met hun onafhankelijkheid, die elke druk of controle van buitenaf onmogelijk maakt.  Magistraten zijn daarin niet uniek, want ook universiteitsprofessoren verwijzen  graag naar hun academische vrijheid en artsen hebben een therapeutische vrijheid.

Het is overigens een schande dat deze dromen in een beschaafd land slechts een verre wensdroom zijn.

Niet toevallig liet de minister eminente sprekers uit die sectoren uiteenzettingen geven over hoe aan universiteiten en in de sociale zekerheid via grootschalige digiataliseringsprojecten effeciëntiewinsten werden geboekt, zonder aan de onafhankelijkheid te raken. 

Voor een goed luisteraar was de boodschap klaar: hetzelfde moet bij justitie kunnen. Over wie dat zal financieren werd echter niets vernomen. Maar Willem Ellschot wist het al: tussen droom en daad staan wetten in de wet en praktische bezwaren. Voor de wetten kan de minister zorgen, net als voor sommige praktische (en veelal budgettaire) bezwaren.

Maar het zal ook een mentaliteitsomslag vergen. Daar kunnen dromen misschien bij helpen. Maar de minister moet ook weten dat “a dream without a date is what it is: just a dream”. En wie zei ook al weer dat de meeste dromen bedrog zijn?

Meest gelezen