Mijn wijk in New York, een miniversie van de Verenigde Naties

Elke week schrijft Björn Soenens over de kleine en de grote dingen die hem verbazen en verwonderen in zijn standplaats, Amerika. Dit keer zwerft hij lang rond in de buurt waar hij woont: Clinton Hill in Brooklyn, New York City. 

Vaak verhuizen maakt je tot een eeuwige outsider. New York loopt vol outsiders: verhuizers en nomaden. New York is een stad waarvan de meeste bewoners niet in New York geboren zijn. De meeste mensen komen ergens elders vandaan. Je brengt je bagage mee, je zet ze hier neer in de megapolis, en je bent een New Yorker. 

"Hey brother, I take my glove off to shake your hand. I live on the street and I need dinner. Me and my girl are HIV positive. Can you please help, sir?"

Welkom in mijn buurt. Dit soort vragen krijg ik vaak terwijl ik op mijn straathoek sta te staren en te peinzen. Ik leer snel bij over de échte wereld. Onlangs botste ik laat in de avond op mijn buren, Danielle en Casey. Danielle heeft in de buurt nogal wat bekijks, ze lijkt sprekend op de bekende filmster Sandra Bullock.

Haar man Casey wijst me op de indringende ammoniakgeur aan mijn huis. Hij heeft net een duister heerschap zien staan plassen tegen de gevel van mijn flatgebouw. De straal pis lijkt nog niet klaar met haar kronkelende, hellende tocht naar de greppel. Het lijkt er op dat de acaciaboom straks zal gaan afzien. 

Niets verwondert me nog over menselijke schaamteloosheid in dit land. Enige tijd geleden lag er ook een menselijke drol aan mijn voordeur te dampen. "Ach", zegt Danielle, "het valt flink mee nu. Vijf jaar geleden was het hier een heel ander verhaal." Met "anders" bedoelt ze: tot vijf jaar geleden was dit gewoonweg een gore straathoek. Er werd crack gedeald, crystal meth gesnoven, en andere drugs gespoten. Nog tien jaar eerder was de buurt vergeven van de straatprostituees. Heden is mijn buurt gestaag aan de beterhand. 

Niets verwondert me nog over menselijke schaamteloosheid in dit land 

Dit deel van Brooklyn herleeft in snel tempo. Dat noemen ze hier gentrification. Hoe een buurt een metamorfose ondergaat, hoe de wijk beter wordt, mooier en leefbaarder. Een beetje als een slang die haar oude vel verliest. De heropleving  van mijn wijk is mee te danken aan de gekte van Manhattan.

Manhattan is zo spectaculair duur (gemiddeld 5.000 dollar per maand voor 100 meter bewoonbare oppervlakte) dat jonge koppels - ook de welstellende tweeverdieners - op zoek moeten gaan naar een goedkopere en rustigere plek. Ik verzin die bedragen niet. 

Een contact van me op Facebook, Jan-Rémi, schreef mij over zijn baas. Die verdient 18.000 dollar per maand – per maand ja - als manager bij United Airlines. Met zijn twee kinderen en zijn vrouw moet hij noodgedwongen weg uit Manhattan. Met zo’n loon in Manhattan – waar je in onze contreien enkel van kan dromen - ben je dus eigenlijk een "big time sucker", liet Jan-Rémi weten. Het is er werkelijk onbetaalbaar als je niet behoort tot de toplaag. In een buurt als Hell’s Kitchen in Manhattan (42ste straat en hoger, aan de westkant) betaal je al snel 4.000 dollar huur per maand voor een kleine flat met één slaapkamertje. Alles samen zo’n 60 vierkante meter om te wonen. Zeer eng behuisd. In Vlaanderen zouden we dat een kruipkot noemen. 

En zo komt het dat (mijn) Clinton Hill, in noord-centraal Brooklyn, zich uit de miserie heeft gewerkt. Daar waar de panden vroeger stonden te verkrotten, waar de kakkerlakken en ratten gedijden, is er heel veel opgeknapt en verfraaid. In de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw was Clinton Hill nog een rough neigborhood met de bijhorende shootings op talloze straathoeken. Vooral het kruispunt van Waverly en Myrtle Avenue was een rampzalig rovershol.  

Clinton Hill is ongeveer één vierkante kilometer groot. Mijn wijk ligt gekneld tussen Flushing Avenue in het noorden, Atlantic in het zuiden, Vanderbilt in het westen, en Classon Avenue in het oosten. Het is één van de meest diverse buurten van Brooklyn. 40 procent is blank, 40 procent zwart. 16 op de 100 inwoners zijn latino’s, 4 procent heeft een Aziatische afkomst.

De afgelopen vijf jaar is de blanke bevolking sterk toegenomen, met 150 procent. Het aantal Afro-Amerikanen in mijn buurt is dan weer met een derde gedaald. Grof gezegd: de buurt wordt rijker en welvarender. 

De prijs van de gentrificatie

Dat is de prijs van de gentrificatie. Vooral minder bemiddelde zwarte Amerikanen voelen zich uitgedreven door de stijgende vastgoedprijzen. In mijn flatgebouw woont niet één zwarte Amerikaan. De zwarte schrijver en invloedrijke denker Ta-Nehesi Coates voelt elke keer de woede opwellen bij de term "gentrification". “Het is een storm die door hele wijken raast”, zegt hij. “Gentrificatie is gewoon een propere naam voor het herstel van de blanke suprematie. Het is een misdaad. Het is racisme, vermomd als kapitalisme.” 

Enige research leert me dat stadsbesturen en banken vanaf de jaren 30 van de vorige eeuw op een perverse manier samenwerkten om buurten in kaart te brengen waar zwarten woonden. Afro-Amerikanen kregen heel vaak geen lening voor een huis, om te vermijden dat een wijk permanent door zwarte bewoners zou worden ingepalmd. "Zoning", noemden ze dat in het jargon. De Amerikaanse geschiedenis is (niet alleen in mijn buurt) doordrenkt van het racisme.

“Gentrificatie is gewoon een propere naam voor het herstel van de blanke suprematie 

Gentrificatie verloopt altijd volgens een vast stramien. Een vervallen buurt oefent aantrekkingskracht uit op bohémiens, kunstenaarstypes en jonge mensen. De prijzen zijn laag, je kan voor vrij weinig geld een huis kopen en opknappen. Vervolgens leeft de buurt op. Een propere wijk creëert zijn eigen vitaliteit: nieuwe kledingboetiekjes, meubelwinkeltjes, koffiezaakjes, bakkerijtjes, cafés en restaurants. Mond-tot-oor-reclame over de ver-hipstering van de buurt, over een wijk-in-opkomst, lokt meer nieuwsgierigen en nog méér belangstelling. De sociale media vermenigvuldigen die aandacht. Plots is een wijk weer ‘in’. Yelp, TripAdvisor en Zagat doen daarna de rest. 

De buurt wordt veiliger en economisch stabieler (in de praktijk: minder zwart). In Clinton Hill hielp ook de politie, de NYPD, een hand mee: buurten waar straatbendes huizenblokken onveilig maakten, zijn streng aangepakt. De boel is radicaal "opgekuist". Waar vroeger schietpartijen plaatsvonden, zie je nu de bestelwagens van Fresh Direct opduiken. Je bestelt online kant-en-klare gerechten of groenten, en ze worden prompt aan je deur geleverd. 

"New York is nooit zomaar een wereldstad, New York is in de eerste plaats je eigen buurt"

Clinton Hill is helemaal niet genoemd naar de ex-presidentskandidate Hillary Clinton, of naar de ex-president, Bill Clinton. De buurt leent zijn naam van DeWitt Clinton (1769-1828), een illustere vroede voorvader, voormalig burgemeester en gouverneur van New York.

Mijn Clinton Hill is nu een mix van studenten, hipsters, artiesten, designers, advocaten, bankiers, leraren en arme luizen. Het vlakbij gelegen Pratt Institute trekt veel artistieke types aan. Pratt is een hogeschool voor fotografie, film, design en architectuur. Na het afstuderen blijven veel alumni hangen. Mijn zwarte buurman Darryl is één van hen. 

Je raakt snel verslaafd aan de grootsheid van New York. Het leven is jachtig en voortdurend verzadigd van allerlei indrukken, van de meest onthullende tot de meest absurde. New York jaagt je gedachten in eindeloze kronkels. Het is een onbestemde vorm van overbelasting en hevige prikkels. De straatstenen ademen ontmoeting en duizenden verhalen uit. Voortdurend gewriemel in je hoofd. Dat doet New York met je. 

Mijn Clinton Hill is nu een mix van studenten, hipsters, artiesten, designers, advocaten, bankiers, leraren en arme luizen

New York is dus nooit zomaar een wereldstad met vele miljoenen opeengepakte mensen. New York is altijd in de eerste plaats je eigen buurt. Gewoon: het simpele leven dat zich rondom je afspeelt. Je eigen kleine New York. Op mijn straathoek (Washington Avenue en Fulton Street) loopt het nog niet altijd even lekker en vlot. Er dwalen wat crackverslaafden rond (maar iedereen kent ze wel en ze zijn ongevaarlijk), er zijn wat oorlogsveteranen op de dool. De wildplassers zijn helaas niet uitgeroeid (ik ruik het geregeld tot in mijn inkomhal).

Maar ook dat is normaal: vlak bij mijn huis is een opvanghuis voor verslaafden – ’s morgens krijgen ze er hun gratis methadonspuit - en tegenover mijn flat ligt een drukke metrohalte (Washington/Clinton) voor de C-trein.  Ook de A-trein dendert onder mijn straathoek.

Metrohaltes trekken geheid  low life aan: als je uit bedelen moet, is er geen betere plek dan de uitgang van een metrostation (altijd volk!). Twee blokken verder staan prachtige oude huizen: brownstones, door hun typische terracotta bruine kleur en hun statige karakter. Het zijn huizen die dateren uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Het onderhoud ervan is een eeuwigdurend werk, zuchten mijn buren.

Deze huizen met drie etages gaan zelden voor minder dan twee miljoen dollar in de verkoop. Een studiootje kopen in Clinton Hill? Reken maar op 700.000 dollar. Een appartement met drie slaapkamers koop je hier niet voor minder dan 1,85 miljoen dollar. Het was ooit anders: in het armtierige 1980 kon je hier nog een flatje huren voor 250 dollar. Vandaag? Minstens tien keer zo duur. 

New York is nooit zomaar een wereldstad met vele miljoenen opeengepakte mensen. New York is altijd in de eerste plaats je eigen buurt

Zelf huur ik een bescheiden flat met twee slaapkamers. Mijn buren vinden dat ik een goede deal heb gesloten: ik betaal maar 3.500 dollar per maand. Het is een nieuwe flat, mijn vrouw en ik zijn de eerste bewoners. Mijn huis is tegelijk mijn kantoor. De tafel dient om er te eten, maar ook om er te werken.

Als ik niet op reportage ben, in het veld, gaan veel van mijn radiogesprekken de ether in van aan de keukentafel. Eén lokaal is behalve logeerkamer ook een bewaarplek voor heel wat technisch materiaal: allerhande microfoons, opnametoestellen, een camera, licht, een statief, en een Amerikaans LiveU-toestel om op elk moment van de dag rechtstreeks op de radio of op tv te komen. 

Mijn vuilnisman is een beetje jaloers op de "milde" huurprijs voor mijn appartement, zegt hij tijdens zijn ophaalronde. Jamal woont zelf een vijftal metrohaltes oostelijker in Brooklyn, en betaalt 2.500 dollar per maand voor een kleine flat met twee kleine slaapkamers: hij, zijn vrouw en twee kleine kinderen. Hij neemt er de kakkerlakken en de muizen op de koop toe en moet zich met zijn loon krom werken om de huur te kunnen ophoesten.

In mijn buurt wonen opvallend veel jonge gezinnen met kinderen. Er zijn een pak speeltuinen. Dat is altijd een goed teken: buurten waar veel kinderen opgroeien zijn levenskrachtig én een signaal dat de buurt in opmars is. Als mensen geloven dat het veilig is om de kinderen op straat te laten lopen, dan is je buurt wel oké. Ik zie veel openbaar groen, veel kleine en grote parken. Elke zaterdag loop ik - hand in hand met mijn vrouw - met ons groenafval naar de boerenmarkt aan Fort Greene Park. 

Cannoli, Mr. Melon, vanille-ijs met pindakaas en suikerboontjes met limoen en pepermunt

Als ik een eenvoudige en lekkere pizza wil, stop ik bij Graziella’s op Vanderbilt Avenue. Ik neem er altijd cannoli mee naar huis: een gerold Siciliaans gebakje gevuld met zoete ricotta. Het paradijs op je tong. Een beetje The Sopranos in je mond. Sarah is de vriendelijkste ober ever: ze komt je wijn en pizza brengen, geeft intussen nog wat leestips mee uit de wereldliteratuur (ze vindt The Master and Margarita van Mikhail Bulgakov het beste boek ooit), en ze vertelt graag over haar Oekraïense en Turkse roots. En ze is getrouwd met een Oezbeek. 

Op nog geen 50 meter van mijn deur bevindt zich de winkel van Mr. Melon. Mijn vrouw Emma bestudeert altijd heel nauwgezet zijn aanbod van groenten en fruit. Een bakje blauwe bessen voor één dollar. Frambozen voor nog geen anderhalve dollar (ook de bleke sunshine raspberries zijn heerlijk!). En elke dag verse avocado’s voor nog geen anderhalve dollar per stuk, de groenere soort uit Florida zelfs voor maar één dollar.  

Wij houden echt van Mr. Melon. De Chinese kruidenier is een miskende parel op Fulton Street. Een kilometer verder is er nog één, maar die heet Mr. Mango. Mr. Coco en Mr. Plum bestaan overigens ook, echt waar. Twee winkels verderop ziet het er een stuk chiquer uit. Voor dezelfde blauwe bessen van Driscoll’s betaal je daar  5 dollar of meer per doosje. Dat is het verschil. Geloof me, in een stad als New York leer je in sneltempo verstandig met schaarse middelen omspringen, omdat het moet als je wilt overleven in deze kapitalistische jungle.

Op Vanderbilt Avenue (onze vaste avondwandeling) kan je het allerbeste roomijs krijgen, bij Ample Hills Creamery. IJs zoals u het nog nooit geproefd heeft. Er staan elke dag lange rijen, en dat is helemaal terecht. PB Wins the Cup is mijn favorietje: vanille-ijs met brokjes pindakaas en donkere chocola. De-li-cieus! Ik neem er meestal een kinderpotje, want de ijsjes zijn te gul – te ampel - geschept.

Toen mijn kinderen op bezoek kwamen uit België, was hun verslaving ongeveer instant. Elke dag een ijsje, elke dag een nieuwe smaak. IJs maakt mensen onschuldig en lief. Je kindertijd keert terug. Likken en zwijgen. Het leven kan simpel zijn. En daarna een langzame koffie bij Sit and Wonder op Washington Avenue. Of bij Seven Point Espresso, een zaak gerund door allemaal Australische inwijkelingen. 

In New York leer je in sneltempo verstandig met schaarse middelen omspringen, omdat het moet als je wilt overleven in deze kapitalistische jungle

Het allerbeste restaurant uit mijn buurt is door mijn nieuwsgierige vrouw ontdekt net voor onze trouwverjaardag. Het ligt op vijf minuutjes wandelen van onze beruchte straathoek. The Finch op Greene Avenue serveert hemelse gerechten, rechtstreeks uit de moestuin. Sinds een jaar of twee hangt er ook trots een Michelinster aan het raam. Geen fancy snobistische bedoening in The Finch, gewoon puur eet-en drinkgenot. De suikerboontjes met limoen en pepermunt smaakten als het snoep in Sjakie en de Chocoladefabriek. Aan de sappige Maine Pekytoe Crab denk ik ook nog kwijlend terug. 

Yuppies en buppies

In mijn buurt duiken almaar meer yuppies en buppies op. Buppies zijn de zwarte variant van de young urban professionals. De black urban professionals. Ik zie ze geregeld opduiken aan de bar van Sisters, onze leuke plek net om de hoek. Obash (uit Iran), Mamie Ama (een mooie zwarte vrouw uit New Jersey) en Cooper (pornosnor, en steevast met zijn pilotenbril uit de jaren 70 op de neus) runnen vlotjes hun bar.

Zij kennen mijn leven. Ik luister graag naar dat van hen. De Bloody Mary’s gaan in grote hoeveelheden over de toonbank bij de yups en de bups. Bij Sister’s komen nu en dan jonge dichters hun verzen komen voorlezen. Of ze spelen er live Balkan- of jazzmuziek. 

Bij de vrouwen op Clinton Hill zijn yoga en dans erg populair. Om duur lidgeld te besparen, werkt Emma er soms mee als vrijwilliger in de studio op Bergen Street. Emma leert op die manier ook heel wat Amerikaanse vriendinnen kennen. Maya – die de dansstudio runt - vindt haar een topvrouw. En omgekeerd ook, dus dat komt goed uit. Saskia – een Nederlandse in Brooklyn – is intussen ook een leuke vriendin. 

"Clinton Hill: miniversie van de Verenigde Naties"

Met de C-trein (de blauwe lijn) ben je vanuit Clinton Hill op een goed half uur in het centrum van Manhattan. Met de G-trein (de groene lijn) spoor je op twintig minuten makkelijk naar hipsterville USA in Greenpoint en Williamsburg. Onderweg, op de metro,  gonzen ontzettend veel talen: Russisch, Pools, Arabisch, Italiaans, veel Spaans, Frans ook, en nu en dan een keer Nederlands.

Clinton Hill (en heel New York eigenlijk) is een soort miniversie van de Verenigde Naties. Verschillende keren per week hoor ik de muezzin zijn gebeden uitzingen vanuit de moskee op Fulton Street. ’s Avonds laat zien we wel eens een tapijtje uitrollen op het voetpad, om een gebed richting Mekka te doen. 

Op de metro,  gonzen ontzettend veel talen: Russisch, Pools, Arabisch, Italiaans, veel Spaans, Frans ook, en nu en dan een keer Nederlands

Clinton Hill heeft ook zijn beroemde inwoners en zijn rijke geschiedenis. De vermoorde rapper, "The Notorious B.I.G" (Biggie) groeide op in het naburige (wat ruwere en armere) Bedford-Stuyvesant. Bed-Stuy, zeggen ze hier. Biggie was enige tijd medewerker bij Key Foods, de vaste kruidenier op 100 meter van mijn deur. Alle beroemde mensen hebben ooit een gewoon leven geleid. De beroemde schrijfmachine "The Underwood Typewriter" werd rond de eeuwwisseling in 1900 in Clinton Hill voor het eerst bedacht en op de markt gebracht.

De iconische Hollywooddiva Barbara Stanwyck werd zo’n 500 meter van mijn deur geboren, op Classon Avenue. Een enkele keer zagen we Susan Sarandon op straat slenteren, in de buurt van Grand Avenue, waar haar zoon Miles Robbins woont. Chuck Schumer, de leider van de Democraten in de Senaat in Washington, zie je hier geregeld op zijn fiets. Zijn vader woont in de buurt. 

Barbara Stanwyck AP1941

Op nummer 207 van mijn eigen Washington Avenue (ik woon een steenworp verderop) woonde tot aan zijn veel te vroege dood de beroemde jazztrompettist Lester Bowie (1941-1999). U herinnert zich ongetwijfeld nog het themamuziekje voor The  Cosby Show in de jaren 80. Lester Bowie! Het was Lester Bowie die terecht aan de wereld meedeelde: "The trumpet is forceful". Zo ook mijn soms verwarrende en erg snel veranderende buurt. 

"Forceful". Dat waren ook mijn meanderende gedachten toen ik daarnet voor de tigste keer allerhande plastic rommel van mijn voetpad raapte. Ik dacht ook: een mens moet zich veel en vaak op straat begeven, maar je leeft toch ook en vooral in je hoofd. Daar gebeurt veel. De brokstukken van wat ik daar zie en hoor, probeer ik elke dag op te vangen en neer te schrijven. 

Je wijk is waar je hoofd is. Zoals in die stevige song van Jay-Z: “Hello Brooklyn, how you doin’? Where you goin’? Can I come too? I love your corners, I’m half your soul…”