Gat in de ozonlaag is weer wat kleiner

Het gat in de ozonlaag dat zich elk jaar boven Antarctica vormt, is dit jaar kleiner dan de vorige jaren. Dat heeft de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA berekend aan de hand van satellietbeelden. Sinds 1988 zou het gat nooit zo klein geweest zijn.  

Het gat in de ozonlaag boven Antarctica ontstaat elk jaar in de winter, tussen juli en oktober. Dat heeft te maken met de koude temperaturen die er dan heersen. In koude temperaturen ontstaan er in de stratosfeer makkelijker wolken waarin stoffen als chloor en broom zich opstapelen. Chloor en broom zijn stoffen die ozon afbreken.

Omdat de temperaturen in de stratosfeer dit jaar hoger waren dan gewoonlijk, konden er zich minder wolken vormen en bleef het gat in de ozonlaag beperkt. Al blijft het gat hoe dan ook groot: met 19,6 miljoen vierkante kilometer is het bijna twee zo groot als Europa.   

Boosdoeners chloor en broom

Het gat in de ozonlaag werd voor het eerst opgemerkt in 1985 en ontstaat dus door inwerking van stoffen als chloor en broom. Chloorverbindingen (CFK's) werden lang gebruikt als koelstoffen in onder meer ijskasten. In 1987 werd het gebruik ervan met het Protocol van Montreal verboden. Dat Protocol had tot doel de ozonlaag te beschermen. Die bescherming was nodig omdat de ozonlaag schadelijke uv-stralen tegenhoudt die onder meer huidkanker en cataract veroorzaken en ook planten beschadigen.   

Als gevolg van het Protocol van Montreal, is het gat in de ozonlaag de laatste 10 jaar beetje bij beetje kleiner geworden. Om dit jaar de kleinste omvang te bereiken sinds 1988. Maar de laatste krimp is dus hoofdzakelijk te danken aan de hogere temperaturen die er het afgelopen jaar (en ook het jaar ervoor) in de stratosfeer waren. Want volgens wetenschappers zijn de concentraties chloor en broom in de luchtlagen nog altijd hoog genoeg om aanzienlijke schade aan te richten. Ze verwachten dat het gat in de ozonlaag rond 2070 opnieuw de omvang van de jaren '80 zal bereiken.